- Wetenschappelijke Feiten over GOG -
Laatste update: 28 december 2005
Wetenschappelijke feiten over
grensoverschrijdend gedrag (GOG) op één rij
NIEUW: Wij zijn bezig de
informatie op deze pagina uit te breiden. Gedurende de aankomende weken/maanden
zullen wij regelmatig informatie over wetenschappelijke feiten aan deze pagina
toevoegen. Meer informatie over de op deze pagina vermelde feiten treft u voortaan
op achterliggende pagina’s aan die momenteel in ontwikkeling zijn.
- Therapeutische incest: seksueel
grensoverschrijdend gedrag binnen professionele relaties wordt gekenmerkt
door een aanzienlijke machtsongelijkheid tussen beide partijen. Om deze
reden en wegens tal van andere overeenkomsten tussen incest en seksuele
relaties tussen hulpvragers en hulpgevers wordt seksueel GOG ook
‘therapeutische incest’ genoemd. Dit vooral ook omdat de afhankelijkheid
waarin de hulpvrager per definitie verkeert in veel opzichten overeenkomt
met de afhankelijkheid van een kind van een ouder (Schoener, 1989).
- Seks is niet HET probleem: de essentie bij alle vormen van grensoverschrijdend
gedrag (GOG) door professionals is niet het seksueel contact op zich dat
plaatsvindt maar het machtsmisbruik dat vooral psychisch/emotioneel van
aard is. Ondanks het feit dat in de meeste gevallen van GOG door
professional sprake is fysiek seksueel contact leert de ervaring dat
machtsmisbruik zonder seksuele componenten en/of verbale seksuele intimidatie
tot dezelfde desastreuze gevolgen bij het slachtoffer kunnen leiden. Gary
Schoener merkt onder het hoofdstuk ‘Sex
is not the problem’ op dat er een verontrustender probleem bestaat dan
het seksueel contact, namelijk: niet herkende of niet opgeloste seksuele
aantrekkingskracht binnen een (psycho)therapeutische relatie. ‘Seductive
game-playing’ bijvoorbeeld komt nog veel vaker voor dan seksueel contact.
De verwarring die hierdoor ontstaat kan eveneens verstrekkende gevolgen
hebben, zelfs in de gevallen waarbij verbale seksualisering niet leidt tot
daadwerkelijk fysiek contact (Schoener,
1989).
- Indirecte slachtoffers van GOG: het trauma dat de grensoverschrijdende
professional bij het primaire slachtoffer veroorzaakt is de oorzaak van
haar/zijn veelal emotionele en fysieke verwijdering van partner, familie
en vrienden. Deze verwijdering zorgt ervoor dat indirecte slachtoffers,
zoals partners, ook bijna altijd met zeer ingrijpende gevolgen van het GOG
geconfronteerd worden (Lupker in:
Gonsiorek, 1995).
- Start seksueel contact: in
ruim 50% van de gevallen
begint het seksuele contact binnen 6 maanden na aanvang van de therapie.
In meer dan 20% van de gevallen
ontstond het seksuele contact pas tijdens de laatste sessie. Na
beëindiging van het behandelcontact ontstaan seksuele contacten bijna
nooit (Schoener, 1989).
- Initiatiefnemer: Duidelijke
seksuele initiatieven van cliënten
zijn uiterst zeldzaam. Verleiding door de cliënt komt slechts bij
uitzondering voor. In de meeste gevallen (80 tot 95%)
gaat het initiatief voor seksueel contact van de hulpverlener uit. Er
bestaat overigens geen medische literatuur die het thema dat geen thema
is, namelijk ‘de verleidende cliënt’, tot onderwerp heeft. Ook bestaat
geen onderzoek dat aantoont dat verleiding door de cliënt een probleem
binnen de problematiek GOG zou zijn. Slechts een schaars aantal auteurs
noemt dit punt, dan echter slechts om duidelijk te maken dat ‘zelfs als er
sprake van verleiding van de professionals door de cliënt zou zijn, dit
nooit als een excuus voor het grensoverschrijdend gedrag van de
professional gezien mag worden. Glen
Gabbard en Tom Gutheil (laatstgenoemde treedt vaak als getuige-deskundige
voor therapeuten op) bijvoorbeeld schenken aan het thema ‘verleiding door
de cliënt’ geen enkele aandacht en/of geloofwaardigheid als zijnde een
mogelijke verklaring voor het gepleegde GOG door een professional (Schoener
2005; Becker-Fischer & Becker 1996; Freburg 1995).
- Soort seksueel contact: in
bijna 80% van de gevallen
gaat het om geslachtsgemeenschap (Schoener,
1989).
- GOG
is een bewuste keuze: over het
algemeen wordt GOG d.m.v. subtiele middelen en stapsgewijs door de
hulpverlener voorbereid. Dit noemt men ‘slippery slope’ oftewel
‘grooming’. Het gaat dus veelal om berekenend gedrag door de hulpverlener (Becker-Fischer & Fischer, 1996;
Tschan, 2001).
- Oorzaak nummer één voor seksueel
grensoverschrijdend gedrag door professionals: in meer dan 50% van de gevallen
gaat het om hulpverleners die aan (zeer) ernstige psychiatrische
stoornis(sen) lijden, soms in combinatie met een psycho-seksuele stoornis.
Te denken valt aan o.a. een narcistische persoonlijkheidsstoornis, psychopathie c.q. sociopathie (NIEUW!), schizoïde persoonlijkheidsstoornis, borderline- en
andere persoonlijkheidsstoornissen. Daarnaast treft men
stemmingsstoornissen aan zoals uniepolaire (depressie) en bipolaire
(manische depressiviteit) stoornissen. Er is echter ook wel eens sprake
van dementie en schizofrenie. Wat betreft psycho-seksuele stoornissen valt
o.a. te denken aan seksuele verslaving en diverse soorten parafilia
(perversiteiten). In hoeverre deze stoornissen redelijkerwijze samen
kunnen gaan met beoefening van een hulpverlenend vak, in het bijzonder
binnen de GGZ en daarbinnen vooral de psychotherapie, is wellicht geen
overbodige vraag (Schoener, 1989;
Gonsiorek, 1995).
- De
kans op herhaling (recidive) ligt tussen de 33 en 80%. In geval van ernstige geestelijke stoornis, dus in meer
dan de helft van de gevallen, dient men uit te gaan van een percentage in
de buurt van 80%. Mede omwille van de hoge kans op recidive wordt GOG bij
grensoverschrijdend gedrag binnen professionele afhankelijkheidsrelaties
ook wel eens met pedofilie vergeleken (Tschan,
2001).
- Incident versus recidive: in
de meeste gevallen gaat het niet om het éénmalig plegen van seksueel
misbruik maar vallen de plegers (regelmatig) in herhaling (pers.communicatie, Schoener).
- Leeftijd van de pleger/dader: bijna
de helft van alle zedendelicten worden gepleegd door zedendelinquenten met
een leeftijd tussen de 25 en 44 jaar. Ongeveer 30% van alle zedendelicten
kunnen worden toegeschreven aan daders jonger dan 25 jaar. Circa 14% van
alle zedendelicten worden gepleegd door daders tussen het 45e
en het 55e levensjaar. Slechts ongeveer 9% van alle seksuele
delicten worden door daders ouder dan 55 jaar gepleegd (Daalder & Essers, 2003). Voor
GOG gelden andere percentages. Bij seksueel grensoverschrijdend gedrag
door professionals gaat het voornamelijk om oudere plegers waarvan velen
rond hun 50e levensjaar misbruik plegen.
- Aantal
slachtoffers: in Canada wordt circa 8% van alle
vrouwen in hun leven minimaal één keer seksueel misbruikt of lastig
gevallen door een hulpverlener. Er is geen reden om aan te nemen dat de
Nederlandse situatie hiervan sterk afwijkt. Onderzoek in Canada gaf
eveneens aan dat circa 1%
van de bevolking in de afgelopen 5 jaar fysiek-seksueel was misbruikt door
een hulpverlener. Verder klaagde rond 2%
over inadequaat gedrag zoals het maken van seksuele opmerkingen, dating,
begluren tijdens het uitkleden en onzedelijke aanrakingen van patiënten (Tschan, 2002).
- GOG in relatie tot andere seksuele
delicten: in Nederland is
in 16% van alle
zedendelicten sprake van ontucht met misbruik van gezag. Onder artikel 249
Wetboek van Strafrecht vallen zowel incest als ook therapeutische incest
(GOG). Het meest voorkomende zedendelict in Nederland is verkrachting
(32%) (Daalder & Essers, 2003).
- Vóórkomen GOG: uit
wetenschappelijk onderzoek blijkt dat gemiddeld 10% van alle hulpverleners ooit tijdens hun carrière een
seksuele grensoverschrijding pleegt. Voor de psychotherapie ligt dit
percentage op circa 15%
(Tschan,2002). TransAct deed in 2000 onderzoek naar het seksualiteitsbeleid
binnen drie grote Nederlandse GGZ-organisaties. Er kwam o.a. naar voren
dat circa 10% van de cliënten meldt dat verpleegkundigen zich
grensoverschrijdend gedragen (Honig,
M. et al., 2003).
- Aantal
klachten: slecht zeer
weinig slachtoffers van GOG maken melding, dienen een klacht in, doen
aangifte en/of dienen bij de rechter een verzoek in m.b.t.
schadevergoeding. Uit een onderzoek onder psychologen bleek dat circa 12%
van de slachtoffers van GOG een formele klacht over het misbruik had ingediend
(Kenneth S. Pope & Valerie A.
Vetter, 1991).
- Onterechte
klachten c.q.
beschuldigingen van seksueel misbruik/GOG/ontucht komen slechts bij grote
uitzondering voor (Schoener, 1989).
Uit een onderzoek onder psychologen bleek dat circa 4%
van de ingediende klachten onjuist waren (Kenneth S. Pope & Valerie A. Vetter, 1991).
- Sekse (gender) en leeftijden: voor
zover bekend gaat het meestal om mannelijke plegers rond de leeftijd van
50 jaar. Slachtoffers zijn meestal 10 tot 20 jaar jonger en behoren, tot
zover bekend, meestal tot het vrouwelijke geslacht. De verhouding tussen
vrouwelijke en mannelijke slachtoffers is ongeveer 90:10. Het werkelijke
aantal mannelijke slachtoffers wordt echter hoger geschat aangezien bekend
is dat het voor hen veel moeilijker is voor seksueel misbruik uit te
komen. Mannelijke daders maken ook slachtoffers onder hun eigen geslacht.
Er zijn ook vrouwelijke daders die zowel hun vrouwelijke
als mannelijke cliënten misbruiken. Onderzoek leerde dat het in ca. 83% van de gevallen
gaat om een mannelijke therapeut en een vrouwelijke cliënt. In ca. 10% gaat het om
vrouwelijke therapeuten die een cliënt van hetzelfde geslacht misbruikten.
In ongeveer 5% is sprake van
een zowel mannelijke therapeut als ook mannelijke slachtoffer. In ongeveer 2% zou het gaan om
een vrouwelijke therapeut en een mannelijk slachtoffer. Bij het geschetste
scenario dient er rekening mee te worden gehouden met het feit dat er nog
niet veel onderzoek heeft plaatsgevonden wat betreft de genderverhoudingen.
Tevens komt het ook voor dat kinderen het slachtoffer worden van GOG door
een professional. Daarnaast worden soms ook bejaarden misbruikt. Sommige
daders maken slachtoffers onder beide sekses en binnen alle
leeftijdscategorieën. Dan gaat het om tientallen of honderden slachtoffers
die door één en dezelfde dader worden gemaakt (Schoener, 1989).
- Vrouw-vrouw
misbruik: er is nauwelijks
iets bekend over vrouwelijke plegers van GOG, zo concluderen o.a. Glaser
en Straver (1991). Het aantal vrouwelijke plegers van seksueel misbruik
binnen behandelrelaties ligt tot dusver tussen 1 en 12%.
Bij vrouw-vrouw misbruik ligt het percentage wat betreft de initiatie van
het seksuele contact door de therapeut nog hoger (93%) dan bij hun
mannelijke collegae (bijna 80%). Vrouwelijke therapeuten van GOG overschrijden de grens
binnen de therapeutische setting eerder dan hun mannelijke collegae (Gonsiorek, 1995). Uit divers onderzoek sinds
de jaren ’70 blijkt dat het bij ca. 20% van de gevallen van GOG
binnen de hulpverlening gaat om vrouw-vrouw misbruik. Tezamen met de
gevallen waarbij vrouwelijke
professionals de grenzen van mannelijke patiënten/cliënten schenden is
er dus sprake van dat het in ongeveer
een kwart van de gevallen van GOG door een professional om vrouwelijke
grensoverschrijdende hulpverleners gaat. Het fenomeen ‘vrouwelijke plegers
van misbruik’ krijgt helaas veel te weinig aandacht en vraagt dringend om
nader onderzoek. Volgens Gary R.
Schoener, o.a. directeur van het Walk-In Counseling Center in Minneapolis,
die zich al sinds drie decennia op diverse manieren professioneel bijna
uitsluitend met de problematiek GOG door hulpverleners bezighoudt gaan de
meeste deskundigen ervan uit dat een vierde tot een
derde van de GOG plegende hulpverleners vrouw is (pers. comm. januari 2005).
- Rolomkering:
niet
zelden komt het binnen scenario’s van seksueel grensoverschrijdend gedrag
tot rolomkering. In het ernstigste geval komt het tot het bieden van
emotionele steun van de cliënt aan de therapeut die zich dan vaak al
tijdens ‘therapie’ niet meer bezig houdt met de problematiek van de cliënt
maar in plaats daarvan zijn eigen problemen bespreekbaar gaat maken.
Cliënten die parentificatie (het kind zorgt voor zijn/haar ouders) tijdens
hun opvoeding hebben meegemaakt zijn hiervoor in het bijzonder vatbaar (Schoener, 1989).
- Blame the victim’ - attitude: De ‘blame the victim’ –
attitude is een algemeen probleem dat inhoudt dat men ertoe neigt de
schuld bij het slachtoffer neer te leggen. Veelal wordt het
slachtoffer tot dader gemaakt en hierdoor gehertraumatiseerd. Dit geldt
niet alleen tijdens het voeren van procedures wat betreft reacties van de
wederpartij op het slachtoffer, maar ook wat betreft reacties van diverse
instanties en/of vanuit de directe omgeving naar het slachtoffer toe (Tschan, 2001). De schuld kan
direct of indirect bij het slachtoffer worden neergelegd.
Directe
beschuldiging van het slachtoffer: Directe
beschuldigingen zijn bijvoorbeeld uitspraken als ‘This is a two-way street’ of
‘It takes two to tango’ of door aan het slachtoffer vragen te stellen over haar
(uitdagende) kleding, haar ‘verleidelijkheid’ of over haar diagnose.
Indirecte
beschuldiging van het slachtoffer: Een
voorbeeld voor indirecte schuldtoewijzing is als men alleen maar vragen over
het slachtoffer stelt of indien men vele mogelijke redenen aangeeft die tot het
grensoverschrijdend gedrag (GOG) van de hulpverlener zouden hebben geleid
alvorens een onderzoek hiernaar in te stellen. Voorbeelden hiervoor zijn onder
andere ‘misschien hoopte de hulpverlener de cliënt te kunnen helpen door over
de schreef te gaan’, ‘misschien had hij moeite haar verleidelijkheid te
weerstaan’, ‘misschien was hij kwetsbaar door relatieproblemen, scheiding of
andere situationele factoren’ of ‘hij was depressief’. Het is opvallend aan de
genoemde voorbeelden van indirecte beschuldiging van het slachtoffer dat geen
van de voorbeelden aangeeft dat de hulpverlener een ‘predator’ zou kunnen zijn,
dat de hulpverlener wellicht een sociopaat is of dat de hulpverlener wellicht
minimaliseert of liegt etcetera. Er is een traditie in westerse samenlevingen
ontstaan die ‘shooting the messenger’ genoemd kan worden. Dit houdt in dat men
de ‘blame the victim’ - attitude toepast omdat het slachtoffer als boodschapper
van het kwaad fungeert door een klacht in te dienen. Zodoende krijgt niet de
boosdoener de schuld maar degene die het slecht-nieuws-bericht overbrengt: het
slachtoffer (Schoener, pers.
communicatie, mei 2005)
- GOG door hulpverleners onderling: hulpverleners
binnen de GGZ komen binnen hun (leer)therapie vaak zelf in aanraking met
GOG door een collega, dus hun docent, promotor, therapeut of supervisor.
Uit onderzoek (K.S. Pope, 1979)
blijkt dat circa 20%
van de klinische psychologen zelf door een professional seksueel is
misbruikt (Becker-Fischer &
Fischer, 1996).
- Berokkening van schade bij het slachtoffer: in
ongeveer 90% van de gevallen
zijn de gevolgen van GOG voor het slachtoffer sterk invaliderend en
langdurig van aard. Dit betekent niet dat het in ca. 10% van de gevallen
goed gaat met het slachtoffer. Sommige beseffen helaas pas jaren of
tientallen jaren later, en anderen nooit, dat zij werden misbruikt. Enkele
onderhouden tientallen jaren een relatie of huwen met de hulpverlener. Bij
een deel van hen dient ervan uit te worden gegaan dat afhankelijkheid,
machtsmisbruik, manipulatie en onderdrukking voortzetting vinden binnen de
postprofessionele relatie. Ook in deze ontbreekt helaas nog onderzoek dat
ons meer informatie zou kunnen verschaffen. Veelal is de schade die bij
het slachtoffer ontstaat van iatrogene aard, dus niet eerder aanwezig
geweest maar direct voortkomend uit het misbruik zelf (Glaser/Straver, 1991; Schoener, 1989). Ook wanneer het
seksuele contact pas na afloop van het behandelcontact is ontstaan,
ondervindt de cliënt er in 80%
van de gevallen nog schade van (Jehu,
1994; Kenneth S. Pope & Valerie A. Vetter, 1991).
Lees
in dit verband ook ons artikel “Seksueel contact
tussen hulpverlener en hulpvragende: waarom het niet ´NIET´ maar ´NOOIT´ mag
gebeuren: een wetenschappelijk feit dat de ernst van een trauma opgelopen door
grensoverschrijdend gedrag (GOG) door een professional verduidelijkt: de relatie
tussen een trauma ontstaan door GOG en een trauma ontstaan door foltering c.q.
marteling”, dat wij hebben gebaseerd op
het wetenschappelijk onderzoek dat prof.
G. Fischer en dr. M. Fischer-Becker in opdracht van het Duitse ministerie
voor volksgezondheid hebben uitgevoerd.
- Bewustzijn t.a.v.
schadeberokkening: de meerderheid
van de grensoverschrijdende professionals is bekend met het feit dat
seksueel contact met cliënten voor laatstgenoemde schadeberokkenend is.
Desalniettemin liet men zich er niet door tegenhouden (Gonsiorek, 1995).
- Kans
op herstel: slechts ca. 17% van alle
slachtoffers zal ooit volledig van zijn trauma en/of andere door GOG
ontstane problematiek herstellen (Kenneth
S. Pope & Valerie A. Vetter, 1991).
- Psychiatrische opname is
bij ca. 11% van de
slachtoffers noodzakelijk (Jehu,
1994, Kenneth S. Pope & Valerie A. Vetter, 1991).
- Zelfmoordpogingen: rond 14%
van de slachtoffers doet minimaal één zelfmoordpoging door de haast
onverdraaglijke psychische, emotionele en fysieke gevolgen van het trauma
zoals sterke gevoelens van schuld en schaamte (al zijn die geheel ten
onrechte), de uitzichtloosheid van de situatie, de alomtegenwoordigheid
van ambiguïteit (dubbelzinnigheid), het enorme sociale isolement waarin
zij meestal terecht komen, het meestal opgelegde zwijgen dat verstikkend
is, en de gebrekkige voorzieningen wat betreft hulpverlening na GOG. Het
percentage van 14% dient te worden opgeteld bij het gemiddelde percentage
waarmee cliënten binnen de GGZ in het algemeen een einde aan hun leven
proberen te maken (Becker-Fischer
& Fischer, 1996; Tschan, 2001; Kenneth S. Pope & Valerie A.
Vetter, 1991).
- Suïcide
(zelfmoord): ongeveer 1% van alle
slachtoffers overleeft het misbruik niet. Het is alles behalve ondenkbaar
dat het niet slechts om 1% gaat dat GOG niet overleeft maar dat men ook
hier door gebrek aan onderzoek nog in het donker tast en tot dusver
slechts het topje van de ijsberg in zicht is. Juist binnen de GGZ wordt
namelijk maar al te gauw aangenomen dat suïcidaliteit tijdens of na
therapie te wijten is aan de geestelijke gesteldheid van (ex)cliënten (Jehu, 1994; Kenneth S. Pope &
Valerie A. Vetter, 1991).
- Beëindiging behandelcontact en
doorverwijzing: in meer dan 60% van de gevallen
wordt, nadat er een seksuele relatie tussen behandelaar en cliënt is
ontstaan, het behandelcontact door de cliënt beëindigt. In minder dan 30% wordt de
professionele relatie door de behandelaar beëindigd. Aan de voorschriften
van de beroepscodes, die een plicht van doorverwijzing inhouden indien
seksueel contact tussen een behandelaar en een cliënt ontstaat, houden
grensoverschrijdende behandelaars zich in 78-100%
van de gevallen niet (Schoener et
al. 1989; Jehu, 1994).
- Seks na afsluiting behandeling: de
meeste beroepsgroepen voor hulpverleners handhaven een ‘wachttijd’.
Echter, ook bij het aangaan van een seksuele relatie na afloop van
vernoemde wachttijd (die over het algemeen van een half jaar tot twee jaar
duurt) is het risico dat de ex-cliënt schade oploopt door dit
postprofessionele contact met zijn/haar ex-behandelaar groot. Overdrachten
houden zich nu eenmaal niet aan wachttijden en het moment wanneer
overdrachten verdwijnen, is voor een ieder cliënt een ander. Bij sommigen
duurt het vele jaren, bij anderen verdwijnen overdrachtsgevoelens zelfs
nooit. Daarom is het gevaarlijk zelfs na afloop van de wachttijd een
relatie met een ex-cliënt aan te gaan. Ook dan kan de ex-cliënt nog veel
schade worden berokkend (in ca. 80%
is dat het geval), reden waarom sommige beroepsgroepen de ‘zero tolerance’ handhaven,
zoals b.v. de psychiaters in de VS al doen (Schoener, 1989; Kenneth S. Pope & Valerie A. Vetter, 1991).
- Recentelijk
vernieuwd: Bijkomend wangedrag: seksueel
GOG door een hulpverlener gaat bijna altijd samen met andere vormen van
grensoverschrijdend en/of onprofessioneel gedrag. Psychisch en/of
emotioneel misbruik maakt altijd deel uit van seksueel GOG door
hulpverleners en vormt in principe de basis in het geheel. Een vorm van
onprofessioneel gedrag die bijna altijd gepaard gaat met seksueel GOG is het niet of slechts summier voeren van
een medisch dossier hetgeen tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Dossiers
worden in het geval van een klacht over seksueel of anderszins GOG ook
vaak gemanipuleerd. Het komt zelfs voor dat hele dossiers worden gecreëerd
om de geschiedenis van het gebeurde als het ware geheel te herschrijven om
zodoende aan gegrond verklaring van een klacht proberen te ontlopen. Het aangaan van andere vormen van
relaties met cliënten/patiënten naast en tijdens de behandelrelatie komt
vaak voor. Daarbij hoeft het niet per sé om het aangaan van direct
seksueel contact te gaan. Het kan ook gaan om verbale seksualisering en/of
om het aangaan van een sociale relatie of werkrelatie (al dan niet
betaald) tussen hulpverlener en hulpvragende. Door het aangaan van
verdere vormen van relaties naast een behandelrelatie komt de zuivere blik
van een professional in het geding en ontstaat er meestal grote verwarring
bij een cliënt/patiënt. De binnen de hulpverleningsrelatie inherente afhankelijkheid
van de cliënt/patiënt t.o.v. de hulpverlener wordt hierdoor helaas
eveneens vergroot. Het aangaan van non-seksuele of ‘slechts’ seksueel
getinte relaties naast een behandelrelatie kan even beschadigend voor de
hulpvragende partij zijn dan het aangaan van daadwerkelijk seksueel
contact. De schade die ontstaat
wordt dan ook vooral door het vertrouwensmisbruik veroorzaakt en niet zo
zeer door seksuele handelingen op zich (lees ook het punt ‘Seks is
niet HET probleem’ op deze pagina). Helaas gaat het plegen van seksueel
GOG soms ook samen met het plegen
van andere soorten van onprofessioneel/onethisch gedrag, overtredingen
en/of zelfs misdrijven. Hierbij valt b.v. te denken aan het medisch onverantwoord toedienen van
medicatie c.q. het toedienen van drugs, het plegen van fraude en oplichterij (naar b.v. de patiënt
en/of de verzekeringsmaatschappij toe) en het plegen van valsheid in geschrifte. In sommige gevallen is
er ook sprake van het bedreigen met
of het toepassen van fysiek geweld. Soms is er zelfs sprake van het plegen van dood door schuld of
moord. Indien dit laatste het geval is poogt de hulpverlener in
kwestie met zijn daad bijna altijd te voorkomen dat een slachtoffer het
misbruik in de vorm van het indienen van een klacht bekend zal gaan maken.
Gelukkig gebeurt het laatstgenoemde slechts bij grote uitzondering maar
het komt helaas voor en de feiten in dergelijke zaken zullen regelmatig
niet aan het licht komen. Verder
dient ook nog een verder element genoemd te worden dat helaas niet slechts
bij grote uitzondering voorkomt: in sommige gevallen worden er pogingen
ondernomen een cliënt/patiënt in de zelfmoord te gaan drijven.
(Wat betreft gevallen van moord: zie diverse berichten
afkomstig van de Newsletters van Advocateweb 2001-2003, zie b.v. onder ‘Nieuws’
op deze site in de categorie ‘Nieuws GOG gezondheidszorg buitenland’ het
bericht van de dato 19 juli 2003.)
De nog ontbrekende
bronvermeldingen m.b.t. de gestelde feiten zullen z.s.m. nog worden toegevoegd.
Eventuele reacties op dit stuk graag naar: info@misbruikdoorhulpverleners.nl,
t.n.v. Jeannette.
www.misbruikdoorhulpverleners.nl