- Publicaties MdH -

 

Jaarbericht Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) 2004

 

GOG door hulpverleners & medisch tuchtrecht

 

Reactie en vragen van onze redactie op/over het op 20 mei 2005 door de IGZ gepubliceerde jaarbericht 2004,

NIEUW!   inclusief de van mw. drs. J. van der Graaf, hoofdinspecteur ggz/gehandicaptenzorg, op 31 mei 2005 ontvangen reactie.

 

Redactie Misbruik door Hulpverleners (MdH) / Bron: IGZ

 

 

25 mei 2005

 

 

Uit het 75 pagina’s tellende jaarbericht dat door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) op 20 mei jl. werd gepubliceerd, treft u onderstaand met name enkele delen aan die in verband met de problematiek grensoverschrijdend gedrag (GOG) door hulpverleners relevant zijn. Commentaar van onze redactie treft u [tussen deze haakjes] aan. 

 

Meldingen van incidenten in het algemeen: In het algemeen valt te concluderen dat er sprake is van een stijging van het aantal incidenten dat bij de inspectie wordt gemeld. Behalve de sector farmacie die een daling van het aantal meldingen laat zien, is het aantal meldingen bij de inspectie binnen alle sectoren van de gezondheidszorg toegenomen. Onderstaand treft u een vergelijking aan tussen de meldingen die de inspectie per cluster in 2004 heeft ontvangen en beoordeeld. Meldingen betreffend seksuele intimidatie door hulpverleners zijn hierin verwerkt. Op de eerste plaats treft u het percentage aan dat betrekking heeft op het aantal door de inspectie ontvangen meldingen. Tussen haakjes treft u het percentage aan dat betrekking heeft op het door de IGZ behandelde zaken. Het totaal aantal meldingen van incidenten bij de zorgverlening is over de hele linie van de gezondheidszorg gedurende het afgelopen jaar met 15,8% gestegen (12,8%) (p. 31). Het aantal meldingen en calamiteiten in de curatieve zorg zou volgens inspectie met 20% zijn gestegen (p. 33). [respectievelijk 16,7% (13%), zie onder (1)]. Binnen de sector ‘verpleging, verzorging en thuiszorg’ valt op dat het aantal meldingen van overlijden ten gevolge van organisatorische en toepassingsfouten met 31% daalde terwijl het aantal meldingen waarbij sprake is van overlijden van de cliënt omwille van persoonlijke fouten met ruim 44% is gestegen. Het totaal aantal door de IGZ beoordeelde meldingen binnen de laatstgenoemde zorgsector weerspiegelt een stijging van 1,5% (versus een daling van 7,8%). Wat betreft meldingen op het gebied van medische hulpmiddelen valt in 2004 een stijging van 39,8% (37%) ten opzichte van 2003 te constateren. De meldingen over de sector farmacie zijn met 58,2% (43,5%) gedaald ten opzichte van het voorgaande kalenderjaar. Binnen de sector geestelijke gezondheidszorg/gehandicaptenzorg is het aantal meldingen bij de inspectie met 18,5% (9,2%)  toegenomen. Het aantal incidenten gerangschikt onder het kopje ‘suïcides/suïcidepogingen’ (2) is in 2004 met 10,8% (26,8%) gestegen. (De berekeningen zijn gebaseerd op cijfers afkomstig van het jaarbericht IGZ 2003, p. 84 en van het jaarbericht IGZ 2004 p. 31).

  

In hoofdstuk 2.6 ‘Meldingen en calamiteiten in geestelijke gezondheidszorg en gehandicaptenzorg’ vermeldt de inspectie: Ten opzichte van 2003 is het totaal aantal meldingen in de geestelijke gezondheidszorg en gehandicaptenzorg toegenomen van 434 naar 474. In 2002 was het aantal meldingen 561. Het aantal meldingen waarbij geen conclusie mogelijk was over de oorzaak is onverminderd hoog (122). Het aantal meldingen over seksuele intimidatie was 92. Op deze categorie meldingen wordt nader ingegaan in paragraaf 2.8.” (pp. 37-8). Terwijl het aantal meldingen van 2002 naar 2003 met 22,6% daalde, steeg het aantal meldingen van 2003 naar 2004 met 9,2%.

 

In hoofdstuk 2.8 ‘Aantal meldingen seksuele intimidatie licht gestegen valt te lezen:Het aantal meldingen van seksuele intimidatie in de gehandicaptenzorg en de geestelijke gezondheidszorg (3) is in 2004 licht gestegen, van 85 naar 92. [een stijging van 8,2%]. Deze cijfers geven waarschijnlijk geen betrouwbaar beeld van de werkelijkheid. De voorgestelde wetswijziging die zorginstellingen verplicht seksuele intimidatie te melden, biedt op termijn meer betrouwbare cijfers. Het aantal meldingen van seksuele intimidatie is de laatste jaren niet afgenomen, ondanks inspanningen van de inspectie, beroepsverenigingen en koepelorganisaties. In 2003 daalde het aantal weliswaar van 100 naar 85, maar deze daling zette niet verder door. De meeste meldingen, 81, zijn afkomstig uit instellingen voor gehandicaptenzorg, waar cliënten kwetsbaar zijn en zich minder goed kunnen verdedigen tegen seksueel misbruik. Het ministerie van VWS heeft de instellingen in 2004 gewezen op hun verantwoordelijkheid om seksuele intimidatie altijd te melden. Zij zijn daartoe nog niet wettelijk verplicht. Met de voorgestelde wijziging van de Kwaliteitswet zorginstellingen komt daar verandering in. Als gevolg van deze wetswijziging zullen instellingen suïcides, ernstige calamiteiten en seksuele intimidaties altijd moeten melden. De inspectie heeft in 2004 onderzoek gedaan naar de maatregelen die instellingen nemen om seksuele intimidatie te voorkomen. De uitkomsten van dit onderzoek worden in 2005 gepubliceerd. De inspectie gaf een herziene versie van de het IGZ-bulletin Het mag niet, het mag nooit uit, om dit onderwerp ook bij hulpverleners extra onder aandacht te brengen. De inspectie heeft haar interne meldingenprocedure aangescherpt. De inspectie publiceert in 2005 het onderzoek naar preventie van seksuele intimidatie. Zij gaat vervolgens bekijken in hoeverre de instellingen de aanbevelingen uit dit rapport in de praktijk brengen.” Uit de tabel die het genoemde hoofdstuk in het jaarbericht van de inspectie begeleidt, kan het navolgende geconcludeerd worden: Van de in totaal 92 meldingen wegens seksuele intimidatie gaat het in 81 gevallen om de gehandicaptenzorg en in 11 gevallen om de geestelijke gezondheidszorg (ggz). In de meeste gevallen gaat het om seksuele intimidatie van patiënten/cliënten onderling (gehandicaptenzorg: 30, ggz: 4). In sommige gevallen (18 / 1) gaat het om seksuele intimidatie door derden. In sommige gevallen (16 / 4) was sprake van ‘seksuele intimidatie’ (4). Onder seksueel grensoverschrijdend gedrag (GOG) van patiënten/cliënten door hulpverleners werden 19 meldingen ontvangen. 17 meldingen betreffen de gehandicaptenzorg en 2 meldingen betreffen de ggz. (pp. 39-42).

 

Onder hoofdstuk 6 ‘Tucht schrijft de inspectie: Het aantal klachten bij tuchtcolleges daalde vorig jaar van 893 naar 842 [een daling van 5,7%]. Deze licht dalende trend is al langer zichtbaar. Ook het aantal klachten dat de tuchtcolleges lieten volgen door een maatregel, daalde verder. Enkele jaren geleden liep 20 procent van de klachten uit op een maatregel. Inmiddels is dit percentage gedaald naar 14. De inspectie kent niet precies de achtergrond van de daling van het aantal klachten”. [Het feit dat een klacht bij een medisch tuchtcollege in het overgrote deel van de gevallen niet tot gegrond verklaring en tot het opleggen van een maatregel leidt, is bij gebruikers van de gezondheidszorg redelijk goed bekend. Dat hulpverleners door tuchtcolleges in veel gevallen met fluwelen handschoenen worden aangeraakt, is eveneens een feit dat nogal brede bekendheid geniet en ook niet moeilijk aan te tonen valt. Daarnaast is ons bekend dat er advocaten zijn die slachtoffers van GOG door hulpverleners aanraden niet bij het tuchtcollege te gaan klagen maar meteen naar de civiele rechter te gaan stappen. Eveneens kwamen wij op de hoogte van het juridisch advies eerst bij de civiele rechter te gaan klagen en bij slagen als het ware ook bij de tuchtrechter een gegrond verklaring af te dwingen. Ook spraken wij in het verleden al een advocaat die zoveel negatieve en onbegrijpelijke ervaringen met medische tuchtcolleges heeft opgedaan dat diegene had besloten nooit meer een cliënt voor een medisch tuchtcollege te willen verdedigen. Daarnaast bleek ook al dat er bij de inspectie zelf onvrede over de behandeling van zaken door medische tuchtcolleges leeft hetgeen onder andere al ertoe heeft geleid dat de inspectie opgeeft i.p.v. juist in beroep te gaan. Zoveel over ‘het niet precies kennen van de achtergrond’. Natuurlijk kent inspectie de achtergronden beter dan zij aangeeft. Wat ons is opgevallen, moet haar immers al lang zijn opgevallen omdat inspectie met veel meer zaken in aanraking komt en kan putten uit jarenlange ervaring. De vraag is helaas niet zo zeer of het bekend is maar of men wil dat het ook publiek wordt. Immers, bepaalde misstanden zouden dan in het zicht komen en vanaf dat moment wordt het moeilijk zich nog te kunnen verschuilen achter ‘niet precies weten’ en vooral ook achter ‘niets in dezen te gaan ondernemen’.]

 

“Het vermoeden dat meer klagers zich direct wenden tot klachtencommissies van instellingen en beroepsbeoefenaren, kan zij niet bevestigen. De inspectie heeft hierover helaas geen overzicht. Met de in 2005 te verwachten wijziging van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (WKCZ) zal dat veranderen. De gestage daling van het percentage klachten dat voor tuchtcolleges aanleiding is tot een maatregel, geeft de inspectie reden tot zorg. De patiënt krijgt hierdoor het idee dat klagen bij een tuchtcollege weinig zin heeft. Dat 86 procent van de klachten wordt afgewezen, heeft echter vooral te maken met het feit dat de klacht niet thuishoort bij een tuchtcollege. In 2004 hebben tuchtcolleges 176 klachten niet ontvankelijk of ongegrond verklaard. [Hier komt de vraag bij ons op of de inspectie een steekproefonderzoek heeft gedaan wat betreft het grote aantal niet ontvankelijk en ongegrond verklaarde klachten. Of gaat de inspectie zonder verder ernaar te kijken ervan uit dat het in alle genoemde gevallen ook werkelijk gaat om klachten die bij een tuchtcollege niet thuishoren? Ervaringen met bepaalde tuchtcolleges geven aan dat de motto ‘vertrouwen is goed, controle is beter’ in verband met sommige tuchtcolleges niet volstaat. Daarom zou handhaving van de motto ‘vertrouwen moet je eerst verdienen, controle is niet slechts wenselijk maar noodzakelijk’ de beter optie zijn.]

 

De inspectie zou graag zien dat klachten eerst worden gewogen, voordat zij worden doorgestuurd naar de tuchtcolleges. Al eerder heeft de inspectie gesuggereerd dat er een soort zeef voor tuchtklachten moet komen. [Bij bepaalde klachten fungeert de Inspectie voor de Gezondheidszorg zelf al jarenlang als zogenaamd zeef in dezen. Uit ervaring blijkt helaas dat juist deze zeef alles behalve goed functioneert. Hierover zullen wij binnenkort door middel van een publicatie extra aandacht besteden.]

 

“Onduidelijk is echter wie deze tijdrovende taak op zich neemt. Toch is het een goede zaak dat klagers er tijdig op worden gewezen dat hun klacht niet thuishoort bij een tuchtcollege. [Hetzelfde geldt helaas ook voor gevallen waarbij de inspectie zelf als klaagster optreedt! Een terechte opmerking van de inspectie dus die echter ook door haar bekeken zou moeten worden wat betreft haar eigen klachten. Hierover binnenkort meer.]

 

Dat komt het vertrouwen in de rechtsgang ten goede. De in 2003 geconstateerde plotselinge stijging van het aantal klachten tegen huisartsen (van 160 naar 218) heeft zich in 2004 niet doorgezet. De inspectie vermoedde een samenhang met de organisatiewijziging in de huisartsenzorg. In 2004 bedroeg het aantal klachten 208. Het aantal gegronde klachten daalde licht naar 10,1 procent. Het aantal klachten dat de inspectie indiende bij tuchtcolleges steeg wel flink, van twintig in 2003 naar ruim veertig. Dit is niet zozeer een gevolg van een verslechterende gezondheidszorg, als wel van een kritischer beleid van de inspectie. De inspectie zet het instrument van de handhaving sneller in dan in voorgaande jaren het geval was. [Wij zijn van mening dat dit een bijzonder wenselijke en ook dringend noodzakelijke ontwikkeling binnen het inspectiebeleid betreft.]

 

Toename van het aantal klachten van inspectie zelf is pas zichtbaar in 2005, vanwege naijlend effect.”

 

 

 

 

 

Onderstaand treft u opmerkingen en vragen van MdH gericht aan mw. drs. J. van der Graaf, hoofdinspecteur ‘gehandicaptenzorg & ggz’ van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), aan. Op 31 mei 2005 mochten wij een reactie van de hoofdinspecteur ontvangen. Haar reactie treft u puntsgewijs onder de vragen van onze redactie aan. Met onze dank aan mw. van der Graaf voor haar bereidheid te reageren evenals voor haar openheid.

 

 

(1) Door vergelijking tussen het aantal meldingen in 2003 (jaarbericht 2003, p. 84) en het aantal meldingen in 2004 (p. 31) komt men bij hantering van het aantal beoordeelde meldingen (862 versus 974) op een stijging van het aantal meldingen van 13% en niet zoals onder punt 2.3 staat vermeld op 20% (p. 33). Het is ons niet duidelijk hoe het verschil van 7% verklaard zou kunnen worden.

           

 

Reactie IGZ

Waarschijnlijk wijst u ons hier op een door ons gemaakte rekenfout. Ik zal dit onder de aandacht brengen bij de opsteller van dit onderdeel.”

 

 

 

(2) Hier komt de vraag op of het nu om suïcides of om zelfmoordpogingen gaat, of om beide fenomenen.

 

 

Reactie IGZ

Het gaat alleen om suïcidemeldingen, niet om tentamen suïcides.”

 

[‘Tentamen suïcides’ oftewelts’ is de medische term voor ‘poging tot zelfdoding’.]

 

(3) Het wordt niet helemaal duidelijk in het jaarbericht of het bij het aantal van in totaal 19 meldingen betreffend seksuele intimidatie van patiënten/cliënten door hulpverleners om het totaal aantal meldingen betreffend seksueel grensoverschrijdend gedrag door hulpverleners gaat dat de inspectie in 2004 heeft ontvangen. De genoemde 19 meldingen betreffen slechts de sector gehandicaptenzorg/ggz. Zijn er dan vanuit de andere sectoren (verpleging, curatieve zorg, alternatieve sector etc.) geen meldingen over GOG door hulpverleners bij de inspectie binnengekomen of heeft men ervoor gekozen alleen maar de binnen de sector gehandicaptenzorg/ggz binnengekomen meldingen over seksuele intimidatie te noemen? Zo ja, zouden wij graag willen weten, waarom men hiervoor koos.

 

 

Reactie IGZ

“In het jaarbericht worden van oudsher alleen de meldingen over de sector ggz/gehandicaptenzorg opgenomen. Er zijn enkele meldingen uit de ouderenzorg en de curatieve zorg. De instellingen krijgen de wettelijke plicht om gevallen van seksuele intimidatie te melden, daarnaast zal een nieuw systeem wordt ontwikkeld waardoor onze eigen gegevensanalyse zal verbeteren. Deze beide zaken zullen als het goed is de betrouwbaarheid van de gegevens bevorderen en aanleiding zijn om de weergave van de gegevens in een volgend jaarrapport anders te ordenen.”

 

 

 

(4) Diverse pogingen te weten te komen wat onder het kopje ‘seksuele intimidatie’ in tabel 2.8 van het jaarbericht valt, mochten helaas nog niet ertoe leiden een antwoord van de inspectie hierop te kunnen ontvangen. Wat onder ‘seksuele intimidatie’ die niet door hulpverleners, medecliënten of derden wordt gepleegd, valt, is helaas onduidelijk. Wij hopen dat het clusterhoofd gehandicaptenzorg/ggz, mw. van der Graaf, hierop binnenkort een antwoord zal kunnen geven. Wij zullen deze vraag nog vandaag aan haar stellen. Hoe moet het jaarbericht van de inspectie immers door de buitenwereld begrepen kunnen worden indien inspecteurs de door hun eigen organisatie geformuleerde constateringen niet weten te interpreteren? Wij hopen dan ook dat mw. van der Graaf bereid zal zijn het raadsel ‘wat valt onder de subcategorie ‘seksuele intimidatie’ onder het punt ‘seksuele intimiteiten’?’ op te lossen. Aangezien dezelfde terminologie ook al in het jaarbericht van 2003 werd gehandhaafd en dit niet ertoe heeft geleid dat het personeel van de inspectie de door haar organisatie in een publicatie gebruikte terminologie kent, verzoeken wij de inspectie dan ook de subcategorie ‘seksuele intimidatie’ in de komende jaren nader te specificeren zodat dan voor iedereen (de IGZ inclusief) duidelijk zal zijn om welk soort plegers van seksuele intimidatie het bij de genoemde twee getallen binnen de gehandicaptenzorg/ggz gaat.

 

 

Reactie IGZ

“De definitie die de Inspectie hanteert met betrekking tot de term 'seksuele intimidatie' staat op pagina 6 van de brochure 'het mag niet, het mag nooit'. Boven de tabel had ook de term ‘seksuele intimidatie’ behoren te staan. Zoals ik bij punt drie aangaf, zijn wij ons registratiesysteem aan het verbeteren: dit moet gaan voorkomen dat niet gespecificeerde meldingen opgenomen worden.”

 

 

 

 

Notabene: Ondanks de aan het adres van de inspectie gerichte vragen en kritiek waarderen wij het zeer dat de inspectie in 2004 een herziene editie van het bulletin ‘Het mag niet. Het mag nooit’ heeft gepubliceerd. Eveneens waarderen wij het zeer dat de IGZ op 7 juni a.s. een congres organiseert met als thema ‘patiëntveiligheid’. Een dezer dagen zal ons commentaar dat wij op verzoek van een lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal op het eerder genoemde IGZ bulletin vervaardigden, in de rubriek PUBLICATIES worden gepubliceerd. Daarnaast zal gedurende de aankomende weken een publicatie door MdH verschijnen die gaat over het ‘alles behalve goed functionerende zeef inspectie’ wat betreft haar keuzes met betrekking tot het indienen van klachten over GOG door hulpverleners bij tuchtcolleges.

 

 

Literatuur/bronvermelding:

 

 

 

 

© www.misbruikdoorhulpverleners.nl