1.                      Lopende Tuchtzaken (1) -

 

 

(1)   Tuchtrechtelijke procedure tegen een Amstelveense psycholoog-psychotherapeut (m)

Klacht: diverse vormen van grensoverschrijdend gedrag & machtsmisbruik

 

Nieuw: Aantekeningen van klaagster ter zitting dd. 31 januari 2006 zoals door haar ingediend (Red. MdH, 7 februari 2006)

De pleitnotities van verweerder zullen wij nog vandaag publiceren.

 

 

Samenstelling van het college

 

dat deze zaak ter zitting op 13 december 2005 zal gaan behandelen

 

 

Leden juristen:

  • de heer mr. H. van Breda, voorzitter
  • de heer mr. M. Bleeker-Hemmes, secretaries
  • de heer mr. A.N.A. Josephus Jitta

 

Leden psychotherapeuten:

  • De heer L.M. Gualthérie van Wezel (tevens psychoanalyticus)
  • De heer dr. R. J. Takens
  • Mw. L.J.J. M. Geertjes

 

Red. MdH, 28 november 2005

 

 

 

 

 

 

Verdere informatie over deze medische tuchtzaak

 

 

De op 13 mei 2004 ingediende klacht tegen een Amstelveense psychotherapeut / gz-psycholoog zal op dinsdag 13 december 2005 ter zitting door het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam worden behandeld. De zitting is openbaar en zal worden gehouden in de Huysingazaal in het gerechtsgebouw op de Parnassusweg 220 te Amsterdam. De zitting begint om 16.15 uur.

 

Binnenkort zullen wij aan deze pagina nog verdere stukken toevoegen, waaronder:

 

  • Het proces verbaal in het kader van het vooronderzoek geleid door dr. L. Perquin, psychiater, zoals opgemaakt door het tuchtcollege op 9 augustus 2005
  • Een aanvullend schrijven van klaagster, gedateerd op 22 augustus 2005
  • Uitgaande van de huidige stand van zaken zullen wij ongeveer één week voor de zittingsdatum nog verdere informatie over deze zaak geven

 

 

Klaagster zal met haar vertegenwoordiger ter zitting verschijnen. Of verweerder ter zitting zal verschijnen, is nog niet duidelijk. Tijdens het gesprek in het kader van het vooronderzoek wenste hij niet aanwezig te zijn. 

 

Later kunt u de uitspraak in deze zaak onder het nummer 04 / 097 op de website van het Centraal Tuchtcollege Den Haag opzoeken die wij t.z.t. uiteraard ook zullen gaan publiceren. Zeer waarschijnlijk zult u t.z.t. ook een uitgebreid zittingsverslag van de hoorzitting in december aantreffen.

 

Red. MdH, 28 november 2005

 

 

 

 

 

 

 

Behandeling van een klacht van een ex-cliënte tegen een Amstelveense psycholoog/psychotherapeut, betreffend diverse vormen van grensoverschrijdend gedrag / machtsmisbruik waaronder psychisch/emotioneel misbruik, waaronder diagnostisch misbruik. Recentelijk ontvingen de partijen een uitnodiging voor een gesprek in het kader van het vooronderzoek.

 

Klaagster had bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam een verzoek ingediend in het kader van het vooronderzoek mondeling gehoord te worden. Veelal dienen dergelijke gesprekken ertoe om te bezien of een zaak geschikt is om een minnelijke oplossing tussen partijen te bereiken. In dit geval kan hiervan echter zeker geen sprake zijn aangezien er geen enkele uitleg voor het gebeurde bestaat die een schikking zou mogelijk maken of rechtvaardigen. Dit zou b.v. wenselijk zijn in het geval van het bestaan van misverstanden die door een gesprek in kaart zouden kunnen worden gebracht en opgelost zouden kunnen worden. In deze zaak kan hiervan helaas geen sprake zijn. De klacht gaat in feite zelfs over opzettelijke schadeberokkening door de psychotherapeut. Het gesprek dient er dan ook toe de aangedragen klachten nader toe te lichten en het college de kans te bieden zoveel mogelijk inzicht in de zaak te kunnen verkrijgen. Het tuchtcollege heeft klaagster in de gelegenheid gesteld op dinsdag 9 augustus 2005 om 15.30 uur in het gerechtsgebouw, Parnassusweg 220 te Amsterdam, gehoord te worden. Het vooronderzoek zal worden geleid door dr. L.N.M. Perquin, psychiater en lid-arts van het college. De wederpartij wordt in de gelegenheid gesteld het gesprek in het kader van het vooronderzoek bij te wonen. Of zij hiervan gebruik zal maken, is tot dusver nog niet duidelijk.

 

 

 

 

De dupliek – enkele woorden vooraf

 

Zoals eerder gesteld heeft u door de repliek te hebben gelezen het meest essentiële stuk binnen de reeks van vier schriftelijke reacties van klager en verweerder in het kader van het tuchtrechtelijk vooronderzoek gelezen. De dupliek voegt niets toe aan het feitencomplex van de zaak.

 

Wel maakt de dupliek duidelijk dat verweerder inhoudelijk niets tegen de repliek heeft in te brengen. Het was ook al lang duidelijk dat hij dat niet kan. De d.m.v. de repliek gestelde en middels veelvuldig en direct bewijs aangetoonde feiten, waaronder het feit dat het verweerschrift overwegend verzonnen was en bijna uitsluitend ‘feiten’ inhoudt die, laat ik de woorden van verweerder gebruiken, niets meer dan ‘feiten uit het rijk der fabelen’ zijn, worden door verweerder dan ook niet weerlegd. Verweerder kon de gestelde feiten ook niet weerleggen omdat zij overeenkomen met de realiteit en waarheid – zoals gestaafd door een groot aantal bewijsstukken. Er is geen bewijslast, en die kon er ook niet zijn, waarmee verweerder zich zou kunnen ontdoen van de tegen hem geuite klachten betreffend een groot aantal, diverse manieren van praktijkvoering die in strijd zijn met diverse regels, codes en wetten. Klaagster wenst bij deze te onderstrepen dat verweerder haar ook weer gedurende deze procedure (zie verweerschrift) opzettelijk heeft beschadigd door bijna uitsluitend te liegen en haar o.a. te presenteren als ernstig gestoord, woedend en hem schade willen berokkenend. Klaagster wil verweerder helemaal geen schade berokkenen maar heeft deze klacht ingediend om te voorkomen dat nog meer cliënten van verweerder door hem beschadigd zullen worden. Helaas moet klaagster verweerder dan ook in zijn geloof afkomstig uit de wereld der fabelen teleurstellen: zij is niet woedend. Zij gebruikt haar tijd en energie voor taken die de moeite waard zijn. Wel is zij zeer verdrietig door te weten hoeveel ellende verweerder al heeft veroorzaakt onder de noemer ‘hulpverlenen’. Hetgeen zij voor hem voelt is bovenal en bijna uitsluitend medelijden.

 

Moge deze procedure ertoe bijdragen dat degenen die nog twijfelden de waarheid zullen vinden door middel van deze procedure en mogen ook zij in de toekomst niemand meer naar verweerder verwijzen. Aan iedereen die de moeite en tijd heeft genomen deze procedure te volgen hartelijk dank! Zodra de datum van de zitting bekend zal zijn zullen wij u ervan op de hoogte stellen. Uiteraard publiceren wij t.z.t. ook het zittingsverslag en de uitspraak. Via onze pagina AANKONDIGINGEN zullen wij u op de hoogte houden. Binnenkort zult u hier nog enig commentaar op de dupliek aantreffen.

 

Red. MdH, 13 november 2004

 

 

 

 

 

Op deze pagina treft u publicaties aan van lopende zaken bij een van onze regionale tuchtcolleges voor de gezondheidszorg of bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag (hoger beroep) . Momenteel kunt u hier de tuchtzaak volgen betreffend een klacht over een BIG-geregistreerde gz-psycholoog / psychotherapeut uit Amstelveen. De lezer dient er rekening mee te houden dat niet alle relevante informatie betreffend een zaak al in het klaagschrift wordt verwoordt. Ondertussen hebben wij ook het verweerschrift gepubliceerd. Tijdens de tweede schriftelijke ronde (repliek-dupliek fase) kunnen uiteraard nog verdere feiten worden aangedragen en stukken worden ingediend. Voor het indienen van de repliek heeft de raadsman van A. uitstel aangevraagd.  Indien u zelf een lopende tuchtzaak op onze website wilt publiceren, kunt u

CONTACT

met ons opnemen. Ook is het mogelijk stukken van tuchtzaken bij ons in te dienen die al zijn beoordeeld en afgesloten – desgewenst  voor  publicatie op onze pagina UITSPRAKEN – c.q.  in het geval van kromspraak op onze pagina PSEUDO PROFESSIONEEL en indien gewenst,  ter beschikking stelling aan de Tweede Kamer.

 

Klachtenprocedure bij het Regionaal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg (RTC) Amsterdam

Start procedure:                              13 mei 2004

Professie beklaagde:                      o.a. gz-psycholoog (BIG) & psychotherapeut (BIG)

Praktijk:                                           vrij gevestigd te Amstelveen

Zittingsdatum, plaats en tijdstip:  publicatie volgt zodra nadere informatie hierover bekend

Nota bene:                                         de zitting is openbaar en dus voor iedereen te volgen

  1. Aan het einde van deze pagina treft u een lijst aan die enige informatie geeft over de personen die in de  geanonimiseerde stukken op deze pagina d.m.v. letters worden genoemd.
  2. Eveneens aan het einde van deze pagina treft u een lijst aan van opmerkingen van klaagster. Het nummer in de tekst verwijst naar de betreffende voetnoot.
  3. Klaagster wenst verder nog enkele opmerkingen te maken betreffend het verweer, namelijk:

Reden voor de relatief late publicatie van het verweerschrift is de bijzonder confronterende inhoud ervan die helaas, zoals ook eerdere stukken afkomstig van het adres van verweerder, voornamelijk uit onwaarheden en verzinsels bestaan. Het genre van het stuk kan helaas slechts fictie genoemd worden omdat het meeste door de psychotherapeut gestelde niet slechts niet aansluit bij de feiten maar omdat hij overwegend zelfs het tegenovergestelde beweert van hetgeen correct zou zijn. Voorbeeld: Verweerder stelt dat klaagster e.e.a. achter zou hebben gehouden (stelling zonder bewijs en tevens ook niet aantoonbaar want er werd simpelweg nooit iets achtergehouden door klaagster). Waar is: klaagster was juist heel openhartig in alle opzichten en kan dat dan ook wel degelijk schriftelijk aantonen. Daarnaast blijkt dat de psychotherapeut juist degene is die e.e.a. – en dan wel opzettelijk – voor klaagster verborgen hield – b.v. dat haar ex-therapeut die haar misbruikte bij zijn praktijk in behandeling was. Dit begreep klaagster namelijk nu pas door het lezen van dit verweerschrift. Het verweer bestaat voornamelijk uit aaneenschakelingen van ontelbare leugens die ook niet zijn onderbouwd noch door bewijslast kunnen worden onderbouwd, simpelweg omdat er geen bewijs bestaat omdat e.e.a. zich zo ook geenszins heeft afgespeeld. Het verweer alsmede de verbaal gewelddadige bejegening tijdens de ‘behandeling’ kunnen door klaagster niet anders geïnterpreteerd worden dan als uitingen van verweerders eigen frustraties. Dergelijk gedrag is een psychotherapeut onwaardig.

Omwille van het feit dat het meeste in het verweer gestelde helaas gelogen is, heeft klaagster ervoor gekozen dit ook aan de lezer kenbaar te maken door het gebruik van een afwijkende kleur. Delen die overeenkomen met de feiten en gebeurtenissen die aan deze tuchtzaak ten grondslag liggen treft u aan in donkergrijze kleur, gedeelten die geenszins aansluiten bij de werkelijkheid zullen worden aangegeven door het gebruik van deze kleur, lichtgrijs. Delen die verweerder vet gemaakt heeft worden uiteraard ook in beide kleuren vet weergegeven. Klaagster kiest hiervoor  omdat het voor de lezer verwarrend en voor haar buitengewoon beschamend is dit stuk te publiceren, zonder aan te geven welke delen  en hoeveel van het geheel onjuist door verweerder wordt gepresenteerd. Het door verweerder gestelde is dusdanig beschadigend dat klaagster het noodzakelijk acht  de lezer te laten zien wat hier aan het gebeuren is. Indien de volledig verzonnen delen ook maar deels bij de werkelijkheid zouden aansluiten , zou klaagster dit verweer met zekerheid niet publiek maken. Klaagster heeft niets te verbergen zoals verweerder stelt en graag zou willen, in tegendeel: het is haar doel iets te openbaren dat anders in het donker zou blijven. Feit is dat het verweer zoveel malen meer zegt over de schrijver dan over de beschreven persoon. Zij koos ervoor  dit wel te publiceren zodat de lezers een idee krijgen van hoe dergelijke zaken in elkaar kunnen zitten en hoe onprofessioneel en onethisch soms met cliënten wordt omgegaan. Het verweerschrift is een voorbeeld bij uitstek betreffende psychisch, emotioneel en verbaal machtsmisbruik door een hulpverlener zoals verweerder die al  tijdens ‘therapie’ voortdurend en in ernstige mate pleegde. Hoe kan een psychotherapeut op ernstige manier misbruik maken van zijn positie, macht, gezag en professionele kennis? Het verweer geeft antwoord en de tweede schriftelijke ronde zal e.e.a. nog veel duidelijker maken. Het verweer toont aan dat en hoe verweerder ook nog tijdens de tuchtprocedure misbruik blijft maken, het welzijn van de cliënt ook nu nog niet eens enigszins centraal weet te stellen maar doorgaat op de voor hem gebruikelijke voet: de cliënt wordt verder beschadigd i.p.v. dat hij juist eens zijn eigen aandeel probeert te zien in wat hij zelf heeft veroorzaakt. De zogenaamde diagnose die hij beschrijft werd elders ‘as–if-personality’ door hem genoemd, een term die binnen het psychoanalytische veld gebruikt wordt, in het Nederlands ‘als-of-persoonlijkheid’. Verweerder is overigens geen arts al probeert hij dit beeld van zich te schetsen door zijn cliënten patiënten te noemen. De aanklacht die uit het verweer spreekt, culmineert uiteindelijk in het dreigement klaagster wegens smaad, laster en hetze aan te zullen klagen. Klaagster onderging eerst MIShandeling i.p.v. BEhandeling  en omdat zij het waagt er iets van te zeggen, dreigt hij ook nog haar verantwoordelijk te zullen maken voor de slechte naam die hij zelf heeft opgebouwd door zich naar zowel cliënten als ook collegae op ZIJN manier te gedragen – die nu eenmaal niet op prijs wordt gesteld. Zijn ‘collegialiteit’, een term die verweerder veelvuldig en dan wel juist te onpas gebruikt, uitte hij o.a. door  jarenlang ten onrechte het lidmaatschap van een beroepsvereniging op zijn briefpapier te vermelden waarmee hij velen heeft misleidt en o.a. ook het vertrouwen van zijn eigen ‘familie’ misbruikt… stof om over na te denken. Maar nu weer terug naar misbruik van macht naar de cliënt toe: het verweer van de beklaagde…

Klaagster dankt u voor uw bereidheid dit woord vooraf ter kennis te willen nemen! M.vr.gr. A.

Dupliek (reactie van verweerder op de repliek ) van 1 november 2004

Regionaal Tuchtcollege Amsterdam

Postbus 84500

1080 BN AMSTERDAM

Per telefax: 020 – 541 27 75

Uw ref.: 2004/097P cdj   

Verweerder is de heer B. die in deze zaak woonplaats kiest op het kantoor van zijn gemachtig­de, mr. A.H. Wijnberg te Groningen [adresgegevens weggelaten]. Klager is Jeannette [naam en adres verwijderd].

De gronden van het verweer

1.    De klacht is aanhangig gemaakt bij klaagschrift van 13 mei 2004. Het klaagschrift bevat geen om­schrijving van enige concrete gedraging van verweerder waarvan verweerder kan begrijpen dat en waarom klager er bezwaar tegen maakt. Het klaagschrift voldoet daarmee niet aan artikel 4 Tuchtrechtbesluit. Het bevat niet de klacht en de feiten en gronden waarop deze berust. Het klaagschrift is een suggestieve aaneenschakeling van vaag omschreven en daardoor oncontroleer­bare feiten en even vage en oncontroleerbare beweringen. Er is geen klacht maar slechts de sug­gestie van een klacht. Er worden een naam genoemd en een aantal onaangenaamheden in de hoop dat de naam in een kwade reuk zal komen te staan.

a.    In het klaagschrift wordt uitgewijd over de handelwijze van een andere therapeut; te weten de heer F.F., zonder dat dit enig doel dient in een klacht tegen verweerder, aangezien de tuchtrechtelijke normen waaraan de verleende hulp moet worden getoetst los staan van de ernst van het probleem waarvoor hulp wordt gevraagd.

b.    Klager stelt dat een therapeut zich er volgens de beroepscode van moet vergewissen dat de randvoorwaarden zijn geschapen om zich tegenover de cliënt overeenkomstig de beroepscode te gedragen. Zij stelt echter niet dat verweerder dit voorschrift heeft geschonden. Zij stelt wel dat verweerder zou hebben verklaard zich niet aan de beroepscode te willen conformeren, maar dat is niet alleen niet waar, het is ook niet zonder meer tuchtrechtelijk verwijtbaar en klager stelt geen feiten of omstandigheden op grond waarvan de schending van enige norm van tuchtrecht kan worden aangenomen.

c.    Verweerder heeft geen norm van tuchtrecht geschonden door klager in behandeling te nemen. Hij heeft niets gedaan of nagelaten waardoor klager tegen haar wil en onbekookt bij hem in behandeling is geraakt.

d.    Handelen in strijd met een ingewonnen advies, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

e.    Klager noemt geen specifiek handelen of nalaten van verweerder dat in strijd is met wat een redelijk handelende redelijk bekwame therapeut zou doen. Zij debiteert slechts vage alge­meenheden die niet waar zijn, geen aanknopingspunt bieden voor een specifieker verweer en niet leiden tot de conclusie dat de gesprekken die verweerder met haar heeft gevoerd ondes­kundig en onzorgvuldig waren.

f.     Klager stelt dat verweerder in het laatste gesprek van 15 januari 2001 weer agressief werd. Daarvoor is van agressie van verweerder in het klaagschrift echter geen sprake. De agressie zou daaruit bestaan dat verweerder tien minuten heeft lopen schreeuwen en klager uit zijn praktijk heeft gegooid. Om het woord weer te rechtvaardigen stelt klager dat verweerder in het op een na laatste gesprek niets anders deed dan schreeuwen. Vervolgens geeft klager aan wat een therapeut moet doen, als hij de behandeling besluit te staken. Dan wordt het uit de praktijk gooien herhaald. En dan volgt de reden waarom verweerder klager niet meer wilde behandelen, alsof verweerder klager die reden heeft toegebeten, toen hij haar de praktijk uit gooide.

g.    De klacht over de onjuiste en onvolledige dossiervoering van verweerder, gaat niet over diens dossiervoering, maar over meningsverschillen die klager als gevolg van een misverstand met hem meende te hebben.

h.    Uit niets blijkt dat het beweerde opvragen door verweerder van medische informatie over klager bij G. klager in enig belang heeft aangetast.

i.     Een werkwijze die tuchtrechtelijk niet verwijtbaar is kan dat niet worden door de enkele om­standigheid dat iemand hinder meent te ondervinden van de gevolgen ervan.

j.      Uit niets blijkt dat de vraag of het lidmaatschap van het H. van verweerder terecht of ten onrechte op zijn briefpapier was vermeld voor klager van zodanig belang was dat haar op grond daarvan een tuchtklacht tegen verweerder toekomt.

2. In zijn verweerschrift van 5 juni 2004 heeft verweerder de stellingen van klager uitvoerig bespro­ken en weerlegd zonder de klacht in een juridisch kader te plaatsen. Hij heeft zijnerzijds de gang van zaken beschreven teneinde het tuchtcollege in staat te stellen zijn handelwijze te beoordelen. Hij heeft daarbij aangegeven dat naar zijn oordeel de klacht zoals klager die heeft ingediend mede te verklaren is uit haar problematiek. Klager heeft harerzijds het verweerschrift beantwoord met een repliek van 38 pagina's, de bijlagen niet meegerekend. Daarmee dreigt de discussie oeverloos te worden en dat is in strijd met het fair trial beginsel van artikel 6 EVRM [red. MdH: Europees Verdrag van de Rechten van de Mens]. In een oeverloze discus­sie is het voor een aangeklaagde niet mogelijk zich adequaat te verweren. Daarom is het noodza­kelijk alsnog de juridische grenzen te trekken waarin een tuchtklacht als de onderhavige dient te worden behandeld.

3. De repliek is te lang en te diffuus en te weinig falsifieerbaar om in detail te bespreken. Zij is ook innerlijk tegenstrijdig. Klager portretteert zichzelf als weerloos slachtoffer van therapeuten die hun macht misbruiken, maar stelt die therapeuten intussen de wet op een toon alsof zij niet alleen psychologisch maar ook juridisch de wijsheid in pacht heeft. Zij speelt ze ook op een bizarre wijze tegen elkaar uit. Zij beroept zich op F.F. om aan te tonen dat verweerder faalt om het falen van F.F. aan de kaak te stellen.

4.    Klager voert in de repliek nieuwe klachten aan. Zij beklaagt zich erover dat F.F. in therapie is bij een praktijkgenoot van verweerder, de heer J., en zij beklaagt zich over de bejege­ning die zij van verweerder heeft ondervonden tijdens de sessies en in deze procedure. Voor dat laatste beroept zij zich op een uitspraak van het regionaal tuchtcollege Eindhoven over een vol­strekt andere zaak, namelijk een deskundigenrapport in een arbeidsongeschiktheidszaak. In die uitspraak wordt de bejegeningsklacht afgewezen. Wat de eerste klacht betreft, wijlen de heer J. en verweerder waren geen praktijkgenoten in de zin dat zij samen praktijk voerden. Zij hadden zelfstandige praktijken, maar werkten samen op het gebied van verwijzing, wettelijke in­tervisie en wederzijdse nascholing. Klager wist van deze samenwerking, toen zij zich bij verweer­der aanmeldde. Bij aanmelding werd voorheen mondeling en wordt tegenwoordig schriftelijk toe­stemming verzocht voor overleg met collega's. Daarmee worden bedoeld de samenwerkende col­lega's in het kader van de wettelijke collegiale toetsing in intervisieverband en de collega hulpver­lener/huisarts casu quo de verwijzende huisarts met wie overleg plaatsvindt omdat lichaam en geest een geheel vormen. Voor de collegiale toetsing heeft klager toestemming verleend. Van con­flicterende belangen was geen sprake.

5.    De nieuwe klachten zijn niet alleen ongegrond, maar klager kan ze ook niet meer bij repliek voor­dragen. Een tuchtprocedure wordt gevoerd op basis van een duidelijke, welomschreven klacht. Deze kan niet naar believen in de loop van de procedure worden uitgebreid en aangevuld. Klager is dan ook niet-ontvankelijk in haar nieuwe klachten.

6.    Ten aanzien van zijn lidmaatschap van de H. verwijst verweerder naar pagina 8 van zijn ver­weerschrift. Hij legt hierbij tevens over een kopie van de brief van 3 juni 2004 van de secretaris van de vereniging, waaruit zijn lidmaatschap blijkt (*bijlage 1).

Conclusie:

Klager dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar klachten. Deze zijn althans ongegrond en dienen te worden afgewezen. 

De repliek van dd. 29 september 2004 van klaagster (Jeannette)

‘De herschrijving van de geschiedenis toegelicht’

Aan het

Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam

Postbus 84500

1080 BN  AMSTERDAM

 

 

REPLIEK

Kenmerk: 04/097P/ms

INZAKE:

Mw. A                         

wonende te Amstelveen,

klaagster

CONTRA:

De heer B 

psychotherapeut &

gz-psycholoog,

wonende te Amstelveen,

verweerder

=====================                                                                                

Geachte leden van het college,

Klaagster reageert op het antwoord van verweerder. Verweerder heeft een uitgebreid verslag gestuurd van naar zijn zeggen de contacten met klaagster, correspondentie met collega’s en een reactie op het klaagschrift. Klaagster geeft een reactie op “antwoord op betoog mr. M.J. de Witte” omdat dit de reactie is op het klaagschrift. De repliek kon, vooral wegens de lengte van het verweerschrift en het grote aantal stellingen die niet overeenkomen met de waarheid en feiten, helaas niet kort en bondig zijn.

Situatie ten tijde van de hulpvraag

De situatie waarin klaagster zat ten tijde van het eerste contact wordt onderschreven door verweerder. Ook wordt niet betwist wat haar hulpvraag was, namelijk het verhelderen van de voor haar zeer belastende situatie en het verhelderen van haar overdrachtsgevoelens nu haar psychotherapeut F.F. een seksuele relatie met haar was aangegaan. Door alle verbale en gedragsmatige tegenstrijdigheden van F.F. klampte zij zich naar het motto ´hoop doet leven´ lang vast aan de hoop dat het in hun geval om een soort uitzonderingssituatie zou gaan en er wellicht geen sprake van seksueel misbruik zou zijn. De gedachte dat haar psychotherapeut haar misbruikte terwijl zij erop vertrouwde dat haar welzijn zijn voornaamste belang was, zoals zij mocht verwachten, was te pijnlijk om te verdragen. Hierdoor verkeerde klaagster vele maanden in een situatie van sterke ambiguïteit, angst, radeloosheid en reddeloosheid. Zij klopte dan ook bij verweerder aan om in begeleiding van een therapeut uit te zoeken waar zij in terecht was gekomen, wat het betekende en wat in deze situatie het beste was om te doen.

De vraag of ambulante therapie mogelijk was c.q. dagopname wellicht nodig zou zijn, was geen vraag die klaagster zich stelde noch hebben haar huisarts en haar therapeute zich die vraag toen of sindsdien gesteld. De vraag of ambulante zorg voldoende steun zou bieden heeft nooit gespeeld. Indien verweerder zich die vraag werkelijk stelde, wat klaagster sterk betwijfelt, heeft hij dat in al die maanden op geen enkele manier ooit aan haar medegedeeld en is het hem te verwijten niet aan het criterium van transparantie te hebben voldaan. Klaagster klopte bij verweerder aan met een duidelijk omschreven hulpvraag, namelijk de ´relatie´ waarin zij zich bevond samen te onderzoeken en naar oplossingen te zoeken. In plaats van aandacht te schenken aan de acute problematiek die speelde, richtte verweerder zich uitsluitend op het stellen van een diagnose. Daarbij was het essentieel – en dat is een bekend feit bij behandeling van een cliënt die het slachtoffer werd van seksueel grensoverschrijdend gedrag (voortaan ‘GOG’ genoemd in dit stuk) door een hulpverlener – dat klaagster ethisch correcte, professionele uitleg behoefde en erkenning kreeg. Het was namelijk begrijpelijk dat zij veel pijn had, zij onder sterke gevoelens van ambiguïteit leed en zij zich ten onrechte heel erg schuldig en verantwoordelijk voelde. In plaats van erkenning te geven, hield verweerder zich bezig met het zoeken naar een diagnose en verergerde de situatie verder door juist het tegendeel te doen van hetgeen de vakliteratuur in deze adviseert (productie 10). Verweerder confronteerde haar zelfs ermee dat het haar eigen schuld was, zij het toch graag wilde en zij het nu ook maar zelf moest uitzoeken. Dat haar al sterke, misplaatste schuldgevoelens hierdoor nog sterker zouden worden en de situatie voor haar nog zwaarder zou worden, diende verweerder als psychotherapeut te weten. Door klaagster de noodzakelijke steun volledig te onthouden en door te doen hetgeen in professioneel opzicht in die situatie volledig contra-geïndiceerd is, heeft hij klaagster opzettelijk ernstige schade berokkend.

Klaagster heeft met zekerheid geen dwingend appél op verweerder gedaan. Zij vroeg of verweerder ervaring had bij het behandelen van deze problematiek hetgeen hij bevestigde en hij gaf al tijdens de eerste telefonische contactopname aan dat zij bij hem in therapie kon komen.  Indien je op een therapeut een dwingend appél moet doen zodat hij je in behandeling neemt of dat je in behandeling mag blijven, kun je maar beter een andere behandelaar zoeken. In tegenstelling tot verweerders stelling dat er geen sprake van een regulier therapeutisch contact zou zijn geweest, wijst klaagster erop dat onderstaande bewijsvoering een heel ander beeld geeft van de ´realiteit´ die verweerder probeert te creëren. Uit de behandeldata zoals vermeld op verweerders facturen blijkt duidelijk dat er sprake was van regelmatigheid (productie 11). Het gaat dus om in totaal 10 sessies (niet 8) die verweerder in rekening bracht van 12 oktober 2000 t/m 15 januari 2001. Hierbij gaat het om wekelijks gevolgde sessies. Slechts in november zaten eenmalig 2 weken tussen twee sessies in en tussen 19 december 2000 en 15 januari 2001 bevonden zich de feestdagen en was klaagster tevens op vakantie – nota bene met F.F. wat verweerder overigens heel normaal vond en geenszins afkeurde (productie 12). Daarnaast stond er nog een afspraak voor 8 januari 2001 (productie 13) die niet door kon gaan, waarschijnlijk i.v.m. ziekte. 

Matig integratievermogen en dissimulatie behoren tot de vele elementen die verweerder in verband met klaagsters persoonlijkheid noemt waarin klaagster zich niet herkent. Tevens gaat het bij bijna alle elementen die verweerder in zijn stukken noemt betreffend de persoonlijkheid van klaagster om elementen die zowel voor als na hem geen professional, waaronder psychiaters, kon ontdekken (producties 6, 7, 14, 15 & 16). Zullen al zijn collegae al die elementen in klaagster gemist hebben of is het aannemelijker dat verweerder stellingen poneert die niet aansluiten bij de feiten? Indien klaagster dissimuleerde zou zij in geval van wenselijkheid niet zelf op zoek gaan naar steun. Om opname in de dagkliniek van het AMC in 1997/1998 bijvoorbeeld heeft zij zelf verzocht. Zij werd er niet heen gestuurd door een behandelaar die dit nodig achtte. Klaagster behoefde toen een plek om weer tot rust te kunnen komen na een groot aantal kort op elkaar volgende, vervelende en deels traumatische gebeurtenissen. Iemand die zijn eigen problematiek bagatelliseert zou niet zelf om opname vragen. Haar behandelaars, mw. P en dr. N gingen akkoord met haar wens en voorstel voor dagklinische opname toen in het AMC. Een cliënte die dissimuleert zou ook niet zelf om verlenging van haar dagklinische opname verzoeken (producties 17, 18). Het beeld dat verweerder van cliënte schetst, komt niet overeen met de feiten, gebeurtenissen en persoonlijkheidskenmerken die collegae in verleden en heden constateerden. Zo heeft tot dusver geen professional grote kwantiteiten woede in klaagster weten aan te treffen, laat staan pre-psychotisch van aard. Het feit dat klaagster zich in 1997 zelf voor dagklinische opname inzette bij haar behandelaars maakt het niet aannemelijk dat zij in therapie bij verweerder, zoals hij stelt, woedend zou zijn geworden over zijn voorstel (dat hij nooit maakte) van dagklinische opname. Indien een bepaald soort behandeling nodig is zou het onverstandig zijn die niet te ondergaan. Klaagster was altijd juist heel medewerkend en heeft zich nog nooit aan een (voorgestelde) behandeling onttrokken. Stukken van eerdere en latere behandelaars wijzen er juist op dat er altijd voldoende ziekte-inzicht was, klaagster over een groot introspectief vermogen beschikt en zij nooit enige moeite heeft gehad met correcte oriëntatie t.a.v. tijd, plaats en persoon (producties 15, 19). Van een ernstige aantasting van klaagsters realiteits-toetsing is en was nooit sprake, niet eens van een lichtjes aangetaste realiteits-toetsing. Dat verweerder juist degene is die de realiteit en waarheid ernstig geweld aandoet, zal blijken.

Op 19 oktober 2000 ging verweerder in de fout door niet de waarheid aan klaagster te vertellen, namelijk dat F.F. ook in behandeling was in zijn praktijk. F.F. was evenmin bekend met het feit dat zijn therapeut, de heer J, en verweerder binnen één en dezelfde praktijk samenwerkten. Uiteraard mag het college dit gegeven natrekken. Een beleidsmedewerker van de afdeling beroepsethiek van het Nederlandse Instituut voor Psychologen (N.I.P.) geeft aan dat behandeling van betreffende cliënte en psycholoog niet mogelijk is als er onverenigbare belangen zijn. Het spreekt voor zich dat bij behandeling van slachtoffer en dader binnen dezelfde praktijk sprake is van onverenigbare belangen. Verder stelt de beroepsvereniging dat de psycholoog de vertrouwelijkheid in acht dient te nemen en dat de psychologen zich voldoende dienen in te spannen voor de waarborging van een zorgvuldige behandeling van beide cliënten. Dit is helemaal achterwege gelaten. Gezien het feit dat het om slachtoffer en dader van seksueel GOG ging, hetgeen bij uitstek een omstandigheid betreft waarbinnen eerder genoemde waarborging niet mogelijk is, diende een van de therapeuten (verweerder of collega J) “zich in te spannen om de cliënt op zorgvuldige wijze te verwijzen naar een andere psycholoog.”  (productie 20). Aangezien verweerder eerder stelde dat hij de relatie tussen F.F. en klaagster als misbruik zou hebben geïnterpreteerd, was hij zich dus bewust van het feit dat hij aan het slachtoffer en de dader binnen één en dezelfde praktijk therapie verstrekte. Dan diende hij zich ervan bewust te zijn dat er sprake was van een belangenverstrengeling waardoor hij al niet aan de randvoorwaarden kon voldoen die hij in acht had moeten nemen. Het is de vraag waarom verweerder ervoor koos zowel F.F. als klaagster niet in te lichten over het feit dat zij beide vanuit dezelfde praktijk hulp ontvingen en beide therapeuten in dezelfde intervisiegroep zaten en dus zonder kennis van beide cliënten informatie uitwisselden. Verweerder had F.F. moeten vertellen dat zijn gedrag niet kon, maar die was wel cliënt van zijn eigen praktijk. Dat is dan ook de reden waarom in dit geval slechts een van beiden in behandeling had mogen blijven, om dit soort interesseconflicten te voorkomen en de verhoudingen zuiver te houden. Er wordt op de praktijk gewerkt volgens een systeem van intervisie: cliënten worden door de therapeuten met elkaar besproken. Uit het antwoord blijkt dat cliënte meermaals zou zijn besproken. Dat verweerder zonder instemming van klaagster informatie over klaagster verzamelde en verspreidde, is hem eveneens kwalijk te nemen. Van de beide brieven die verweerder aan haar huisarts zond kwam klaagster pas eind 2001 op de hoogte toen zij haar huisarts uit zichzelf vroeg of er correspondentie was. Een goede hulpverlener werkt transparant, zeker als het vertrouwen van een cliënte al ernstig werd beschadigd door seksueel GOG door een collega. Verweerder diende klaagster erover te informeren dat hij brieven aan de huisarts zond en diende die ook in kopie aan haar te zenden zoals dat gebruikelijk is.

Verweerder had op 12 oktober 2000, toen hij wist dat F.F. onder behandeling was bij een collega, moeten besluiten na het eerste gesprek te stoppen met cliënte. Intervisie was vanaf dat moment niet meer mogelijk omdat informatie over de een bekend werd aan de behandelaar van de ander, zonder dat beide patiënten het wisten of daar toestemming voor hadden gegeven. Klaagster neemt ook aan dat intervisie een wijze van werken is die de kwaliteit van de hulpverlening ten goede dient te komen. Verweerder had op z’n minst met klaagster moeten communiceren en uitleggen dat de behandeling zou plaatsvinden zonder supervisie. Hij diende ook te verduidelijken waarom, namelijk omdat F.F. daar eveneens onder behandeling was. Dat J een praktijkgenoot van verweerder was, leerde klaagster pas via het verweer. Door dat na te laten handelde hij klachtwaardig. Bovendien had klaagster dan een andere therapeut kunnen zoeken. Hoe dan ook: er kan nooit een professionele relatie zijn, en een vertrouwensband ontstaan, als de therapeut niet de waarheid spreekt, in strijd handelt met de beroepscode en essentiële dingen verzwijgt. Dat had verweerder moeten beseffen en om die reden had hij direct een einde moeten maken aan het contact in plaats van maar door te gaan zonder behandelplan, en zonder gestructureerd gesprekscontact. Het achterhouden van de juiste feiten is handelen in strijd met het voorgeschreven respect voor patiënten.

Verweerder stelt dat hij wist dat zijn collega J reeds bezig was met het collegiaal appél aan de slag te gaan en dat dit de reden zou zijn waarom hij het zelf niet nodig achtte enige actie te ondernemen. Verweerder schrijft dat hij wist dat zijn collega ´het collegiaal appél zeer serieus zou nemen´ en hij de gedragscode goed kende. F.F. sprak met klaagster regelmatig over zijn therapie bij J. Daaruit moest klaagster helaas opmaken dat zijn therapeut verre van voldoende aandacht aan het probleem GOG besteedde, namelijk zo goed als geen. De heer F.F. zelf schreef hierover op: `Volgens [klaagster] heeft ook mijn therapeut gefaald, omdat hij het niet als grensoverschrijdend gedrag heeft behandeld maar als een relatie met een extra complicatie. Wat zou er gebeurd zijn als hij mij behandeld zou hebben als persoon met grensoverschrijdend gedrag problematiek? Dan was de relatie met [klaagster] mogelijk eerder beëindigd. Had ze dat – neurotisch of niet – liever gewild?´ (productie 21). J heeft het ontoelaatbare, ethisch verwerpelijke en strafbare gedrag van F.F. dus geenszins naar behoren behandeld. Hij behandelde de ´relatie´ niet als GOG maar als ´relatie met een extra complicatie´. Aangezien wekelijks bleek dat F.F.s GOG binnen zijn therapie niet aan de orde kwam c.q. niet als GOG en problematisch werd gezien door J, probeerde klaagster F.F. duidelijk te maken dat hij in deze niet in goede handen was. Op herhaaldelijk verzoek en initiatief van klaagster nam F.F. dan later ook aan een intakegesprek bij prof. Q deel (ibid.). Het verschil in aanpak tussen J en Q bleek alleen al uit de benadering van F.F. tijdens het intakegesprek. Q interpreteert ontucht met misbruik van gezag niet als ´relatie met een extra complicatie´ en hij zou de nodige aandacht aan de problematiek hebben besteed zo bleek uit F.F.s woorden over het intakegesprek. Op het moment dat Q F.F. o.a. omwille van gebrek aan motivatie niet in therapie wilde nemen (voorjaar/zomer 2002) had J al bijna een jaar lang niets binnen zijn therapie gedaan dat ook maar enigszins erop gericht was dat F.F. enig besef zou ontwikkelen daarover dat hij GOG had gepleegd, laat staan het besef te kunnen ontwikkelen waarom dergelijk gedrag ontoelaatbaar is.

Het feit dat verweerder klaagster niet informeerde over het feit dat F.F. binnen dezelfde praktijk therapie ontving heeft o.a. ertoe geleid dat verweerder plotseling buitengewoon agressief op klaagster reageerde. Klaagster had namelijk binnen haar therapie haar zorg over de gebrekkige behandeling van F.F. geuit. Zij had verweerder medegedeeld dat J de grensoverschrijdende problematiek geenszins als probleem, laat staan als GOG, interpreteerde. Verweerder kon er dus niet van uitgaan dat zijn collega het collegiale appél serieus nam want hij vernam hele andere geluiden van klaagster die precies verhaalde wat F.F.  over zijn eigen therapie vertelde. Klaagster had geen idee ervan dat J, die zij bij naam noemde een directe collega van verweerder was. Achteraf pas kan klaagster dus een gedeelte van de enorme woedereactie van verweerder begrijpen. Pas sinds het ontvangst van het verweerschrift overigens want zo vernam klaagster voor het eerst dat verweerder en J binnen één en dezelfde praktijk werkzaam waren. De brochure over zijn praktijk die verweerder als productie meezond moet blijkbaar aantonen dat klaagster ooit zo een brochure van hem zou hebben ontvangen. Hij toont echter alleen maar aan dat zijn praktijk over een brochure beschikt. Klaagster heeft noch die brochure ooit gezien voordat zij haar als bijlage van het verweer ontving noch heeft klaagster ooit een brochure van het N.I.P. of de NVP van verweerder mogen ontvangen. Zoals het meeste dat verweerder beweert, zijn zijn beweringen helaas onjuist. Verweerder blijkt het klaagster zeer kwalijk te hebben genomen dat zij eerlijk aangaf dat F.F. t.a.v. de GOG problematiek geen baat had aan de therapie van zijn collega – klaagster uitte tijdens haar therapie in alle openheid en vertrouwen terechte zorgen. Verweerder gaf niet eens aan J te kennen. Klaagster werd geconfronteerd met ongekende vijandigheid en explosieve, beangstigende woede en was geenszins in staat te kunnen begrijpen waarom verweerder een heel uur tegen haar schreeuwde, haar vernederde, beschuldigde enz. en haar uiteindelijk tijdens een tweede onvoorspelbare uitbarsting van enorme woede uit de praktijk en therapie gooide. 

Aangezien verweerder stelt dat hij wist dat zijn collega J met het collegiale appél aan de slag zou gaan, mogen wij veronderstellen dat verweerder het dus uitgebreid met J over het GOG van F.F. heeft gehad. Verweerder wist dus niet slechts van klaagster dat er een ´relatie´ was ontstaan tussen haar en F.F. maar dit feit werd hem ook door zijn directe collega J bevestigd. Er was dus geen reden voor verweerder aan het bestaan van de ´relatie´ te twijfelen. Dit roept de vraag op: Hoe is het mogelijk dat verweerder ondanks het feit dat hij zeker wist dat klaagster het seksueel contact met F.F. niet heeft verzonnen in zijn brief aan de huisarts van klaagster stelde “Het wordt niet echt duidelijk in hoeverre dit echt allemaal waar is zoals zij het zegt en in hoeverre patiënte samen met haar ex-therapeut ook daadwerkelijk de integriteit van het vak heeft aangetast.” (productie 2)? Er hoefde niets meer duidelijk te worden want het was verweerder al heel erg duidelijk dat het GOG door zijn collega een feit was. Het was hem al bevestigd door een collega op wie hij, zoals hij in zijn verweer aangeeft, kon vertrouwen. Waarom dus heeft hij de huisarts van klaagster foutief ingelicht? Waarom presenteerde hij haar naar haar huisarts toe als ongeloofwaardig (zie verweerders diagnose van klaagster)? Dit deed hij niet om de huisarts zo correct mogelijk te informeren noch deed hij dit in het interesse van zijn cliënte wiens welzijn juist door hem centraal diende te worden gesteld. Verweerder had kennis van het feit dat een collega de meest elementaire regel binnen zijn vak had geschonden, wist dat dit in ons wetboek van strafrecht als misdrijf wordt gezien, zag klaagster hier zeer onder lijden maar hij achtte het niet nodig zijn “amice collega” zoals hij haar huisarts aanschreef en van wie hij altijd met een “vriendelijke en collegiale groet” afscheid nam, de waarheid te vertellen? (productie 2 & 3). Belangrijker echter nog: het opzettelijk foutief inlichten van een medische professional kan geenszins zorgvuldig worden genoemd noch kan er sprake zijn van enige kwaliteit. Verweerders kwaliteiten blijken telkens weer vooral op het gebied te liggen dat ´de geschiedenis herschrijven´ genoemd kan worden. Verweerder heeft – om de door hem zelf gekozen terminologie te kiezen – de realiteit veelvuldig en in ernstige mate geweld aangedaan. Dit deed hij naar zijn cliënte toe voor die hij juist goed diende te zorgen, dit deed hij naar zijn collega en vriend, haar huisarts, toe en hetzelfde in klaagsters ogen ontoelaatbare gedrag zet hij nu voort naar uw college toe. Door zijn laakbaar gedrag nu ook nog d.m.v. ontelbare onwaarheden te ontkennen, berokkent hij klaagster verdere schade – een feit dat hem als psychotherapeut bekend dient te zijn. Klaagster ontving een verweerschrift dat voor het grootste gedeelte uit onwaarheden bestaat. De emotionele impact die de sterke mate van vertekening van de werkelijkheid door verweerder op klaagster heeft, is ook de reden waarom klaagster uw college, helaas bij herhaling, om uitstel moest verzoeken betreffend het indienen van dit stuk. Welke goede, correcte of professionele bedoeling kan verweerder hebben gedreven opzettelijk (en deze term acht klaagster van essentieel belang aangezien hij niet per ongeluk loog maar met een zeker doel) een dermate foutieve voorstelling van zaken te geven? Kan het steunend zijn voor een cliënte als de huisarts ten onrechte aan haar geloofwaardigheid gaat twijfelen omdat een collega ten onrechte en opzettelijk grote vraagtekens achter haar geloofwaardigheid plaatst? Was het in het interesse van cliënte dat men haar niet geloofde? Klaagster is niet in staat dergelijk ageren van verweerder in positieve zin te kunnen interpreteren en stelt zich daarom de vraag waarom verweerder al het mogelijke heeft gedaan om haar nog meer schade te berokkenen. Verweerder noemt zich een hulpverlener. Echte hulpverleners stellen het welzijn van hun cliënt centraal en berokkenen niet opzettelijk schade om de draagkracht van de cliënt nog verder te verzwakken en de lijdensdruk te vergroten. Wat klaagster probeert te verduidelijken is dat hier niet zomaar een fout is gemaakt. Verweerder heeft willens en wetens deze weg ingeslagen en hij vervolgt deze weg helaas nu, tijdens deze procedure, nog steeds. Opzettelijke berokkening van schade en kwaadaardigheid behoren niet tot de doelen van een hulpverlener noch betreft het kwaliteiten die binnen de psychotherapie gewaardeerd worden.

Het is geenszins klaagsters bedoeling verweerder in een kwaad daglicht te stellen. Haar doel is het de methoden die verweerder onder de noemer ‘psychotherapie’ handhaaft, zichtbaar te maken. Als dergelijke praktijken in het donker blijven zetten zij zich namelijk voort. Aangezien klaagster de ´behandeling´ van verweerder slechts ternauwernood heeft overleefd en zich gezien de veroorzaakte schade door verweerder nog steeds meer met overleven dan met leven bezig moet houden, acht klaagster het zeer belangrijk dat hetgeen verweerder haar heeft aangedaan geen voortzetting zal vinden bij andere cliënten. Klaagster ziet niet hoe verweerders attitudes, zoals herhaaldelijk in zijn sessies en schriftstukken verwoord, en hoe zijn gedrag te verenigen zijn met goed hulpverlenerschap en kwalitatieve zorg. “Ook hierin is ze helaas grensoverschrijdend”, stelt verweerder, waarmee hij zijn grenzeloosheid weer op klaagster overdraagt, precies zoals hij eerder het GOG van zijn collega tot ´haar grensoverschrijdend gedrag´ maakte. Dit is waarop zijn ´ook´ werkelijk betrekking heeft. Af en toe schemeren zijn ware aard en attitude binnen de herschreven geschiedenis door.

Beroepscode

Het feit dat verweerder sinds 19 jaar een eigen praktijk bezit en sinds 29 jaar psycholoog is, kan niet als bewijs worden gezien dat hij de beroepscodes goed kende. Evenmin zegt het lidmaatschap bij een beroepsvereniging iets over het feit of een lid zich wel of niet aan de code houdt. Verweerders ´bewijsvoering´ is buitengewoon zwak. Hij stelde in een sessie waarin klaagster hem op de beroepscode wees [weglating i.v.m. taalkundige fout] een van de vele malen dat er niets mis is met het aangaan van een seksuele relatie met een cliënte door een psychotherapeut. Verweerder lachte klaagster uit toen zij de beroepscode noemde en zei dat hij hem nog nooit had gelezen. Dat zijn van die dingen die je opgestuurd krijgt en die je ongelezen in een map opbergt, stelde hij. Het interesseerde hem ook geenszins wat de code over een of ander zei want hij bepaalde zelf wat hij van een of ander vond en hoe hij zich gedraagt. Verweerder heeft aan klaagster door niets laten blijken dat hij F.F.s gedrag verwerpelijk zou vinden, in tegendeel. Hij reageerde zijn frustratie en woede over het feit dat klaagster zich de vraag stelde of er wellicht van misbruik sprake zou kunnen zijn, door verbaal geweld, vernederingen en diverse vormen van machtsmisbruik op klaagster af die voor steun en therapie bij hem had aangeklopt. Dat klaagster hem geprovoceerd zou hebben, is gelogen. Klaagster was juist bang dat verweerder of de huisarts zonder haar instemming ergens zouden kunnen klagen en F.F. daarvan last zou ondervinden (producties 22, 23). Verweerder schrijft aan de huisarts dat niet duidelijk zou worden in hoeverre ´patiënte samen met haar ex-therapeut ook daadwerkelijk de integriteit van het vak heeft aangetast´ (productie 2). Uit zijn stelling blijkt duidelijk dat verweerder de beroepscode niet kende, anders had hij namelijk geweten dat een patiënt niet in staat is de integriteit van het vak aan te tasten, of samen of niet samen met haar therapeut. Dat verweerder de beroepscodes nog steeds niet goed kent, blijkt uit zijn opmerking dat een collega volgens de gedragscode verplicht is GOG door een collega aan te geven. Dat is niet zo. De meldingsplicht is jaren geleden komen te vervallen (zie b.v.: Nobel, L. de (1994). Onder collega’s. Dilemma’s rond een mogelijke meldingsplicht. Maandblad Geestelijke volksgezondheid 49, 931-948.) Verweerder was volgens die code wel verplicht F.F. te wijzen op overschrijding van de code om aan dat gedrag een einde te maken. Dit heeft verweerder nagelaten.

Dat verweerder niet wist dat collega J met het collegiale appél aan de slag ging en dat het juist om een frequent aantal gesprekken ging, toont klaagster elders in dit stuk aan.

Verweerder pleegde tijdens klaagsters therapie en in het contact met haar huisarts en ook nu in contact met uw college op diverse manieren misbruik. Hij misbruikte het vertrouwen van diversen en maakte misbruik van zijn positie en macht. Zijn professionele kennis wendde hij niet aan om te helpen maar om schade te berokkenen. De relatie tussen hulpverlener en hulpvrager is een vertrouwensrelatie van professionele aard die op twee ethische principes is gebaseerd, namelijk (1) De hulpverlener dient zijn/haar best te doen voor de cliënt/patiënt en (2) De hulpverlener mag de patiënt geen schade berokkenen. Dit is de basisboodschap die aan een iedere beroepscode binnen de medische wereld ten grondslag ligt en zij werd al langer dan 2400 jaar geleden door Hippocrates in zijn eed geformuleerd.

De behandelingen

Verweerder stelt dat het klaagster duidelijk zou zijn geweest dat er sprake was van een “verlengde intake”. Dat blijkt nergens uit en is in tegenspraak met hetgeen verweerder zelf heeft genoteerd. Dat was behandeling. Verweerder maakt een onderscheid tussen indicatiefase en behandeling. Dit terwijl hij zelf schrijft direct te zullen starten met de behandeling. Het woord ‘behandeling’ is niet zomaar een woord. Het moet worden opgevat als in de codes van de Nederlandse Vereniging van Psychotherapeuten (NVP) en het Nederlands Instituut voor Psychologen (N.I.P.). Verweerder erkent dat er geen behandelplan was en erkent inderdaad “ergens maar te zijn begonnen”.

Naar verweerder beweert drong het niet tot klaagster door dat er geen sprake van reguliere therapie zou zijn. Dat kon ook niet tot haar doordringen omdat dit nooit werd gezegd. In tegendeel. Verweerder zei aanvankelijk niet te weten bij wie klaagster in behandeling zou komen. Nadat de intakefase afgelopen was, deelde verweerder aan klaagster mede dat hij had besloten haar zelf te zullen behandelen. Hieruit maakte klaagster juist terecht op dat er wel degelijk sprake was van behandeling. Bij klaagster zou ook sprake zijn van een “nagenoeg psychotische woede”. Als dat zo was (dat blijkt geenszins uit feiten, omstandigheden en/of eerder of later gestelde diagnoses), hoe kon het dan duidelijk en mogelijk zijn dat er helemaal niet werd behandeld? Verweerder geeft nog steeds niet aan of en van welke randvoorwaarden hij zich dan heeft vergewist om zich overeenkomstig de beroepscode te gedragen.

Verweerder heeft niet de problemen van klaagster, zoals voorgeschreven, verhelderd. In tegendeel: hij gaf zelfs invulling aan de ´therapie´ waarvan duidelijk is dat dit alleen maar tot verdere invalidatie kan leiden. Klaagster doelt op al het gedrag dat zij eerder beschreef en dat verweerder ontkent. Nergens is te lezen wat verweerder heeft gedaan met haar hulpvraag. Hij heeft niet gevraagd wat het voor haar betekende om een relatie te hebben met haar behandelend therapeut. Het is nog steeds niet duidelijk wat de toegevoegde waarde is geweest van verweerder, die ook niet betwist dat er gesproken is over liefde en niet over overdrachten. Hij heeft haar de nodige inzichten over het mechanisme, de betekenis en de oorsprong van overdrachtsgevoelens onthouden en haar opgezadeld laten zitten met haar hulpvraag. Sterker nog, hij liet geen kans liggen nog meer verwarring te stichten door het veelvuldig plaatsen van onprofessionele en onethische opmerkingen. Alles was erop gericht dat klaagster niet zou beseffen dat zij werd misbruikt. De hulpvraag die klaagster aanvankelijk had gesteld groeide alleen maar door toedoen van verweerder. De ambiguïteit nam toe door de verwarring die verweerder voortdurend creëerde door zijn opmerkingen in strijd met de codes alsmede in strijd met de vakliteratuur. De angst nam toe, alleen al door de extreme woede uitbarstingen van verweerder die geenszins te begrijpen vielen. Klaagsters hoop dat het ooit nog goed zou komen, haar vertrouwen in mensen in het algemeen en hulpverleners in het bijzonder namen verder af. Verweerder heeft met zijn ´behandeling´ ervoor gezorgd dat klaagsters draagkracht, vertrouwen en hoop alleen maar konden afnemen en hij zorgde tevens ervoor dat haar lijdensdruk toenam. De kans op suïcidaliteit nam hierdoor in sterke mate toe, door toedoen van verweerder, en dit waarbij het een bekend gegeven is dat de kans op suïcidaliteit en het daadwerkelijk overgaan tot een suïcidepoging door GOG door een behandelaar alleen al aanzienlijk stijgt (productie 10). Verweerder diende dit te weten en diende er rekening mee te houden dat het welzijn van klaagster door zijn toedoen niet ook nog verder afnam en haar suïcidaliteit toenam. Helaas blijkt uit het geheel dat het bieden van steun en dus het vergroten van klaagsters draagkracht en welzijn en het verkleinen van haar lijdensdruk nooit verweerders bedoeling zijn geweest. Voor klaagster was en is het in het bijzonder moeilijk om dit element in het geheel onder ogen te moeten zien. Door klaagster te helpen inzicht te verkrijgen in de werkingsmechanismen, had zij meer grip op haar situatie kunnen krijgen, eerder tot besef kunnen komen en het had haar in staat kunnen stellen veel eerder een einde te maken aan het seksuele misbruik door F.F.. De ernst van de schade die door GOG door een professional ontstaat, is, zo is bekend, deels afhankelijk van de duur van het misbruik. Door de juiste benadering van de problematiek door mw. F later die het GOG wel degelijk op de juiste manier wist te behandelen, lukte het klaagster zich uit het misbruik door F.F. los te maken. Met nadruk wenst klaagster te wijzen op navolgende opmerkingen van haar therapeute: ´Wanneer nodig is de behandeling ondersteunend. Wanneer mogelijk openleggend.´ en ´Ik heb goede hoop op een positief resultaat´ (Productie 7). Dit was dus in ieder geval mogelijk binnen ambulante zorg waarin verweerder aangeeft geen enkel heil te hebben gezien. Ondertussen zijn meer dan twee jaar verstreken en zijn verdere behandelresultaten behaald. Niet alleen door de verwarring die verweerder voortdurend stichtte maar ook door de extra pijn die hij klaagster toevoegde, kostte haar veel extra energie die zij dringend nodig had om zich uit het misbruik door F.F. los te maken. Doordat verweerder klaagsters draagkracht juist verzwakte, duurde de misbruikrelatie langer voort. Indien klaagster professionele ondersteuning had ontvangen i.p.v. verweerders behandeling, had zij zich eerder uit het misbruik los kunnen maken.

Klaagster betwist dan ook dat verweerder ooit gezegd zou hebben, en dat het duidelijk was, dat het gedrag van F.F. niet toelaatbaar was. Het tegenovergestelde is helaas waar: hij gaf klaagster herhaaldelijk de schuld aan de situatie waarin zij zich bevond. Klaagster zou het zelf gewild hebben en moest het er maar mee doen nu, moest niet zeuren en haar eigen verantwoordelijkheid niet bij anderen neerleggen. Verweerder maakte zelfs nog reclame voor relaties tussen hulpgevende en hulpvragende: `ik zie het veel te somber in, hier in onze plaats zijn er meerdere therapeuten die al jaren gelukkig samenleven met hun ex-cliënt’ (Productie 24). Het is dus niet alleen zo dat verweerder niet duidelijk maakte dat er sprake was van GOG en dat hij achterwege liet klaagster te helpen te beseffen waarin zij zich bevond, maar hij keurde F.F.s gedrag zelfs goed, legde de volledige schuld bij haar neer, ontkende het feit dat klaagster in grote mate leed onder de misbruikrelatie en ging op geen enkele manier op de problematiek in. Hij beweerde van alles het tegendeel dat in professionele zin aanvaardbaar zou zijn, bood zodoende geen enkele steun maar schepte verwarring en zorgde ervoor dat de gevoelens van schuld van kaagster nog verder groeiden terwijl het juist nodig was haar duidelijk te maken dat zij zich niet verwijtbaar had gedragen. F.F. kan dit overigens bevestigen. Hij verbaasde zich toen namelijk zeer over het feit dat zijn collega het voor hem opnam en klaagster beschuldigde en zeer agressief bejegende. F.F. maakte klaagster in aansluiting aan de sessie op 19 december 2000 en na de sessie van 15 januari 2001 mee en werd getuige van het lijden van klaagster onder hetgeen verweerder haar had aangedaan. F.F. twijfelde geen moment aan hetgeen klaagster erover berichtte en maakte mee hoe pijnlijk en beangstigend het voor klaagster was zomaar eruit te zijn gegooid. Hij begreep geenszins hoe verweerder dit heeft kunnen doen, vooral omdat hij uit langdurige therapie-ervaring met haar wist dat klaagster zich niet op een verwijtbare manier gedragen kon hebben die tot de woede-uitbarsting van verweerder geleid kon hebben. De verwarring die verweerder stichtte leidde zelfs ertoe dat klaagster niet kon geloven wat er was gebeurd want het maakte allemaal geen zin. Dus, dacht zij eventjes zelfs dat verweerder dergelijke confronterende, onethische opmerkingen plaatste met een therapeutisch doel, namelijk dat klaagster door een soort schrikreactie eindelijk zou beseffen dat zij werd misbruikt. Heel even hoopte klaagster dat het om een soort schoktherapie moest gaan. Dit was nog de meest logische en prettige gedachte in het verwarrende, pijnlijke geheel. Zij schreef in verdriet, niet begrijpend wat er gebeurde en bezorgd b.v. aan psychiater O. ‘Wat ik hoop, maar ik ben er niet erg optimistisch over, is dat zijn beweringen een grap waren, een therapeutisch doel moesten dienen, dat, mij ook voor de rest nog uit die kooi te krijgen, gevoelens bij me los te maken, belachelijke dingen gaan zeggen zodat ik er tegenin zou gaan… maar ondertussen heb ik bijna geen hoop meer dat dit zijn intentie was en denk ik eerder dat een absoluut niet begrijpen van het geheel de reden is’. (productie 24)  Uit de navolgende productie blijkt nog duidelijker wat klaagster heeft meegemaakt ‘in therapie’ bij verweerder en wat zij voelde en dacht toen zij de brieven van verweerder (producties 2 & 3) vele maanden nadat haar huisarts die had ontvangen, onder ogen kreeg (productie 25). Het is evenmin correct te beweren dat klaagster zelf heel helder besefte dat het niet kon en dat is ook hoogst onwaarschijnlijk. Dit was nu juist de hulpvraag! Klaagster was in de beginnende fase van besef toen zij bij verweerder aanklopte’. Als verweerder schrijft “dat het volkomen duidelijk moet zijn geweest dat ik het gedrag van de collega afkeurde” is dat zijn gedachte, maar hij baseert dat nergens op. Hij heeft verzuimd dit te verifiëren. Bovendien kan het nooit kwaad maar eens heel duidelijk te zijn bij iemand die volgens hem niet door zou hebben gehad dat er geen sprake van reguliere therapie zou zijn. Het was niet duidelijk, en sterker nog, verweerder heeft dat gedrag zelfs vergoelijkt. Voor informatie over het gedrag van verweerder tijdens de sessie van 19 december 2000 verwijst klaagster naar de producties 33 en 35, voor het op 15 januari 2001 ter zitting gebeurde verwijst klaagster naar de producties 32 en 34.

Geen behandeling in de zin van de code

Zoals mw. C stelde, was het bieden van structuur juist essentieel voor klaagster (producties 4 & 5). Het was naar klaagsters eigen inzicht en ook volgens de deskundige niet therapeutisch om te zien of klaagster ook ongestructureerde situaties aan kon. Klaagsters hele leven was veranderd in een en al structuurloosheid door het misbruik dat verweerders collega pleegde. Binnen therapie was het niet wenselijk om verdere structuurloosheid te moeten ondergaan maar juist om vanuit een gestructureerd behandelcontact weer wat meer structuur in het leven aan te kunnen brengen. Verweerder gaf helemaal geen structuur en er was geen reden om te zien of klaagster iets minder structuur wel aan kon, laat staan dat het medisch verantwoord zou zijn. Verweerder spreekt zichzelf ook tegen door nu te zeggen dat hij wilde zien of klaagster ook ongestructureerde situaties aankon. Enerzijds stelt hij dat hij een dagopname voor zou hebben gesteld die juist voor meer structuur zou zorgen – die hij dus blijkbaar nodig achtte. Anderzijds lijkt hij klaagster zo gestructureerd te hebben gevonden dat het hem zinvol leek om te testen of zij ook met ongestructureerde situaties om kon gaan. Het is in deze of het een of het ander. Waar is dat klaagster zeker structuur behoefde maar niet in een mate zoals die door een dagkliniek wordt geboden. Dat klaagster gedurende de jaren volgend op verweerders behandeling baat had bij gestructureerde, ambulante zorg, toont het eerder genoemde aan. De opmerking dat verweerder niet van het stellen van vragen houdt heeft hij onjuist geïnterpreteerd. Het was niet de bedoeling om te zeggen dat hij niet van het stellen van vragen houdt maar dat hij problemen ermee had dat klaagster zich binnen de therapie hardop vragen stelde. Vragen aan klaagsters kant die erop gericht waren tot meer besef te kunnen komen werden in het bijzonder niet op prijs gesteld want het was niet verweerders bedoeling dat klaagster meer en meer ging beseffen dat zij zeer waarschijnlijk door F.F. werd misbruikt. Op pogingen tot meer besef te komen hetgeen dus juist therapeutisch was, reageerde verweerder tot en met uiterst vijandig.

Geen vrijwillige en weloverwogen toestemming voor de doorverwijzing en/of opvragen informatie bij collegae

Verweerder gaat voorbij aan de achterliggende angst voor het onderzoek door mevrouw C, namelijk dat de therapeut, die toen nog steeds met haar naar bed ging, stage had gelopen bij haar. Voor klaagster was het zeer confronterend met het probleem ´grensoverschrijdend gedrag door F.F.´ naar een professional toe te moeten gaan bij wie F.F. een deel van zijn opleiding had gevolgd. Met F.F.s hedendaagse privé-leven in aanraking te zijn gekomen was al buitengewoon confronterend. Voor klaagster was het erg moeilijk ook nog iemand uit zijn verleden te ontmoeten. Als het klaagster al niet duidelijk zou zijn geweest of er nu wel of geen reguliere therapie zou worden gegeven, kan er geen duidelijkheid zijn geweest over de mate van vrijwilligheid van instemmen met het onderzoek door mevrouw C. Het contact hoort zo goed te zijn dat de cliënt in alle vertrouwen zijn bezwaren op tafel kan leggen. Dat klaagster geen blindelings vertrouwen stelde in welke therapeut dan ook, mag gelet op de situatie waarin zij zat, geen verbazing wekken. Verweerder ontkent niet dat hij op een bepalende, dwingende manier aan het werk was waardoor klaagster niet verder durfde vragen. Dat is ook niet de voorgeschreven manier om problemen te verhelderen.

Verweerder heeft diverse malen zonder instemming van klaagster informatie over haar ingewonnen (via een collega binnen intervisie uit G. en via een collega binnen intervisie via J). Tevens heeft hij zonder haar ervan in kennis te stellen informatie aan haar huisarts gezonden. De informatie die hij ontving deelde hij niet met klaagster waardoor hij de informatie niet verifieerde. Daardoor gebruikte verweerder incorrecte informatie die hij uiteindelijk ook nog tegen haar gebruikte. Dat de informatie die via via afkomstig was uit G. had klaagster b.v. door productie 16 kunnen aantonen en uitleggen. Echter, verweerder won achter klaagsters rug informatie in en durfde die dan ook niet te verifiëren want hij was aan de informatie immers niet via een correcte weg gekomen. Door zonder weten en instemming van klaagster informatie over haar in te winnen en te verspreiden, nota bene incorrecte informatie en naar de huisarts toe zelfs opzettelijk foutieve informatie, heeft verweerder klaagsters vertrouwen in grote mate geschonden. Dit, waarbij hij wist dat klaagsters vertrouwen door het misbruik dat zijn voorganger pleegde al sterk was beschadigd.

Handelen in strijd met ingewonnen advies

Verweerder erkent te hebben gehandeld in strijd met het advies van de deskundige C om een structuur biedend gesprekscontact te hebben. Hij heeft ook niet met klaagster gesproken over deze wijze van aanpak, nu hij verzuimd heeft een behandelplan op te stellen. Het is geenszins zo dat klaagster niet weet wat zij met het testonderzoek aan moet. Feit is dat zij door degene werd onderzocht die degene die haar toen misbruikte deels had opgeleid. Dit was buitengewoon confronterend waardoor klaagster tijdens het onderzoek weinig aandacht voor het onderzoek zelf had en buitengewoon gespannen was. Deelname aan een psychologisch onderzoek heeft klaagster overigens nog nooit angst of spanning bezorgd. In tegendeel: klaagster ervaart het juist als boeiend en had nog nooit problemen meer over zichzelf te mogen leren. Aan de dagklinische opname in het AMC ging een uitgebreid psychologisch onderzoek vooraf. Bij beëindiging van de therapie mogen cliënten als zij dat willen nogmaals een onderzoek doen om te zien of er veranderingen zijn. Dit is niet verplicht. Klaagster verzocht eraan deel te mogen nemen omdat het haar zowel voor zichzelf als ook voor het behandelinstituut belangrijk leek om te zien over er veranderingen te constateren zouden zijn. Het onderzoek heeft klaagster dan ook geenszins als belastend of beangstigend ervaren. Omwille van het feit dat klaagster tijdens het doen van het psychologisch onderzoek bij mw. C om eerder genoemde reden wel buitengewoon nerveus en bang was en zich daardoor ook niet kon concentreren op het onderzoek zorgde er uiteraard voor dat klaagster veel angstiger overkwam dan zij gebruikelijk is en die sterk verhoogde angst zal in bepaalde schalen van de MMPI met zekerheid een weerslag vinden die dus niet terecht is. Dat betekent niet dat er niet ook kloppende conclusies uit het onderzoek zijn gekomen, waarbij het vooral om schalen zal gaan die niet door een verhoogd niveau van angst beïnvloedt zullen worden. Om ook aandacht te besteden aan het door verweerder geplaatste vraagteken tussen haakjes: inderdaad, die diagnose bevalt klaagster niet. En dan wel niet omdat het de hare is maar juist omdat dat niet het geval is en alle door verweerder genoemde elementen simpelweg volledig misplaatst zijn in deze.

Indien het zo mocht zijn dat klaagster binnen intervisie besproken is waarvoor men haar nooit om toestemming vroeg noch kenbaar maakte dat die gesprekken plaatsvonden, dient er vooral mee rekening gehouden te worden dat geen van verweerders directe collegae klaagster toen ooit persoonlijk had ontmoet of gesproken. Zijn collegae konden dus niet anders dan op verweerders woorden afgaan. Klaagster toont in dit stuk aan dat verweerder al op veel punten en naar diverse mensen toe niet de waarheid heeft gesproken. Gezien het feit dat verweerder een diagnose stelde die geenszins bij de persoonlijkheid van klaagster aansluit en ook nooit door een andere professional werd gesteld, is het niet zo moeilijk om te bedenken hoe verweerder klaagster naar zijn collegae toe moet hebben gepresenteerd. Indien zijn collegae op zijn oordeel vertrouwden is het nogal begrijpelijk dat zij toestemden wat betreft een dagopname. Zij oordeelden echter over een beeld dat verweerder van klaagster schetste en klaagster toonde elders in dit stuk aan dat verweerder die beeldvorming opzettelijk en dan wel zeer negatief beïnvloedde.

Gesprekken niet deskundig en zorgvuldig

Het advies om zich niet aan te stellen past inderdaad niet in het vocabulaire van een geregistreerde psychotherapeut. Omdat er nogal veel opmerkingen en gedragingen van verweerder absoluut niet passen in het vocabulaire en gedragspatroon dat men van een BIG geregistreerde psychotherapeut en gz-psycholoog mag verwachten, heeft klaagster ook een klacht ingediend. Van acting-out-gedrag heeft klaagster maar zeer weinig last als er überhaupt sprake van kan zijn. Ook was het nooit een probleem voor klaagster om haar eigen aandeel niet te kunnen zien. Het tegendeel is zelfs het geval. Er zijn cliënten die juist alsmaar weer alle schuld en verantwoordelijkheid bij zichzelf zoeken en neerleggen, een eigenschap die voor deze cliënten en ook klaagster juist tot problemen kan leiden. Indien het overmatige nemen van verantwoordelijkheid ook nog eens wordt ondersteund doordat een hulpverlener precies het tegengestelde ziet en dus nog meer van hetgeen wil creëren waarvan er al teveel is, zal die behandeling negatieve consequenties hebben. Wat betreft ´voldoende verantwoordelijkheid ten opzichte van anderen´ verwijst klaagster ook weer naar mw. C die dit inderdaad correct constateerde (producties 4 & 5). Probleem was juist dat verweerder niet klaagsters problemen aan haar voorlegde maar die zoals voorgelegd door klaagster niet wilde erkennen noch herkende. De essentie, het trauma, werd door verweerder niet eens zijdelings geconstateerd, laat staan in enige vorm behandeld. Verweerder probeert zich herhaaldelijk te verschuilen achter ´dat kan ik niet gezegd of gedaan hebben want een psychotherapeut doet zoiets niet´, concludeert dan dat klaagster dus niet de waarheid spreekt en meent hiermee iets aan te tonen. Een professionele psychotherapeut beschuldigt het slachtoffer van seksueel misbruik door een collega inderdaad niet. Wel is het een bekend feit (productie 10) dat de zogenaamde ´blame the victim attitude´ door gebrek aan kennis en/of onjuiste attitude vooral binnen vervolgtherapieën na GOG voorkomt. Bij de behandeling van een cliënte die met grote hoeveelheden schuldgevoelens zit ten aanzien van het GOG door een professional, onterechte schuldgevoelens, is het niet therapeutisch om een therapie te richten op het zoeken van een eigen aandeel van de cliënt in het geheel. In eerste instantie, en die fase is veelal langdurig, dient het slachtoffer te beseffen dat het misbruikt werd, dient dat te leren accepteren en dient de verantwoordelijkheid beetje bij beetje te leren daar neer te leggen waar die hoort. In een later stadium kan worden uitgezocht hoe het mogelijk was dat het misbruik kon plaats vinden, c.q. naar elementen gezocht worden in het geheel die in de toekomst hopelijk kunnen helpen voorkomen dat dergelijks zich kan herhalen. Het zoeken van eigen aandeel in het geheel bij seksueel misbruik, en daarvoor klopte klaagster bij verweerder aan, kan binnen deze setting niet als therapeutisch beschouwd worden. Het zou nog maanden duren voordat klaagster werkelijk zou beseffen dat zij door F.F. werd misbruikt en dan duurde het nog verdere maanden alvorens zich uit het misbruik los te maken. De therapie van klaagster diende zich te richten op bevordering van ontwikkeling van meer besef hetgeen o.a. door psycho-educatie bereikt kan worden. Ook was het belangrijk geweest aan klaagster enige steun te bieden door haar enige erkenning te geven in plaats van zelfs het tegendeel te doen. Uiteindelijk behoefde klaagster steun bij het zich losmaken uit het misbruik. Verweerder stelde juist alles in werking om haar juist in het misbruik te houden. Dit deed hij o.a. door steeds het tegengestelde te verwoorden van hetgeen beroepsethische codes en vakliteratuur uitdrukkelijk verhalen. Het is dan ook niet therapeutisch dat verweerder de term overdrachten nooit ter sprake heeft gebracht wat hij toegeeft. Uitleg over het fenomeen en mechanisme van overdrachten was zelfs essentieel geweest, juist meteen aan het begin als een cliënt met deze problematiek voor hulp aanklopt. Klaagster was namelijk niet verliefd op F.F. maar dacht dat te zijn. Zij had er geen besef van dat zij gevoelens van vroeger die zij voor een ouderfiguur voelde op haar therapeut overdroeg en dus helemaal niet verliefd was op de persoon van haar therapeut. Verweerder liet klaagster in het geloof dat zij verliefd was en over die ´verliefdheid´ werd dan ook gesproken – helaas niet op enige manier die voor een slachtoffer van GOG verhelderend zou kunnen zijn maar juist op een manier die nog extra verwarde binnen een situatie die al zeer verwarrend was. In het bijzonder stuitend is het dat verweerder als psychoanalyticus een dergelijk onprofessionele houding erop nahoudt wat betreft het belang van bespreking van en uitleg over het fenomeen overdrachten en tegenoverdrachten. Overdrachten vormen een essentieel instrument voor de psychotherapeut hetgeen in het bijzonder voor psychoanalytisch geschoolde professionals geldt. De problematiek GOG door een professional is bovendien bij uitstek een probleem dat erom vraagt vooral in het kader van gevoelens van overdrachten bekeken en geïnterpreteerd te worden. Voor wat betreft verifiëring van het gestelde over hoe professioneel therapie te geven aan een slachtoffer van GOG door een professional verwijst klaagster naar ter zake deskundigen zoals mw. drs. Nelleke Nicolaï, psychiater & psychotherapeute en mw. drs. Willeke Bezemer, psychologe & seksuologe NVVS evenals naar de vakliteratuur zodat er geen twijfel over hoeft te blijven bestaan welke aanpak in zaken GOG wel of niet therapeutisch van aard is. Klaagster zou het alleen maar begroeten als bestaande onduidelijkheid op dergelijke punten door raadpleging van deskundigen op dit gebied verhelderd zou worden. Dat verweerder nog steeds niet over de nodige vakkundigheid beschikt ten aanzien van GOG blijkt ook weer uit zijn verweer. ´Oorzaak aan is niet hetzelfde als schuld aan´. Over het algemeen is deze stelling veelal juist, in verband met GOG vallen oorzaak en verantwoordelijkheid echter veelal bij elkaar. Degene die het initiatief neemt voor seksueel contact is in rond 80% van de gevallen de professional (Becker-Fischer & Becker, 1996).

De oorzaak ligt overwegend bij de professional, de verantwoordelijkheid voor de professionele relatie ligt zelfs uitsluitend bij de professional. Het is gewoonweg stuitend wat klaagster in de brochure van verweerder moet lezen over schuldgevoelens. Terecht wordt er namelijk vermeld dat schuldgevoelens vaak een sterke en cruciale rol spelen. ´Degene die de klachten heeft (de symptoomdrager) denkt vaak het komt door mij of door mijn verleden!´ en ´Teveel schuldgevoelens kunnen helaas soms reden zijn om niet in therapie te gaan. Schuldgevoelens bespreken is gelijk aan het herbeleven ervan). De eerste stap in therapie is vaak juist de terugdringing van dit schuldgevoel door het eerst te benoemen op het moment dat het daadwerkelijk gevoeld wordt en vervolgens het een reëlere plaats geven. Immers: OORZAAK AAN IS NIET HETZELFDE ALS SCHULD AAN!´ Klaagster klopte juist met een zeer grote hoeveelheid schuldgevoelens bij verweerder aan. Aangezien die volledig ten onrechte door klaagster werden gevoeld zoals bij slachtoffers van seksueel misbruik ook bekend is, diende verweerder te stimuleren dat die misplaatste schuldgevoelens juist teruggedrongen zouden worden door hen te bespreken en een reële plaats te geven. Hij liet dit niet alleen maar na – volledig in tegenstelling tot hetgeen hij in zijn eigen brochure verwoordt – maar legde de schuld voor het ontstaan van de ´relatie´ met F.F. juist weer en weer bij klaagster neer. Daarnaast vond hij het belachelijk dat klaagster last had van wat zij later pas mocht leren ook in haar geval niets anders dan misbruik was. Verder gaf hij aan dat zij dit probleem zelf had veroorzaakt en nu ook zelf moest zien hoe zij er verder mee moest omgaan. De schuldgevoelens van klaagster alsmede een buitenproportioneel gewetensconflict waren op dat moment zo groot dat het gevaar groot was dat versterking van deze gevoelens makkelijk tot een suïcidepoging konden leiden. Hiervan diende verweerder kennis te hebben. Door GOG door een professional stijgt de suïcidaliteit in hulpzoekenden aanzienlijk. De vervolgtherapeut dient zich daarvan rekenschap te geven. `Eingangssymptome deuten darauf hin, dass sich die Untersuchungsstichprobe nicht wesentlich von durchschnittlichen Psychotherapiepatientinnen unterscheidet. Verstaerkt sind vor allem Aengste, Beziehungsprobleme, depressieve Symptome, Gefuehle von Isolierung und Einsamkeit, Misstrauen, psychosomatische Beschwerden, Selbstzweifel, sexuelle Funktionsstoerungen und Suizidideen.’ (..). ‘Besonders beunruhigend ist der Anstieg der Suizidalitaet in der Stichprobe. Viele der Patientinnen, die zovor niet unter Suizidideen litten, werden jetzt von Suizidgedanken gequaelt oder muessen sogar Suizidimpulse unterdruecken, die sie als Ich-fremd und bedrohlich erleben. Ausserdem hat ihre Verletzlichkeit und allgemeine Kraenkbarkeit zugenommen, was vermutlich sowohl auf die narzistische Verfuehrung als auch auf das verletzte Vertrauen in den Therapeuten zurueckzufuehren ist,’ (Fischer, G. & Becker-Fischer, M., ‘Sexueller Missbrauch in der Psychotherapie – was tun? Orientierungshilfen fuer Therapeuten und interessierte Patienten’, 1996: p. 54).

Het laatste gesprek op 15 januari 2001

Uit het antwoord blijkt dat verweerder van plan was om klaagster op 15 januari door te verwijzen. Dat is onjuist. Uit de afsprakenkaart die verweerder invulde blijkt ook al een vervolgafspraak op 22 januari te zijn gemaakt (productie 13). Verweerder bezit uiteraard geen kopie van de afsprakenkaart en kon met dit feit geen rekening houden toen hij de geschiedenis herschreef zoals hem dit ter verdediging in eigen belang het beste leek. Indien het stoppen van de therapie en de verwijzing al herhaaldelijk zouden zijn besproken met klaagster, zoals verweerder foutief stelt, is het de vraag waarom op het afsprakenkaartje ook al de datum van 22 januari 2001 staat vermeld. Het was namelijk geenszins verweerders bedoeling de therapie op 15 januari te beëindigen. Hij nam deze beslissing zonder enige planning en aankondiging en in grote woede pas op 15 januari. Waarschijnlijk besefte hij al dat klaagster nadat zij de buitengewone gedragingen en opmerkingen van verweerder die dag wilde bespreken, zoekend naar antwoorden voor het ongelooflijke dat was gebeurd, zelf haar therapie zou beëindigen. Verweerder kon bedenken dat klaagster het niet verder zou accepteren i.p.v. professionele hulp een ´therapie´ van verbale en psychische mishandeling te ondergaan. Door haar plotseling eruit te gooien wilde hij naar alle waarschijnlijkheid  voorkomen dat klaagster haar vertrouwen in hem op zou zeggen. Dat klaagster al lang had besloten haar therapie bij verweerder te beëindigen, blijkt uit het verslag over haar gesprek met de huisarts op 22 december 2000 (productie 26).

Verweerder stelt dat hij klaagster een dagopname zou hebben geadviseerd. Daarmee zou klaagster het niet eens zijn geweest. Dat is een volledig onjuiste voorstelling van zaken. Hij heeft naar klaagster toe nooit kenbaar gemaakt dat zij volgens hem dagbehandeling behoefde, dus kon zij het er ook niet mee oneens zijn. Sterker nog, hij vond het belachelijk dat klaagster grote problemen had met het GOG door F.F. en behandelde haar zelfs gedurende 4 maanden niet naar eigen zeggen. Klaagster kon pas eind 2001 voor het eerst kennis nemen van verweerders advies t.a.v. dagklinische opname toen zij zijn brief van 8 februari 2001 op verzoek van haar huisarts ontving. Zelf had zij die brief namelijk nooit mogen ontvangen van verweerder. Indien verweerder werkelijk meende dat behandeling binnen een ambulante setting bij klaagster niet mogelijk was, had hij haar dit ooit medegedeeld. Verweerder vond niet wat hij later stelde, namelijk dat een dagklinische opname nodig zou zijn geweest, wel benodigde hij een reden om aan haar huisarts uit te leggen waarom de therapie niet voortgezet kon worden. Verweerder moest ervan uitgaan dat klaagster het gebeurde in openheid aan haar huisarts zou vertellen. Wilde hij hetgeen ontkrachten dat klaagster aan haar huisarts had medegedeeld, moest hij hier iets op verzinnen. Klaagster kon het prima met ambulante begeleiding doen en dat is later ook gebleken. Ten onrechte is ook niet voorgesteld om daarmee te beginnen. Als het niet zou lukken kon dagopname immers altijd nog. Bovendien heeft verweerder verzuimd, als het allemaal zo helder was dat deze relatie niet kon, een plan te maken om daar orde in te scheppen. Dit klemt te meer nu noch de huisarts, noch de psychiater in het AMC dit verantwoord of nodig vonden. Therapeut K. kan dan wel verklaren (brief dd. 22 mei 2004) een dagcentrum geïndiceerd te hebben geacht, maar beschikte blijkbaar niet over alle, noch over de juiste informatie. Hij had klaagster toen ook nooit gezien of gesproken en kon slechts afgaan op hetgeen verweerder vertelde. Zoals uit deze procedure o.a. blijkt kan op hetgeen verweerder zoal stelt helaas niet zomaar vertrouwd worden. Informatie over hetgeen op 15 januari 2001 tijdens de sessie bij verweerder gebeurde, treft u tevens aan in de producties 32 en 34.

Dossier onjuist en onvolledig

Ondanks klaagsters verzoek aan uw college het complete dossier op te sturen, heeft verweerder verzuimd de volgende stukken te zenden: de behandelplanverslagen van het AMC, de resultaten van de psychologische onderzoeken van het AMC en een brief van klaagster zelf in welke overeen was gekomen dat die deel zou gaan uitmaken van de intake. Klaagster schreef die brief omdat het makkelijker en prettiger voor haar was zich eerst schriftelijk over het gebeurde te uiten. Zij zond verweerder de brief kort na de eerste sessie (Productie 27). Wel is het duidelijk waarom verweerder haar brief niet zoals hij diende te doen aan uw college zond. De informatie die de brief onthult, waaronder hetgeen hij prijsgeeft over klaagsters persoonlijkheid, denken en doen, staat namelijk overwegend haaks op hetgeen verweerder over klaagster beweert. Zo blijkt uit haar brief bovenal dat zij juist heel open was naar verweerder toe en ook dat zij het nodige vertrouwen in hem stelde. Dit, terwijl zij alle reden tot wantrouwen van een professional had, doordat zij met seksueel GOG door een collega in aanraking was gekomen. Klaagster wilde zo spoedig mogelijk met de therapie starten, in de hoop dat het dan gauw beter met haar zou gaan. Daarom was zij juist heel open en communicatief en hield zeker niets achter. Het feit dat zij al in deze brief seksuele problematiek die door het GOG door F.F. is ontstaan bespreekbaar maakt, getuigt ervan dat zij wel degelijk vertrouwen in verweerder stelde. Zij behoefde hulp en zorgde door openheid van zaken te geven juist ervoor dat haar zo goed en zo snel mogelijk kon worden geholpen. Zoveel over verweerders aantijgingen betreffend haar verzwijgen van noodzakelijke informatie en de nergens op gebaseerde conclusie van verweerder dat het moeilijk zou zijn voor klaagster een vertrouwensband aan te gaan.

De brief van klaagster dient, zoals dat bekend is voor brieven ontstaan tijdens het seksueel GOG door een hulpverlener, met de nodige zorgvuldigheid en kennis inzake GOG gelezen te worden. Klaagster bevond zich toen in afhankelijkheid, leed onder sterke gevoelens van ambiguïteit en had last van gewetensconflicten. De brief dient te worden gezien als een momentopname binnen een groot, ambigu en voor haar toen nog (oktober 2000) overwegend onduidelijk en verwarrend geheel. Zo staan er opmerkingen in de brief over F.F. die juist niet kloppen hetgeen klaagster toen echter nog niet duidelijk kon zijn. Klaagster bevond zich aan het begin van de fase die zou leiden tot het besef dat zij misbruikt werd. Pas omstreeks april/mei 2001 ontwikkelde klaagster werkelijk het besef dat zij werd misbruikt. Het besef kon zij pas ontwikkelen nadat zij niet meer door verweerder continu in verwarring over de schuldvraag en verantwoordelijkheid werd gebracht. Hiervan getuigt een groot aantal e-mails naar een e-mail supportgroep evenals naar leidinggevenden naar het AMC. De ontwikkeling van besef is erin goed te volgen waarmee ook aangetoond kan worden dat klaagster tijdens therapie bij verweerder niet over voldoende besef beschikte om de ´relatie´ misbruik te kunnen noemen hetgeen verweerder volledig ten onrechte stelt.  Klaagster kon pas tot werkelijk besef komen toen zij ook van professionals mocht vernemen dat het niet haar fout was geweest zoals verweerder haar deed geloven. Om het nodige besef te ontwikkelen is enige erkenning nodig die klaagster van verweerder nooit mocht verkrijgen. Opmerkingen van F.F. interpreteerde zij toen nog vanuit gebrekkige kennis van de gevoels- en gedachtewereld van F.F.. Bijzonder stuitend is het o.a. om in de brief aan te treffen ´Dit maar om u een voorbeeld te geven van ´niet geloofd worden´ en hoezeer dat iets nog erger kan maken, hoeveel moeite en energie het kost om ook nog daar tegenaan te vechten´ (Productie 27). Verweerder heeft al het mogelijke in werking gesteld om klaagster als zeer ernstig gestoord en ongeloofwaardig te presenteren. Dit deed hij naar de huisarts toe (productie 2) en hij vervolgt dit pad ook nu weer tijdens deze procedure. Om haar zo ongeloofwaardig mogelijk te presenteren, voorzag hij haar niet slechts opzettelijk van een diagnose die geenszins aansluit bij haar werkelijke problematiek, waarmee hij diagnostisch machtsmisbruik en dus psychologisch en emotioneel misbruik pleegde, maar hij achtte het zelfs nodig haar huisarts te adviseren haar, volledig ten onrechte, te laten opnemen in een dagkliniek. Verweerder leek het therapeutisch te vinden een cliënt die al aangaf eronder te lijden indien men haar ten onrechte niet geloofde, juist ten onrechte in dat daglicht te stellen (productie 2, verweerschrift, dossier).

Wat betreft het dossier van klaagster heeft verweerder op het klachtpunt ´onvolledigheid´ gereageerd door het dossier achteraf nog aan te vullen. Helaas neemt het saldo op de rekening 'onjuistheid' daardoor juist verder toe. De kleine, halve pagina die verweerder op verzoek van klaagster in eerste instantie bij uw college inleverde als zijnde haar dossier, werd door verweerder ondertussen aangevuld tot vijf pagina´s. Het groeien van een medisch dossier tijdens een tuchtprocedure is op zich al opmerkelijk. Helaas is het dossier juist niet op punten gegroeid waar feitelijke groeimogelijkheden wenselijk en correct zouden zijn geweest. Een uitgebreide brief van klaagster die juist een essentieel onderdeel van de intakeprocedure vormt en die vooral onthullend van aard is, heeft verweerder nog steeds niet ingebracht. Ook de MMPI zoals opgesteld door het AMC heeft zich nog niet tot de dossierinhoud gevoegd en wacht blijkbaar op een verdere uitnodiging. Opvallend is: juist verweerder die klaagster volledig ten onrechte verweet in het verleden het resultaat van het psychologisch onderzoek waaraan klaagster zich volgens hem ´weifelend zou hebben onderworpen´ en ´dat zij veel later inleverde!?´ (productie 2), is degene die deze stukken, en dan wel aantoonbaar, al voor de tweede keer achterhoudt, ondanks klaagsters herhaaldelijk verzoek haar volledige dossier aan het college ter beschikking te stellen. Van hetgeen verweerder daarentegen juist wel achteraf aanvulde – in lijn met de rode draad van verweerders herschrijving van de geschiedenis – moet klaagster vaststellen dat het gaat om een aanvulling die, zoals het hele eerdere betoog van verweerder, voor een overgroot deel volledig verzonnen is. Het gaat dus te ver om onwaarheid voor onwaarheid toe te lichten. Klaagster zal zich daarom beperken tot een paar opmerkingen uit en over haar ´vers uit de pers dossier´.

Onder het kopje ´19-10-2000´ staat opnieuw incorrect vermeld dat F.F. tijdens klaagsters dagklinische opname een relatie met haar zou zijn aangegaan. Uit de brief van psychiater I (productie 18) blijkt dat hiervan geen sprake was. Op het bestaan van die productie wees klaagster al in haar klacht. Helaas werd per ongeluk een andere brief van I als productie meegezonden (productie 9). Opvallend is o.a. ook dat verweerder zou hebben aangegeven dat F.F. zelf hulp behoefde. Het tegendeel is namelijk het geval. Verweerders onbeheerste, vernietigende woede uitbarstingen van december 2000 en januari 2001 hadden juist voor een aanzienlijk deel te maken met het feit dat klaagster haar zorgen had geuit t.a.v. het welzijn van F.F. en de veiligheid van zijn cliënten. Klaagster gaf op tal van manieren aan dat F.F. dringend de juiste hulp behoefde. Verweerder lachte haar uit en stelde dat dit onzin zou zijn. Er was niets aan de hand met F.F.. Op klaagsters voorzichtige vraag of het niet het beste zou zijn contact met het AMC op te nemen om ervoor te zorgen dat men aandacht kon schenken aan zijn problematiek en indien nodig cliënten kon beschermen, reageerde verweerder buitengewoon vijandig en verbaal gewelddadig. Verder merkt verweerder in het dossier op dat zijn collega J wat betreft het collegiaal appél dit ´ongetwijfeld voor zijn rekening zou hebben genomen´, met de toevoeging ´dit blijkt ook later het geval te zijn´. Helaas heeft verweerder ons tot nu toe nog geen kans gegeven om dit te kunnen verifiëren. Nergens blijkt uit dat J het collegiaal appél voor zijn rekening nam. In tegendeel: klaagster toonde eerder in dit stuk al aan dat dit juist niet het geval was.

Op 26 oktober 2000 tekent verweerder op dat hij niet zou weten van welke instantie en met welke gelegenheid klaagster eerder had deelgenomen aan de MMPI. Daarbij wist verweerder van klaagster van begin af aan dat zij dit in 1997 en in 1998 aan het begin en aan het einde van haar dagklinische opname heeft gedaan en beschikte hij later bovendien over de uitkomst van het psychologische onderzoek. Verweerder stelde ook nooit dat hij meende dat klaagster behandeling door een psychiater behoefde. Die noodzaak is ook nooit gebleken. Toen klaagster bij G. om een psychiater verzocht i.v.m. het afbouwen van haar medicatie werd haar verzoek zelfs afgewezen (productie 16) waaruit moge blijken dat ook deze visie van verweerder niet door collegae werd gedeeld. Voor opname in het AMC had klaagster wel een psychiater naast de gesprekken die zij met een psychotherapeute voerde. Daarbij ging het echter puur om korte gesprekken de medicatie betreffend. Ook dat instituut was dus nooit van mening dat klaagster niet voldoende baat zou hebben aan begeleiding door een psychologe. De dagklinische opname in 1997 was overigens geen voorstel van een behandelaar maar volgde op klaagsters verzoek, een voorstel dat dan door haar behandelaars werd ondersteund. Nogmaals: bijna het gehele betoog in het stuk dat verweerder klaagsters dossier noemt, betreft het herschrijven van een geschiedenis die nooit plaatsvond. Het zoeken naar opmerkingen die in lijn met het gebeurde zijn, komt gelijk aan het zoeken naar een speld in een hooiberg.

Het is dan ook zeer opmerkelijk wat verweerder tegen het einde van klaagsters dossier opmerkt: `De werkaantekeningen die relevant bleken, maken vanaf heden via dit verslag integraal onderdeel uit van het dossier. De irrelevante werkaantekeningen zijn na het opstellen van dit verslag vernietigd.´ Volgens klaagster is het niet aan verweerder om wat dan ook ongevraagd en zonder haar toestemming uit haar dossier te vernietigen en handelde hij ook hier weer in strijd met de binnen zijn vak geldende regels. Opvallend op zich is ook de term ´irrelevante werkaantekeningen´. Waarom zou een professioneel werkende psychotherapeut immers irrelevante aantekeningen maken? Uit zijn woorden kan worden opgemaakt dat de werkaantekeningen die hij relevant achtte dus nog wel in zijn bezit zijn. Aan verweerder dan ook het verzoek die aantekeningen alsnog in deze procedure in te brengen. Aangezien klaagster weet dat het overgrote deel van haar ´dossier´ een herschrijving van de geschiedenis door verweerder betreft, is het namelijk niet mogelijk dat dergelijke aantekeningen überhaupt ooit hebben bestaan. Op het moment dat de geschiedenis speelde immers was het niet mogelijk dat toen al een herschrijving plaatsvond. De noodzaak de feiten te manipuleren bleek voor verweerder immers pas op het moment dat hij zich geconfronteerd zag met een tuchtrechtelijke procedure. Zoals verweerder klaagsters huisarts opzettelijk foutief inlichtte in zijn brief van 8 februari 2001 (productie 3) en zoals hij jarenlang het lidmaatschap van de H. [beroepsvereniging] ten onrechte op zijn briefpapier zette (producties 2, 3 & 36 in combinatie met productie 28), zo heeft verweerder ook nu weer bij de uitbreiding van klaagsters dossier manipulatie aangewend om aan de geschiedenis de door hem benodigde draai te geven. Verweerder declareerde overigens ten onrechte 10 zittingen aan klaagster (productie 11) aangezien het behandelcontact slechts 8 zittingen omvatte zoals verweerder correct stelt in zijn verweer. Aangezien hij ten onrechte eigen bijdragen van klaagster rekende, dient ervan uit te worden gegaan dat hij ook klaagsters ziekenfonds, Zorg en Zekerheid, twee sessies teveel in rekening heeft gebracht aangezien het aantal eigen bijdrages gebruikelijker wijze gelijk komt aan het aantal bij het ziekenfonds ingediende sessies. Het gaat hierbij niet om een administratieve fout of vergissing maar om opzet. Verweerder dwong klaagster in feite aan het psychologisch onderzoek bij mw. C deel te nemen. Klaagster achtte het niet nodig aangezien er nog een tamelijk recentelijk onderzoek afkomstig uit het AMC was en omdat verweerder zei dat zij het psychologisch onderzoek zou moeten betalen wat haar niet mogelijk was. Om aan het onderzoek te komen dat verweerder zo graag wilde laten uitvoeren en dit niet stuk zou lopen omwille van het feit dat klaagster dat onderzoek zelf niet kon betalen, besloot verweerder gewoon zo te doen alsof het om twee behandelsessies bij hem ging want die zou het ziekenfonds wel vergoeden. Klaagster had helaas geen keuze. Zij was door het dwingende karakter van verweerders eis bang dat hij haar op straat zou zetten terwijl zij dringend hulp behoefde. Bij deze het verzoek aan verweerder om de voor klaagsters therapie ingediende nota’s (deel niet eigen bijdrage) in kopie aan het tuchtcollege te overleggen en zodoende in deze procedure in te brengen zodat vast kan komen te staan dat verweerder niet slechts aan klaagster ten onrechte factureerde maar ook en vooral misbruik maakte van het ziekenfonds van klaagster. Het lijkt een structureel element van zijn doen en laten te zijn om voortdurend misbruik te plegen. Bevalt de geschiedenis niet, herschrijft hij haar gewoon zelf. Zoals klaagster begrijpt is het doel van een tuchtprocedure het gebeurde te achterhalen en tuchtrechtelijk te toetsen en zit men niet te wachten op een aaneenschakeling van sprookjes.

Verweerder spreekt in alle tot nu toe ingebrachte stukken bovenal en helaas bijna uitsluitend de onwaarheid, niet ter zake doend of het gebeurtenissen betreft of diagnostische opmerkingen en conclusies. Zijn stellingen onderbouwt hij overwegend niet door enige bewijsvoering waardoor zijn verhaal moeilijk en grotendeels helemaal niet te toetsen valt. Klaagster heeft diverse ernstige leugens die verweerder plaatste door middel van directe bewijslast aangetoond. Verweerder maakt gebruik van een eeuwenoude tactiek die heersenden veelal gebruikten om aanzien te verwerven en om de realiteit en hun volgelingen naar hun hand te zetten. Zwarte vlekken in de geschiedenis van volken werden veelvuldig door heersenden gecamoufleerd door de geschiedenis te herschrijven. Om te voorkomen dat het onderliggende, waar gebeurde verhaal ooit nog de kop zou opsteken en een gevaar zou vormen voor de betreffende heerser zorgde men ervoor dat alle boeken en aanwijzingen die zicht konden geven op de oorspronkelijke geschiedenis werden vernietigd. Aan uw college de vraag waarom verweerder het nodig acht een bestaande geschiedenis algeheel te herschrijven. Verweerder ging niet alleen maar tijdens het geven van de therapie uiterst onzorgvuldig te werk maar ook deze lijn zet hij voort gedurende deze procedure. Niet alle boeken die de oude geschiedenis verhalen heeft hij verbrand. Hier en daar schemeren delen van het authentieke stuk door, waarnaar klaagster op diverse plaatsen verwijst. De nieuwe geschiedschrijving in het vers-uit-de–pers-dossier oftewel fakedossier dat verweerder nog even snel in elkaar zette nadat klaagster al had geklaagd over zijn buitengewoon summiere dossiervoering die bestond uit nog geen halve pagina aantekeningen over de hele behandelperiode (en dat bij een dusdanig ernstige problematiek van klaagster die verweerder creëerde in lijn met de nieuwe geschiedschrijving), tekent verweerder met ´In de hoop met bovenstaand naar waarheid opgestelde verslag mijn standpunt in deze zaak duidelijk uiteen te hebben gezet,…´.. Verweerder is alsmaar bezig de geschiedenis naar zijn hand te zetten, maakte daarbij misbruik van zijn vakkennis en pleegde dus diagnostisch misbruik. De vraag is het, waarom. Verweerder heeft het vertrouwen van klaagster in diverse opzichten sterk beschadigd en gaat ook tijdens deze procedure op dezelfde voet door. Verweerder misbruikt het vertrouwen dat mensen in hem als professional stellen en misbruikt zijn macht, positie en kennis. Hierbij is het opvallend dat het voor hem niet ertoe doet of hij misbruik maakt van een cliënt, een collega of een beroepsvereniging. Hij pleegt ook 'in alle collegialiteit' misbruik. Wel voorziet hij het collegiale machtsmisbruik dat hij pleegt van een “vriendelijke en collegiale” groet (producties 2 & 3) zodat het niet meteen opvalt. Wat betreft het thema misbruik maken van het vertrouwen dat collegae in hem stellen en het opzettelijk foutief en schriftelijk verstrekken van informatie aan diversen, verwijst klaagster ook naar hetgeen in dit stuk onder ´Lidmaatschappen´ staat. De nodige uitleg bij de brieven van de collegae L. en K. zal klaagster ter zitting geven.

Gevolgen handelwijze verweerder

Klaagster maakte elders in dit stuk al aannemelijk dat het niet juist is dat zij zich aan een voorgestelde behandeling onttrok. Uit haar brief aan verweerder die juist híj achterhield en verzweeg (productie 27), blijkt in alle kleurnuances dat klaagsters persoonlijkheid niets te maken heeft met de persoonlijkheid die verweerder in zijn opzettelijk foutief gestelde, psychofictionele ‘diagnose’ schetst. Er blijkt wel uit dat klaagster met schuldgevoelens kampte, nog maar aan het begin van haar traumatiserende ontdekkingsreis richting besef was. Er blijkt niet uit dat zij een schuldige zocht. Zij zocht professionele, ethisch correcte antwoorden op een steeds groter wordend aantal vragen. Zij zocht terecht naar antwoorden en ontving daarop van verweerder i.p.v. iets dat op een ethisch correcte attitude duidde antwoorden die meer dan slechts beschamend zijn voor zijn vak en die verwarrend en zeer beschadigend waren voor klaagster. Antwoorden die haar in het misbruik hielden omdat zij juist toedekten wat in het belang van klaagsters welzijn juist opengelegd diende te worden. Mw. C stelt o.a. dat klaagster over voldoende gerichtheid en verantwoordelijkheid ten opzichte van anderen beschikt en dat zij bij voorkeur haar problemen zelf oplost (in plaats van die uit te ageren of bij een ander neer te leggen) (producties 4 & 5). Degene die het geenszins nauw neemt met de realiteit is juist verweerder zoals uit dit stuk duidelijk wordt. Hij herschrijft de geschiedenis die hem niet beviel omdat hij haar aan uw college moeilijk kon verkopen zoals hij haar door eigen gedrag en uitingen zelf in de praktijk eerder had ‘geschreven’. Verweerder noemt dit ‘de werkelijkheid naar eigen hand zetten’ zelf een pre-psychotische sign. Dat sing hoort in ieder geval niet bij de persoonlijkheid van klaagster die de werkelijkheid namelijk niet naar haar hand zette en er ook geen enkele reden toe had en heeft. Klaagster heeft er juist belang bij dat de waarheid en dan wel de hele waarheid aan het licht komt hetgeen de reden is waarom zij deze klacht indient in de hoop dat andere cliënten tenminste in de toekomst beschermd zullen kunnen worden voor o.a. mishandeling die verweerder als behandeling verkoopt. Het is meer dan grievend dat verweerder klaagster ervan beschuldigt al 3 ½ jaar bezig te zijn zijn goede naam proberen te benadelen. Klaagster kwam die goede naam helaas nog niet tegen in het veld, in tegendeel. En klaagster heeft met de privacy van verweerder rekening gehouden en wijst dergelijke insinuaties dan ook van de hand. Dat verweerder met zekerheid niet naar beste eer en geweten heeft gehandeld, zal uiterlijk aan het einde van dit stuk duidelijk zijn. Wellicht wil verweerder ter zitting uitleggen wat volgens hem een geweten is en hoe het voelt als een geweten in conflict raakt. Klaagster is benieuwd naar verweerders definitie want in al zijn doen en laten ontbrak het juist volledig aan eer en geweten. Kwaliteit en zorg staan bij verweerder zeker niet voorop. In het geval van klaagster waren kwaliteit en zorg niet eens een bijkomstig doel.

Interessant is ook de mutatie die verweerder in de nieuwe versie van klaagsters dossier aanbrengt.

Opvallend aan het dossier van klaagster is verder: bijna de gehele inhoud van wat ‘haar’ dossier moet zijn, is verzonnen door verweerder. Klaagster ging alleen op een paar punten in omdat het verdere grote aantallen pagina’s zou kosten om alle onwaarheden uiteen te rafelen. Opmerkelijker wijze heeft klaagster iets in haar dossier aangetroffen dat met grote waarschijnlijkheid waar is: ‘Het dossier van [klaagster] staat in de dossierkast over het jaar 2000 (aanmeldingsjaar). Het dossier bevat geen rood kruisje (verbod op collegiaal overleg), zoals voorkomt bij Bekende Nederlanders.’ Klaagster begrijpt niet wat dit stuk over andere cliënten in haar dossier te zoeken heeft. Alles wat over klaagster zou moeten gaan is onjuist in het dossier, wat waar blijkt te zijn betreft juist andere cliënten. Verweerder meent door middel van een verhaal over het ontbreken van een rood kruisje op een map in een dossierkast te kunnen aantonen dat klaagster instemming verleende? Klaagster vindt de manier waarop verweerder iets meent aan te tonen buitengewoon vreemd want hij loopt zijn doel mis door in zijn pogingen bewijs te leveren niets aan te tonen. Maar de essentie van dit waarschijnlijk kloppende stuk over Bekende Nederlanders in klaagsters dossier zal wel, evenals de brief van collega L ertoe moeten dienen om een goede indruk te maken bij het tuchtcollege. Zelfs het dossier van klaagster misbruikt verweerder voor doeleinden waarvoor het niet is bestemd.

 

Lidmaatschappen

Verweerder geeft toe dat hij ten onrechte en dan wel jarenlang het lidmaatschap bij de H. [beroepsvereniging] op zijn briefpapier heeft vermeld. Hiermee heeft hij zowel cliënten, collegae als ook instanties misleid. Dit misleiden heeft o.a. erin geresulteerd dat klaagster zich in goede handen waande bij verweerder. Het aantal titels dat verweerder binnen de GGZ voert is bovengemiddeld. Het aantal lidmaatschappen bij beroepsverenigingen is met het aantal van zeven buitengewoon hoog. Verweerder merkt op dat het hier niet om valsheid in geschrifte zou gaan maar om een misverstand aan zijn kant en om een administratieve fout bij de H.. Toen klaagster de H. benaderde, heeft men, verbijsterd van hetgeen bleek, archiefonderzoek gedaan waarna klaagster werd teruggebeld. Ook door en na dit onderzoek is niet gebleken dat verweerder ooit lid van de H. is geweest (productie 28). Zoals zo vaak poneert verweerder stellingen die hij dan verder niet aantoont en blijkbaar ook meent niet aan te moeten tonen. Als men zijn verweer erop naleest komt zijn bewijsvoering namelijk regelmatig neer op ´ik ben een professionele psychotherapeut. Een professionele therapeut zou zoiets nooit zeggen of doen. Daarom is het ook niet mogelijk dat ik dat heb gezegd/gedaan. Dus: klaagster verdraait, verzint, liegt etc.´ Dergelijke redeneringen van verweerder houden geen stand, zijn in juridisch opzicht irrelevant en roepen vragen op. Verweerder meent dat men zomaar op zijn woord dient te vertrouwen omdat hij een professional is. Tevens geeft hij blijk ervan dat hetgeen een cliënt stelt niet serieus genomen dient te worden. Door brochures als productie bij zijn betoog te voegen meent verweerder dan ook aan te tonen dat dit een bewijs zou zijn dat hij klaagster die brochures ooit heeft overhandigd. Daarbij toont hij alleen het bestaan van de brochures aan en is dit volledig irrelevant voor deze procedure. Klaagster heeft nooit ontkend dat verweerder over een brochure over zijn praktijk beschikte en had dat ook niet kunnen ontkennen omdat zij gewoonweg niet wist of zo een brochure bestond aangezien zij een dergelijk exemplaar niet voor ontvangst van het verweerschrift heeft mogen zien. De onderbouwing van de meeste stellingen die verweerder poneert kan in het beste geval zwak worden genoemd. Een administratieve fout van de H. heeft verweerder niet aangetoond. Klaagster daarentegen heeft door de gesprekken die zij met de secretaris evenals met de secretaresse van de H. voerde geenszins de indruk kunnen verkrijgen dat het om een administratieve fout ging.

G [GGZ instelling]

Gegevens van G. zijn volgens verweerder in het collegiaal overleg waartoe klaagster mondeling toestemming zou hebben gegeven, aan de orde geweest. Daaruit trekt verweerder de conclusie dat klaagster “essentiële gegevens heeft verzwegen”. Deze gegevens betreffen dan haar “borderline-achtige kenmerken”. Daarbij beschikte verweerder zelf over alle informatie afkomstig uit het AMC die hij op verzoek zonder enig probleem van klaagster had verkregen. Als klaagster toestemming zou hebben verleend, kon zij ook niets hebben verzwegen. Verweerder heeft haar daar niets over gevraagd. Als hij dat wel had gedaan, had zij kunnen uitleggen dat het ene contact dat er was puur ging om begeleiding bij medicatie met het oog op afbouw van de medicatie hetgeen zij graag onder begeleiding van een specialist wilde doen. Dat men bij G. ´borderline-achtige´ kenmerken vermeldde is juist. Belangrijk hierbij is het echter om te weten dat het niet om het stellen van een diagnose ging. Klaagster voerde namelijk slechts een kort gesprek met een stagiaire die niet in de positie verkeerde om een psychiatrische diagnose te stellen. Zij tekende alleen maar op wat klaagster vertelde. Klaagster stelde de stagiaire in kennis van hetgeen het AMC eerder in diagnostische termen had gesteld en was zodoende open en communicatief. Mevrouw C merkt ook op dat klaagster ´uitermate open is in haar reacties´ (productie 4). Bovendien had klaagster zowel het psychologische testonderzoek als ook de behandelplanbesprekingen uit het AMC aan verweerder ter beschikking gesteld waarin melding werd gemaakt van een persoonlijkheidsstructuur die mogelijk op borderline duidt. Later, in gesprekken tijdens de ontslagprocedure van F.F. bleek die structuur door de leiding van de dagkliniek zelfs van een vraagteken te worden voorzien. Men kwam tot het besef dat men klaagster pas nu werkelijk leerde kennen en het feit dat er sprake was van lijden aan traumata manifesteerde zich.

Daarnaast is het ook een bekend feit dat veel cliënten en patiënten tijdelijk ten onrechte met de diagnose borderline in aanraking komen. Dit fenomeen speelt bij klaagster een belangrijke rol. Mevrouw F die cliënte nu al 3 ½ jaar wekelijks ziet kon deze diagnose ook nooit bevestigen (producties 6 & 7). Verweerder verwijt klaagster niet alleen maar relevante informatie achter te hebben gehouden waarbij het om informatie ging die geenszins relevant voor hem was maar hij plaatst dit verwijt ook nog terwijl hij zelf door haar over stukken beschikte die hetzelfde verwoordden maar zelfs beter onderbouwd waren. Het aan G. gerichte verzoek om toewijzing van een psychiater voor het moment dat zij zou beginnen met het afbouwen van haar medicatie, werd niet ingewilligd en was niet relevant voor verweerder. Klaagster achtte het dan ook niet nodig dit eenmalige, korte en tot geen behandeling leidende contact met G. te noemen. Het is overigens een raadsel van wie deze informatie binnen het ´collegiaal overleg´ afkomstig was, en al helemaal waarom verweerder dat dan niet even met klaagster heeft besproken. Graag verneemt klaagster dan ook via wie en hoe verweerder aan deze informatie is gekomen die bovenal ook nog onjuist was. Een diagnose werd daar namelijk nooit gesteld en om therapeutische gesprekken heeft klaagster aldaar nooit verzocht. Immers, zij was toen in behandeling bij F.F. die echter geen arts is en de afbouw van medicatie niet mocht begeleiden. Klaagster acht het zorgwekkend dat verweerder het gewoon en bovendien professioneel acht zonder instemming van een cliënt informatie bij/via collegae op te vragen. Hij handelt hiermee in strijd met de regels aan die hij zich dient te houden.

Zoals eerder gesteld schreef verweerder aan [de collega van de huisarts] te Amstelveen dat cliënte haar dagbehandeling “in het AMC verbrak vanwege het feit dat zij een relatie gestart zou zijn met haar ex-therapeut”.

Dat dit niet juist was, wordt nog eens bevestigd door psychiater I van het AMC in zijn brief van 16 januari 2003 (productie 18). Ook dit is bijzonder onzorgvuldig, want feitelijk onjuist. Bovendien plaatst dit cliënte in een onjuist daglicht. Het afbreken van een behandeling wordt als gedrag gezien dat typisch is voor personen die aan een borderline problematiek lijden. Door het plaatsen van deze leugen wilde verweerder kennelijk vernoemd element onderstrepen. Klaagster is van mening dat hij hierdoor zijn sterk vertekende visie van het gebeurde wil onderbouwen. Verweerder stelt namelijk dat klaagster woedend bij hem zou zijn weggelopen. Dit is een volledig onjuiste voorstelling van zaken. Verweerder gooide haar juist in extreme woede uit de praktijk en uit therapie (klaagster ging zelfs na de sessie van 19 december wanneer hij haar een hele sessie lang verbaal had mishandeld nog terug met het doel haar therapie, zoals het hoort, te beëindigen). Verweerder gebruikt een groot aantal onwaarheden om een fictief verhaal te creëren waarmee hij de geschiedenis probeert te herschrijven. Stukken (productie 18 & behandelplannen en resultaat psychologische test AMC) waaruit blijkt dat klaagster haar therapie in het AMC naar behoren had beëindigd, waren door deel uit te maken van haar dossier bij verweerder bekend. Op dit punt een derde keer het verzoek aan verweerder het gehele dossier van klaagster ter beschikking te stellen aan uw college. Verweerder loog dus opzettelijk over de opnameperiode evenals over het zogenaamde afbreken van haar therapie in het AMC. Opvallend is dat verweerder deze en andere stukken die feiten aantonen die niet in zijn herschreven geschiedenis passen gewoon niet heeft ingediend als zijnde een onderdeel van klaagsters dossier. Verweerder vulde in haar dossier aan wat hij nodig had en hij liet weg wat hem in de weg zat. Hij stelt b.v. dat klaagster zeer goed wist dat zij werd misbruikt. Klaagster citeert uit haar brief van oktober 2000 aan verweerder, deel uitmakend van de intakeprocedure en ondanks herhaaldelijk verzoek niet in deze procedure ingebracht: ‘Maar ik heb zelf keuzes gemaakt, willens en wetens. Ik ben geen zielig slachtoffer dat geen mening noch kracht heeft, ik ben niet afhankelijk noch had hij macht over me.’ en ‘Ik ben niet minder verantwoordelijk hiervoor’ (productie 28). Klaagster bevond zich toen een half jaar in het misbruik door F.F. en zou nog verdere 11 maanden nodig hebben alvorens uit het misbruik los te komen. Van besef getuigen de gedachten uit die tijd geenszins, in tegendeel. Ook getuigen zij niet ervan dat klaagster niet in staat zou zijn geweest haar eigen aandeel te zien terwijl verweerder stelt ‘Zij heeft nergens een besef van eigen aandeel’ (productie 2). Dat zag zij heel goed, veel te goed, namelijk zelfs ten onrechte. Keurig volgens het boekje nam zij als slachtoffer soms deels, soms algeheel de verantwoordelijkheid en schuld op zich voor hetgeen men haar had aangedaan. Dit boekje heeft verweerder blijkbaar nooit gelezen. In een dossier dient feitelijke informatie te staan waarop een opvolgende collega moet kunnen vertrouwen. Verweerder heeft het dossier van klaagster bewust en in sterke mate herschreven. Het is tevens onjuist dat klaagster een relatie zou zijn gestart met haar ex-therapeut. Juist is dat haar behandelend psychotherapeut (dus geen ex-therapeut) een seksuele relatie was gestart. Het is klaagster volstrekt onduidelijk waarom verweerder zo onzorgvuldig, incorrect en uitsluitend negatief over haar schrijft en haar huisarts niet naar behoren informeert maar zelfs opzettelijk misleidde. Zoals klaagsters therapeute en de psychiater uit het AMC herkende ook haar huisarts klaagster niet in de beschrijving die verweerder in zijn brief van 8 februari 2001 gaf. Wel bleek dat de huisarts de brief van verweerder geenszins serieus nam want anders had hij klaagster a) over het bestaan van de brief geïnformeerd en b) het voorstel van verweerder betreffend de zogenaamde noodzaak van een dagklinische opname met haar op z´n minst besproken oftewel c) bij noodzaak zelfs enige actie in die richting ondernomen. In plaats daarvan stelde de huisarts toen hij eind 2001 de brieven van verweerder aan klaagster overhandigde vast dat ´de narcistische woede ervan afdruipt´. Later voegde hij er nog aan toe dat hij gedurende zijn hele carrière als arts nog nooit had meegemaakt dat een hulpverlener op een dergelijke manier over een cliënt heeft bericht.

Conclusie

Teneinde een algemene opmerking over de manier waarop verweerder klaagster toen en nu bejegent en presenteert. Bij deze wenst klaagster te refereren aan de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven van dd. 24 oktober 2001 tegen de psychiater S. J. D., wonende te W. Klaagster voegt deze uitspraak als jurisprudentie in de bijlage toe (productie 29). 

Klaagster wenst eveneens te klagen over het tekortschieten van verweerder in de bejegening van klaagster. Hiervan was in nogal extreme mate sprake tijdens de sessies van verweerder en er is helaas wederom sprake van binnen deze schriftelijke procedure waarvan het verweerschrift getuigt. Verweerder behandelde en behandelt klaagster zonder enig respect, intimideert, brengt bijna uitsluitend onwaarheden in de procedure in en kleineert. In de schriftstukken die verweerder aan de huisarts van klaagster zond, in het bijzonder in de brief van 8 februari 2001, geeft verweerder eveneens blijk van onbehoorlijk, respectloos en onprofessioneel gedrag. Verweerder presenteerde klaagster zijn brieven aan de huisarts op een buitengewoon en uitsluitend negatieve manier. Dit bovendien volledig ten onrechte. Opvallend is dat alle – zowel diagnostische opmerkingen als diverse andere – uitsluitend en sterk negatief zijn gekleurd. Van diverse uitingen van verweerder heeft klaagster in dit stuk aangetoond dat zij volledig ten onrechte zijn geplaatst. Aan uw college de vraag waarom verweerder het nodig achtte klaagster bij haar huisarts zo negatief af te schilderen waarbij het duidelijk is dat verweerder kennis had van omstandigheden en feiten die o.a. juist het tegendeel van het door hem gestelde aantoonden. Verweerder heeft opzettelijk foutieve informatie over klaagster aan haar huisarts verstrekt. Inhoud en toonzetting van de brief acht klaagster alles behalve adequaat. De vraag aan uw college waarom verweerder dit heeft gedaan. Klaagster is van mening dat de buitengewoon negatieve beschrijving van haar persoonlijkheid door verweerder uit de correspondentie met de huisarts, haar dossier en uit de stukken van deze procedure blijkt. Verweerder bejegent klaagster nog steeds niet zoals van een professional mag worden verwacht. Verweerder heeft noch tijdens behandeling in contact met klaagsters huisarts, noch nu tijdens deze procedure objectieve bevindingen gedaan. Zijn verhaal bestaat overwegend uit een groot aantal onwaarheden. De meeste van zijn stellingen onderbouwt hij niet door middel van enig bewijs. Sterker nog, hij beroept zich op het feit dat diverse uitingen die hij tijdens de therapie naar klaagster toe heeft gedaan niet waar zouden kunnen zijn omdat hij een psychotherapeut is en omdat een professionele psychotherapeut dergelijke uitingen zoals klaagster die aan uw college mededeelde, niet zou doen.

Een professionele psychotherapeut legt de schuld voor seksueel misbruik door een collega inderdaad niet bij het slachtoffer neer en zou nooit reclame gaan maken voor seksueel GOG binnen een behandelrelatie. Verweerder heeft dit echter wel gedaan en is door zijn uitingen en gedrag ver buiten zijn boekje gegaan. Over het algemeen heeft het stellen van een diagnose tot doel dat zij een basis vormt voor een mogelijke behandeling aan die een cliënt baat zou kunnen hebben. Verweerder misbruikte dit, zijn vakkennis en het vertrouwen van de huisarts van klaagster om een diagnose te creëren die niet tot doel had klaagster tot enige steun te zijn. In tegendeel, doel van zijn diagnose ´as-if-personality´ (producties 2, 3, 26 & 30) die zoals uit zijn correspondentie aan de huisarts blijkt, o.a. inhoudende: dominant magische belevingswereld, diffuse angsten, wisselend verstoorde reality-testing, borderline structuur, paranoïde gedachtegoed, depersonalisatie, enorme kwantiteiten woede en zelfs pre-psychotische woede, gebrek aan inzicht etc., om klaagster zo ongeloofwaardig mogelijk af te schilderen, mocht zij het GOG door F.F. ooit in de vorm van een klacht ergens neerleggen, niemand haar zou geloven. De kenmerken van de zogenaamde diagnose van klaagster wijzen allemaal in één richting en moeten aangeven dat klaagster moeite zou hebben met het maken van onderscheid tussen realiteit en fantasie. Het is de vraag waarom verweerder wilde dat men haar niet serieus zou nemen indien zij over het haar aangedane door F.F. en verweerder ooit zou gaan klagen. De elementen die verweerder voor klaagsters diagnose koos werden verder nog door hem onderbouwd door zogenaamde feiten in zijn bief aan de huisarts te noemen die echter, zoals eerder aangetoond, geen feiten maar onwaarheden zijn en waarvan tevens werd aangetoond door klaagster dat verweerder ook op de hoogte van die feiten was. De behandeling in het AMC die klaagster volgens verweerder zou hebben afgebroken blijkt nooit afgebroken te zijn en dat wist verweerder door in het bezit van de stukken te zijn geweest die dit aantonen. Door contact met de heer J, verweerders directe collega, en doordat hij diverse intervisiegesprekken over de relatie tussen F.F. en klaagster met de therapeut van F.F. zou hebben gehad, wist verweerder dat klaagster de waarheid sprak over het door F.F. gepleegde grensoverschrijdende gedrag. In zijn verweer geeft hij immers aan dat hij zijn collega vertrouwde. Dan had hij dus ook moeten weten dat hetgeen klaagster naar hem toe verhaalde correct was. Daarnaast had klaagster aan verweerder aangeboden de heer F.F. eens mee te nemen naar een sessie zodat verweerder zich zelf van het feitelijke bestaan van de ´relatie´ kon overtuigen. Dit achtte verweerder niet nodig, stelde hij. Terwijl verweerder dus al van zowel zijn cliënte als van zijn collega die hij zo zeer vertrouwde had vernomen dat de heer F.F. een seksuele relatie met klaagster onderhield, zond verweerder een brief aan klaagsters huisarts met de opmerking dat niet duidelijk zou zijn geworden of het wel allemaal waar is wat klaagster stelt (productie 2). Hij heeft klaagsters huisarts dus opzettelijk een totaal verkeerd beeld van zowel de problematiek van klaagster, de bestaande misbruikrelatie en eerdere behandelcontacten gegeven. Dit heeft hij niet gedaan om klaagster in enige vorm te helpen maar om haar als gestoord af te schilderen en te zorgen dat niemand haar zou geloven. Daarnaast heeft verweerder de huisarts eveneens opzettelijk incorrect geadviseerd door aan te geven klaagster zou ambulant niet behandelbaar zijn (ibid.). Ten eerste is gedurende de afgelopen 3 ½ jaar niet gebleken dat klaagster enige vorm van opname behoefde (zoals eerder geen professional ooit constateerde – om de dagklinische opname in het AMC heeft klaagster haar toenmalige behandelaars immers zelf verzocht). De therapeute van klaagster heeft in al die jaren nooit geuit noch overwogen of dagklinische opname nodig zou zijn. De ambulante therapie bij haar verliep juist voorspoedig (producties 6 & 7).

Een verdere stevige indicatie daarvoor dat zelfs de huisarts hetgeen verweerder op schrift had gesteld niet geloofde, is het feit dat de huisarts de brieven van verweerder nooit onder de aandacht van klaagster heeft gebracht. Pas tegen het eind van 2001 heeft klaagster – beseffend dat verweerder met zekerheid schriftelijke producties heeft vervaardigd om het gebeurde vanuit zijn ´visie´ uit te leggen – aan haar huisarts gevraagd of er correspondentie van verweerder in haar dossier aanwezig was hetgeen zij omstreeks november 2001 van haar huisarts ontving. Op 13 maart 2002 vermeldt de huisarts in de computer ‘Geeft aan erg aangeslagen te zijn door de 2e brief van [verweerder]’ (productie 30). De huisarts voelde zich duidelijk niet gelukkig bij het overhandigen van de stukken. In ieder geval hechtte hij geen enkele waarde aan het in de brieven door verweerder verhaalde. Indien de noodzaak of wenselijkheid voor opname zou hebben bestaan, zou de huisarts de correspondentie van verweerder namelijk met klaagster hebben besproken ten einde te zien wat met het advies van verweerder te doen. Immers, verweerder had gesteld dat dagklinische of klinische opname nodig zouden zijn! Dat de huisarts van klaagster dit advies niet serieus nam blijkt uit het feit dat hij het niet eens nodig achtte klaagster te informeren over het bestaan en over de inhoud van de brief van verweerder. Uit de uitdraai van consulten bij de huisarts (producties 26 & 30) blijkt dat een dergelijk gesprek nooit heeft plaatsgevonden. Later gaf de huisarts naar klaagster toe aan dat ´de narcistische woede van de brief van 8 februari 2001 ervan afdroop´. Tevens bekende hij later dat hij nog nooit eerder tijdens zijn carrière een dergelijke brief van een professional over een cliënt heeft ontvangen. Bovendien beschikte de huisarts over diverse stukken afkomstig van diverse professionals die qua diagnostiek grotendeels niet aansloten bij het door verweerder gestelde. Zo beschikte de huisarts ook over een ontslagbrief uit het AMC waardoor hij dus wist dat de beschuldiging van verweerder dat klaagster haar therapie niet op een gebruikelijke manier zou hebben beëindigd, niet klopte. Verder heeft de huisarts de woorden van klaagster vanaf het eerste moment dat zij over haar ´relatie´ met F.F. berichtte en aangaf moeite te hebben de relatie te beëindigen, ook nooit in twijfel getrokken. Dit blijkt o.a. uit diverse stukken afkomstig van de huisarts (producties 26 & 30).

De vraag die klaagster aan het college o.a. verzoekt te beantwoorden is waarom verweerder haar dusdanig incorrect en buitengewoon negatief naar de huisarts toe heeft afgeschilderd en waarom hij haar opgenomen wilde zien in de psychiatrie terwijl daarvoor geen enkele reden bestond. Tevens wordt door het feit dat kort nadat verweerder klaagster plotseling en op een zeer agressieve manier uit de praktijk heeft gegooid, met de woorden dat zij niet te helpen zou zijn, de vraag opgeroepen hoe het mogelijk is dat verweerder van mening kon zijn dat klaagster binnen een ambulante setting niet te helpen zou zijn terwijl mw. F er ca. drie weken later zeer wel in slaagde een ambulante, zinvolle en succesvolle therapie aan klaagster te kunnen bieden. In maart en later heeft psychiater I van het AMC diverse gesprekken met klaagster gevoerd. Ook hij geeft aan dat van wenselijkheid of noodzaak van en psychiatrische opname geen sprake was (productie 18). Waarom wilde verweerder klaagster zo graag in de psychiatrie opgesloten zien en dan wel met een diagnose die een ieder ertoe zou manen de nodige voorzichtigheid m.b.t. het schenken van geloof aan klaagsters verhalen in acht te nemen? Wat betreft de geloofwaardigheid van klaagster verwijst zij graag naar de brief van psychiater N die klaagster zowel voor als na haar dagklinische opname regelmatig zag. Psychiater N stelt dat hij nooit enige reden had te gaan twijfelen aan de woorden van klaagster: `In het behandelcontact met [klaagster] is nooit aanleiding geweest te twijfelen aan de waarheid van haar verhalen´ (productie 31). Daarnaast verwijst klaagster ook naar de eerder door het RTC Amsterdam behandelde zaak betreffend seksueel GOG door psychotherapeut F.F.. Tijdens de hele procedure was klaagster zeer goed in staat het gros van het door haar gestelde aan te tonen (de klacht (zaak nr. 02/138P) was d.m.v. 107 producties onderbouwd en er is op geen enkel punt gebleken dat klaagster niet de waarheid heeft gesproken). Gedurende de hele procedure is geen enkele keer gebleken dat klaagster onwaarheden zou hebben verteld. Ook in deze procedure zult u van klaagster geen onwaarheden, overdrijvingen of tegenstrijdigheden tegenkomen hetgeen naast al het andere dat binnen deze procedure door haar werd aangetoond op z´n minst aangeeft dat uit niets blijkt dat klaagster nu of eerder stellingen poneerde die later niet juist bleken te zijn. Helaas kan dit noch van de heer F.F. noch van verweerder gezegd worden. In beide gevallen, zo kon worden aangetoond heeft de wederpartij zich bij herhaling niet aan de feiten gehouden maar maakte zij gebruik van onwaarheden. Van hetgeen verweerder in zijn verweerschrift stelde is helaas maar een zeer beperkt gedeelte waar. Het meeste dat verweerder stelt, is helaas volledig verzonnen. Enkele voorbeelden daarvoor heeft klaagster bij deze door bewijslast aangetoond. Gezien het enorme aantal onwaarheden dat verweerder stelt is het ondoenlijk om op een ieder punt in te gaan. Het moge duidelijk zijn dat het voor een slachtoffer extra belastend en beschadigend is wanneer zij ook postuum nog met een groot aantal onwaarheden wordt geconfronteerd. Verweerders groot aantal van binnen de GGZ gevolgde opleidingen zou ervoor garant moeten staan dat hem bewust dient te zijn dat hij klaagster door te gaan liegen en door haar volledige ten onrechte zeer negatief te presenteren nog verdere schade zou berokkenen. Klaagster heeft zowel in deze als in eerdere zaak geen enkele onwaarheid geuit. In tegenstelling tot dit feit stelt verweerder volledig ten onrechte dat klaagster de realiteit zelfs geweld aan zou doen en beschadigt klaagster er nog verder door. Aan uw college de vraag hoe dit met goed hulpverlenerschap te verenigen valt en of dit een weerspiegeling kan en mag zijn van de normen en waarden en de naleving daarvan binnen de beroepsgroep van psychotherapeuten en gz-psychologen. Indien de beroepsgroep zich van dergelijke praktijken distantieert, hoopt klaagster dat uw college dit door haar uitspraak duidelijk zal aangeven.

Klaagster werd tijdens het misbruik door psychotherapeut F.F.  het slachtoffer van psychologisch en emotioneel machtsmisbruik door verweerder. Dat het maken van misbruik van zijn positie, gezag en macht verregaande invaliderende gevolgen voor haar zou hebben, diende de psychotherapeut te weten. Dit geldt des te meer voor de situatie waarin klaagster zich bevond: in een afhankelijkheidsrelatie die haar psychotherapeut door misbruik van zijn positie en macht wist te bemachtigen waarbinnen hij haar zowel seksueel, psychisch en emotioneel exploiteerde. Verweerder was goed op de hoogte van de bestaande situatie evenals van het feite dat zijn cliënte in sterkte mate onder het misbruik door zijn collega leed. Desalniettemin hield hem dat niet tegen nog meer schade te berokkenen maar koos hij ervoor nog meer misbruik van macht te gaan plegen. Dit heeft verweerder met zekerheid niet gedaan om zijn cliënte te steunen en/of te helpen. De vraag is het waarom hij dit heeft gedaan, hoe een hulpverlener in staat kan zijn dergelijks te doen en wat kan worden ondernomen om dergelijke praktijken in de toekomst te voorkomen.

In reactie op verweerders conclusie het navolgende: ´Al het door klaagster aan verweerder te laste gelegde materiaal in het schrijven van 13 mei 2004´ zou een ´volledig onjuiste gang van zaken weergeven´.  Feit is dat klaagster al het in haar repliek evenals in haar klaagschrift verwoordde naar eer en geweten op schrift heeft gezet. Daarom is zij ook bereid al het door haar gestelde zowel onder eed als door middel van belofte te herhalen. De beschuldiging van verweerder dat klaagster onjuiste opmerkingen zou hebben geplaatst ervaart zij als traumatiserend. Deze beschuldiging kan verweerder gezien het feit dat het niet waar is geenszins hard maken. De beschuldiging van aantasting van eer en goede naam, smaad, laster en het voeren van een hetze tegen verweerder kan hij eveneens niet aantonen aangezien klaagster zich aan geen van de verwijten schuldig heeft gemaakt. In plaats van het door verweerder onjuist gestelde gedaan te hebben heeft klaagster in de afgelopen 3 ½ jaar haar best gedaan het door verweerder veroorzaakte psychotrauma enigszins door te werken en te verwerken. Klaagster verwijst i.v.m. weerlegging en uitleg t.a.v. de door verweerder aan haar adres gerichte onterechte beschuldigingen naar bijlage A van dit stuk.

Indien uw college door de producties die klaagster heeft ingediend nog niet helemaal ervan overtuigd mocht zijn geraakt dat het bij de diagnose die verweerder stelde niet slechts om een in sterke mate foutief gestelde diagnose gaat maar zelfs om het opzettelijk foutief stellen van een zeer ernstige diagnose, met het doel de geloofwaardigheid van klaagster te ondermijnen en het seksuele misbruik door F.F. zodoende de hand boven het hoofd te houden, is klaagster uiteraard bereid deel te nemen aan een psychologisch c.q. psychiatrisch onderzoek dat mogelijke twijfels in deze nog kan wegnemen. De door verweerder gestelde diagnose werd niet eerder noch later door een andere hulpverlener gesteld en staat daarmee volledig op zichzelf. Uiteraard verleent klaagster aan uw college bij deze toestemming om in het kader van het onderzoek betreffend deze procedure met alle in de stukken genoemde personen en organisaties contact op te mogen nemen om een en ander zoals door klaagster gesteld te verifiëren en/of aanvullende informatie in te winnen. Als bijlage C treft u een machtiging van klaagster aan evenals een lijst met de nodige contactgegevens.

Verweerder heeft niet alleen maar het vertrouwen, de integriteit en de gezondheid van klaagster veel schade berokkend maar heeft met zijn gedrag ook de integriteit van zijn vak aangetast en de medische stand in het algemeen beschadigt.

Indien verweerders naam, aanzien en deskundigheid zo goed aangeschreven zouden staan als hij doet voorkomen, is het de vraag waarom hij het dan nodig achtte om de brief van collega L als productie bij zijn verweer te voegen. Een professioneel werkende psychotherapeut die zich correct gedraagt en wiens naam goed aangeschreven staat heeft net niet nodig d.m.v. een brief van een collega aan het tuchtcollege te laten zien dat hij een goede hulpverlener is. Ter zitting zal klaagster ook zelf een antwoord geven op bovenvermelde vraag. Verweerder stelde namelijk dat er nog nooit een klacht over hem zou zijn geweest. Die opmerking behoeft op z´n minst nuancering. Klaagster is bereid oftewel wenst hetgeen zij mede te delen heeft d.m.v. belofte en/of onder eed te verklaren. Haar verzoek aan uw college is het deze toevoeging aan het geheel aan het einde van de zitting aan bod te laten komen i.v.m. de hiermee gepaard gaande emotionele belasting. Klaagster hoopt dat uw college tegen het einde van de zitting een paar momenten hiervoor wil reserveren. Tevens behoudt klaagster zich het recht voor haar besluit in deze nog te herzien.

 

Klaagster verzoekt uw college een passende maatregel aan verweerder op te leggen en wenst de hoop te uiten dat de maatregel vooral erop gericht zal zijn dat de zorgvuldigheid, professionaliteit, kwaliteit en veiligheid die in het geval van klaagster helaas geenszins aanwezig waren, in de toekomst voor andere gebruikers van de geestelijke gezondheidszorg wel gewaarborgd zullen zijn. In deze zaak gaat het vooral om psychisch en emotioneel machtsmisbruik. Omdat er helaas nog maar weinig aandacht wordt besteedt aan deze problematiek en dit soort misbruik vaak niet of moeilijk aantoonbaar is, verzoekt klaagster uw college omwille van het algemeen belang de uitspraak in deze zaak te zijner tijd in de daarvoor aangewezen vakbladen te laten publiceren.

Wellicht ten overvloede en niet van belang voor een tuchtrechtelijk oordeel, wenst klaagster in verband met de ernst van haar verwijten erop te attenderen dat divers GOG zoals gepleegd door verweerder niet slechts in strijd lijkt te zijn met de beroepscodes van het N.I.P. en de NVP, de Wet BIG en de Wet GBO maar dat het gedrag van verweerder daarnaast ook op diverse punten in strijd met ons Wetboek van Strafrecht lijkt te zijn. Naar mening van klaagster onderstreept dit de ernst van het aan verweerder ten laste gelegde. Indien uw college met klaagster van mening mocht zijn dat diverse grensoverschrijdende gedragingen niet per ongeluk of omwille van gebrek aan kennis zijn gebeurd maar dat er opzet in het spel was, verzoekt klaagster uw college met dit element ook rekening te houden bij het opleggen van en maatregel.

Klaagster handhaaft haar klachten onverkort, en breidt deze, zoals hierboven gesteld, ook uit.

Bedankt voor uw aandacht.

Hoogachtend,

[A., klaagster]

Amstelveen, 29 september 2004

[Naam & adres klaagster]

Bijlagen:

A. Aanvulling repliek

 

Het is niet juist dat klaagster huisartsen zou hebben benaderd. Waar is dat zij zich voor het eerst in deze op 22 december 2000 tot haar eigen huisarts heeft gewend (producties 26 & 30) om het tijdens de sessie van 19 december 2000 gebeurde (producties 33 & 35) met haar huisarts te bespreken. Klaagster besefte dat voortzetting van verweerders ´therapie´ haar slechts verdere schade zou toevoegen nadat hij een heel uur lang verbaal gewelddadig is geweest. Dit was tevens de mening van diverse professionals met wie klaagster m.b.t. het onderwerp GOG contact had. Voor de goede orde en om openheid van zaken te geven deelde klaagster het gebeurde in vertrouwen aan haar huisarts mede zodat die erover geïnformeerd was wat zich had toegedragen en kennis kon nemen van het feit dat klaagster had besloten haar behandeling bij verweerder omwille van noodzaak te beëindigen en nog slechts één enkele keer, op 15 januari 2001, naar hem terug te gaan (productie 26). Zij koos ervoor nog een keer terug te gaan om antwoorden te verkrijgen op de vraag waarom verweerder tijdens de vorige sessie zo vernederend, verbaal agressief en vijandig was geweest. Nadat zij het antwoord zou hebben verkregen was zij voornemens om verweerder mede te delen dat zij verder af zou zien van zijn diensten. Klaagster heeft haar huisarts naar behoren, eerlijk, in vertrouwen ingelicht. Verweerders basis in deze voor een klacht i.v.m. smaad, laster en zelfs het voeren van een hetze is de behandelrelatie van klaagster met haar huisarts waarbinnen zij alles haar gezondheid betreffende vrijelijk moet kunnen bespreken, zeker wel als het gaat om problemen die zich binnen een behandelrelatie met een hulpverlener afspelen naar wie de huisarts haar had verwezen. 

Het is niet juist dat klaagster patiënten van verweerder zou hebben benaderd. Klaagster beschikt uiteraard niet over informatie betreffend de clientèle van verweerder en heeft geen andere cliënten van hem gesproken.

Klaagster heeft inderdaad met de Regionale Commissie Psychotherapie van de NVVP (betreffend AWBZ zaken) contact opgenomen. Zij nam contact op met de voorzitter van de commissie, de heer L, psychotherapeut te Amstelveen. Reden voor haar contactopname was het geenszins om een of ander over verweerder aan een collega te vertellen. Zij klopte bij de commissie voor informatie aan, namelijk met de vraag wat in dit geval het beste te doen. Hiervoor had zij aan de heer L voorafgaand aan een gesprek een kopie van een deel van haar oorspronkelijke tuchtklacht zoals ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam op 5 november 2002, direct in aansluiting aan de zitting tegen de heer F.F.. Om de privacy van verweerder in acht te nemen had klaagster alle namen uit het stuk verwijderd. De naam van verweerder heeft zij door ´x´ vervangen. De heer L kon uit de stukken dus geenszins opmaken om welke collega het ging. Het ging klaagster er alleen maar om een antwoord te verkrijgen op haar algemene vraag. Voor beantwoording van die vraag deed de naam van verweerder er geenszins toe. De initiaal van de familienaam van verweerder viel pas tijdens het gesprek met de heer L die, nadat hij de x-klacht had gelezen, meteen al aan het begin van het gesprek concluderend aan vraagster vroeg ´begint de naam van de betreffende met een G?´ waarop klaagster eerlijk en bevestigend antwoordde. Collega L had verweerder door de beschrijving van opmerkingen en gedrag in de stukken over x herkend omwille van hem blijkbaar bekende karaktereigenschappen, denkbeelden en gedragspatronen. Dit kon klaagster niet van te voren weten en zij heeft de naam van verweerder tijdens dat gesprek niet genoemd. Hetzelfde geldt voor de heer L. Tijdens het gesprek werd gesproken over ´hij´.

Het is waar dat klaagster enkele beroepsverenigingen heeft benaderd. Dit heeft zij niet gedaan omwille van een klacht of mededeling maar om verweerders lidmaatschap te verifiëren. Aangezien verweerder volgens zijn briefpapier lid is van 7 beroepsverenigingen en klaagster juist rekening wilde houden met het recht op privacy van verweerder, heeft zij de beroepsverenigingen gebeld met de vraag of verweerder nog steeds lid was. Immers, het briefpapier dat klaagster zelf in haar bezit had, dateerde uit 2000 en 2001 en zij kon niet zomaar aannemen dat verweerder nog steeds lid van alle beroepsverenigingen zou zijn. Zij wilde de beroepsverenigingen t.z.t. contacteren, was echter van mening alvorens een mededeling aan de beroepsverenigingen te zenden dat zij zich ervan diende te overtuigen of verweerder ook daadwerkelijk nog lid van de verenigingen was. Immers, zou zij een mededeling over hem hebben gezonden terwijl hij geen lidmaatschap meer had bij de verenigingen, had zij zijn privacy wellicht geschonden. Dit wilde zij juist voorkomen. De lidmaatschappen bestonden allemaal nog behalve die bij de (H.). De secretaresse van de vereniging antwoordde op haar vraag of verweerder lid was dat hij geen lid was. Aangezien verweerder de H. in 2000 en 2001 als lidmaatschap op zijn briefpapier had vermeld zei klaagster dat hij in 2000 en 2001 wel lid zou moeten zijn geweest. De secretaresse kon dit niet bevestigen hetgeen zowel bij klaagster als bij de vereniging voor verbazing zorgde. Verweerder was geen lid en was ook nooit lid geweest. Klaagster gaf aan dat hij zijn lidmaatschap bij de vereniging wel gedurende meerdere jaren op zijn briefpapier had vermeld. In 2003 ontving klaagsters advocaat een verder exemplaar met vermelding van een niet bestaand lidmaatschap. Het kon niet zijn dat een professional ten onrechte een lidmaatschap gebruikte, zo meende men aanvankelijk, het gestelde zich niet voor kunnen stellende. Afgesproken werd dat klaagster een kopie van de brieven met vermelding van verweerders zogenaamd lidmaatschap aan de beroepsvereniging zou toezenden zodat zij zich er zelf van konden overtuigen dat hij hun lidmaatschap op zijn officieel briefpapier dat hij o.a. naar collegae en cliënten zond, ten onrechte gebruikte. De secretaresse was dusdanig overrompeld door de ontdekking van het fakelidmaatschap dat zij aangaf nog eens goed in het archief te kijken en klaagster nog terug te bellen. Haar onderzoek leverde geen afwijkende inzichten op. Enige tijd later ontving klaagster op haar verzoek een brief van de secretaris van het bestuur van de H., de heer M, met de mededeling dat verweerder geen lid van de vereniging was (productie 28). Telefonisch had men gesteld dat verweerder geen lid was en ook nooit eerder lid van de vereniging was geweest. Verweerder stelt dat het om een administratieve fout zou zijn gegaan bij de H., toont dat echter niet aan. Klaagster kon geenszins de indruk verkrijgen in het contact met de vereniging dat het om een administratieve fout zou gaan. Aan verweerder het verzoek om voor de afwisseling ook eens aan te tonen wat hij stelt.

Wat betreft het benaderen van praktijkgenoten zal verweerder op de heer L als toenmalige voorzitter van de commissie voor psychotherapie doelen evenals op zijn praktijkgenoot K. Indien de heer L klaagster niet had aangeraden zijn collega K te bellen, had klaagster geen contact met hem gezocht. Met de heer K heeft klaagster slechts enkele woorden gewisseld, namelijk de navolgende: klaagster meldde zich met haar naam en gaf aan dat zijn collega L klaagster had verteld dat zij gerust contact met hem kon zoeken. Zij gaf aan dat zij bang was geweest hem te bellen maar dat zij erop vertrouwde dat het in orde was aangezien zij de heer L had leren kennen en hem ook vertrouwde. Klaagster zei dat zij in therapie was geweest bij verweerder en dat er een en ander in binnen die therapie was gebeurd waarover zij graag met hem zou willen spreken. De heer K gaf onmiddellijk aan dat hij er niets mee te maken wilde hebben waarna het gesprek werd beëindigd. Het gesprek heeft niet eens twee minuten geduurd en er werd niet meer gezegd dan het hier verhaalde. Het is buitengewoon frappant dat K in zijn brief aan verweerder over klaagster weet te stellen ´Het deed mij denken aan eerdere ervaringen met mensen die op die manier het voor elkaar kregen mensen tegen elkaar op te zetten.´ (productie van verweerder) aangezien hij klaagster helemaal niet kende en dergelijke uitspraken niet kon noch diende te maken na een dergelijk kort gesprek waarvan klaagster de inhoud hierboven algeheel weergaf. Een professionele therapeut dient zich te onthouden dergelijk vergaande, oordelende conclusies indien hij die niet kan baseren op persoonlijke ervaringen met degene die hij tot onderwerp van zijn ´diagnose op afstand´ maakt. De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft daarover in het recente verleden publiekelijk duidelijke uitspraken gedaan. Het door verweerder ingebrachte stuk kan dan naar mening van klaagster ook niet als deugdelijke bewijslast worden gezien. Tevens dient niet te worden vergeten dat het bij K om een directe collega van verweerder gaat wiens eigen praktijk dus deels afhankelijk van de praktijk van verweerder is hetgeen een belangenverstrengeling aannemelijk maakt. Uiteraard is het aan uw college over de betrouwbaarheid van ingebrachte stukken te oordelen.

Samenvattend kan gesteld worden dat verweerder klaagster beschuldigt van feiten die onder de Wet van Strafrecht vallen waarbij klaagster betreffende delicten geenszins heeft gepleegd. Klaagster acht dit dan ook buitengewoon grievend en drukt haar wens uit dat verweerder zich in de toekomst voorzichtiger uitdrukt betreffend dergelijke insinuaties die bovendien niet onderbouwd worden.

[B. Producties]

[C. Machtiging]

Ondergetekende machtigt de voorzitter van het college en/of de door de voorzitter aangewezen vooronderzoeker om inlichtingen bij bovengenoemde personen en/of instellingen in te winnen.

Amstelveen, 29 september 2004

.......................

[A, klaagster]

1 oktober 2004

Het verweerschrift van dd. 5 juni 2004 van veweerder , 

B., gz-psycholoog (BIG) en psychotherapeut (BIG) te Amstelveen

De herschrijving van de geschiedenis’

Antwoord op betoog van Mr. M.J. de Witte

Verweer inzake A/B 203000152

d.d. 5 juni 2004 te Amstelveen

SITUATIE TEN TIJDE VAN DE HULPVRAAG:

In de periode van 12 oktober 2000 tot 15 januari 2001 heb ik mevr. A in een verlengde intake fase gezien om te kijken of ambulante therapie mogelijk was dan wel of zij er zo slecht aan toe was dat ze gemotiveerd moest worden voor opnieuw een verblijf in een psychiatrisch dagcentrum. Ik gaf haar de benefit of the doubt omdat ze een dwingend appel op me deed, echter heb ik haar steeds duidelijk voor ogen gehouden dat het een verlengde intake betrof. Dit blijkt ook uit het verzoek aan mevrouw C voor een diagnostische second opinion op 24 oktober. (1) Dat het geen reguliere therapie was heb ik herhaaldelijk aan haar verteld maar ik kreeg net zo vaak de indruk dat het niet tot haar doordrong. Ook de 8 zittingen in 3 maanden wijzen - dat is alom bekend in het vak - niet op een regulier therapie-contact (2) maar op een voorzichtige (voorzichtigheid was geboden gezien het decompensatiegevaar en het matige integratievermogen, zie ook het rapport van mevrouw C) diagnostische kennismaking.

Haar toestandsbeeld welke onder bovengenoemd hoofdje wordt omschreven door Mr. M.J. de Witte wijst uiteraard meer in de richting van een heropname.

Patiënte dissimuleerde haar problematiek en deed zich zienderogen beter voor dan ze was. De kans die ik haar wilde geven voor een ambulante therapie werd steeds kleiner toen ik steeds meer het gevoel kreeg dat er een pre-psychotische ontwikkeling aan de orde was met waarschijnlijk borderline kenmerken maar bovenal met grote kwantiteiten onverwerkte woede.

Patiënte wist heel goed dat het een grensoverschrijdende seksuele relatie betrof die ze met de therapeut van het dagcentrum had, we hebben dit ook als zodanig besproken. Als ze dat niet had beseft, hebben we het over een vrouw met een intellectueel defect en dit heeft zij niet, ze heeft een ernstige affectie-stoornis met een verstoorde drift-beleving en neigt macht over anderen uit te oefenen met name over diegene waarvan ze denkt dat ze, net als haar ouders van vroeger, niet goed functioneren, terwijl ze dan niet bij haar eigen problematiek komt (acting-out en externaliseren; realiteits-toetsing bij periodes ernstig aangetast).

Dit zal ook verder blijken uit de rest van mijn puntsgewijze toelichting waarin voortdurend de realiteit ernstig geweld wordt aangedaan.

Het hoeft geen betoog dat ik als psychotherapeut met een staat van dienst van bijna 29 jaar - nog nimmer een inhoudelijke klacht gehad hebbende- uiteraard goed besef dat er wel degelijk sprake was van grensoverschrijdend gedrag van haar therapeut bij het dagcentrum. Laat daar geen twijfel over bestaan !

De psycholoog in kwestie is onmiskenbaar in overtreding want patiënte vertrouwde zich toe aan iemand; immers, een hulpverleningsrelatie is een ongelijke relatie. Vanuit deze machtspositie heeft de therapeut bij het A.M.C. verwerpelijk en verkeerd gehandeld.

Dit heb ik patiënte uitgebreid laten weten omdat dit haar ook zorgen baarde; zij was bang dat ik de betrokken therapeut zou aangeven en provoceerde mij door te zeggen dat ik volgens de gedragscode verplicht was om deze collega aan te geven. Kortom, ze had toen heel goed door hoe gevangen ze zat inzake deze kwestie. Dit heb ik ook besproken. Uiteraard wist ik dat collega J. waar de heer F. in therapie was, dit collegiaal appèl zeer serieus zou nemen en deze collega net als ik, de gedragscode zeer goed kende.

Beroepscode

Het behoeft geen verdere uitleg dat ik zeer goed op de hoogte ben van mijn beroepscode na 29 jaar psycholoog zijnde en na 19 jaar in de eigen praktijk werkzaam te zijn geweest en ik conformeer mij daar uiteraard volledig aan, mede omdat ik ook lid ben van bijna alle beroepsverenigingen (en mij dus te gedragen heb naar de verschillende beroepscodes). Het lijkt me eerder verdraaiing van de feiten en stemmingmakerij dat ik gezegd zou hebben mij daaraan niet te houden. Misschien omdat ik niet direct met het collegiaal appel in de slag ging omdat ik wist dat collega J. dit reeds bezig was te doen? (3) Patiënte is helaas wel erg ver gegaan in het mij als persoon in een kwaad daglicht stellen. (Ook hierin is ze helaas grensoverschrijdend). (4)

Opnieuw geldt ook hier dat er geen sprake was van een reguliere psychotherapie maar van een infrequent aantal diagnostische psychologische (verwijs-) gesprekken.

De randvoorwaarden om mij conform de gedragscode te gedragen zijn al vanaf de eerste zitting aanwezig en gelden derhalve al vanaf de eerste minuut van de hulpverlening!

Cave: de hulpverlening was wel al begonnen maar aan elke behandeling gaat een serieuze en deugdelijke indicatie-stelling vooraf en daar hebben we ruimschoots de tijd voor genomen, ook test-technisch om te kijken of patiënte een ambulante behandeling aan kon qua grote kwantiteiten woede en qua integratievermogen en realiteitscontact. Ons uiteindelijk advies was verwijzing naar een deeltijd-opname van een dagcentrum. Patiënte reageerde hierop met een nagenoeg  psychotische woede die echt niet ambulant behandeld kan worden, dit werd steeds meer duidelijk.

De behandelingen

Wat onder dit hoofdje staat is totaal irrelevant want er werd nog niet behandeld, we zaten nog in de indicatie-fase. Het verslag van Mevrouw C kwam pas 19 december af (MMPI-verslag leverde patiënte veel later in?) zodat we nog een zitting voor de Kerst hadden om dit uitgebreid te bespreken. Patiënte wist dat ik haar the benefit of the doubt had gegeven en dat ik nog niet aan het behandelen was, echter miste ze de realiteitstoetsing om er naar te handelen. Ik had patiënte brochures meegegeven van de groepspraktijk waarin de namen van de overige therapeuten stonden. Zo kwam ze erop dat haar vorige therapeut van het dagcentrum een van deze collega's goed kende.

Niets is gebleken dat ze naar iemand anders toe wilde, in tegendeel juist, ze wilde bij mij blijven, dit is zelfs letterlijk zo gezegd (zie recent therapie-verslag). Bovendien, dat was niet aan de orde op dat moment voor mij als therapeut (ik val in herhaling: ik was bezig met onderzoek, dus dan ga ik geen ambulante vrouwelijke therapeut aanbieden) en ook niet voor patiënte want zij wilde, zoals gezegd, bij mij blijven, dat was voor haar een uitgemaakte zaak. Ze zei enkele keren dat ze het praten hier prettig vond, uiteraard totdat ik haar het slecht-nieuws gesprek moest brengen.

Kortom, onder dit hoofdje aantijgingen die niet aan de orde zijn!

Geen behandeling in de zin van de code

In het aangehaalde briefje staat inderdaad: "we zullen direct starten met de behandeling". Het betreft hier het woord behandeling in zijn totaliteit (indicatie-fase + de daarna eventueel te starten behandeling pur sang). Bovendien kwam het verslag van mevrouw C bij ons binnen na het vervaardigen van deze 1e  berichtgeving aan de verwijzer/huisarts. Onder dit hoofdje zegt patiënte het zelf eigenlijk al: "het is cliënte nooit duidelijk geworden dat er überhaupt sprake was van een behandeling". Dus is het tóch tot patiënte doorgedrongen dat het geen behandeling was maar dat we nog aan het verkennen waren. In die context heb ik opnieuw herhaald dat we nog diagnostisch bezig zijn. Het "ergens maar beginnen en dat we zouden zien waarop we zouden stuiten" heeft te maken met het begin van een zitting waarin je altijd even zoekt naar wat belangrijk is op dat moment voor de patiënt. Tijdens de eerste gesprekken verzamel ik de anamnestische gegevens, daarna geef ik wat minder structuur om te kijken of men dit aankan; immers, bij alleen maar vragen stellen kom je er niet achter of iemand ook ongestructureerde situaties aan kan.

Dat ik niet van vragen stellen hou, klopt niet bepaald (5); als je als psychotherapeut niet van vragen stellen houdt, den moet je geen therapeut worden en hou je het zeker niet zo lang met succes vol als verweerder. Kortom, opnieuw spinsels.

De irritatie die patiënte denkt te hebben gezien (was er niet) is projectie van haar eigen irritatie, onmacht en machteloze, deels afgeweerde impuls-woede, explosief en ongecontroleerd van aard met een acting-out coloriet (maar daarover later meer).

Geen vrijwillige en weloverwogen toestemming voor de doorverwijzing

Patiënte is volkomen uit vrije wil naar mevrouw C gegaan en werkte volkomen uit vrije wil mee met het test-onderzoek. (6) Uit de beschrijving van het test-verslag blijkt niet meer dan de gewone angst en weerstand die gebruikelijk is bij zo'n test. In de loop van de test komt ze zelfs los: "tegen het einde van het onderzoek wordt ze meer spontaan". (boven laatste alinea blz. 2).

Dus, de waarde van de uitkomst van het onderzoek staat recht overeind nog afgezien van het feit dat Mevouw C de beste diagnostica van de hele randstad is met haar ruim 40 jarige test- en diagnostiek ervaring.

Uiteraard wist patiënte heel goed waarom ze werd doorverwezen; verstandelijk mankeert haar niets en als ze bang voor mij was geweest, zou ze niet aangegeven hebben de intakegesprekken prettig bij mij te vinden.

Uiteraard is patiënte het niet eens met ons advies deeltijd opname dagcentrum omdat ze loochent en ontkent dat ze volop borderline trekken heeft met pre-psychotische woede (zie het verzwijgen van conclusies van vorige hulpverleners). Dit is vergelijkbaar met een oncoloog die kanker constateert, doch de patiënt onttrekt zich aan een geadviseerde chemokuur en gaat zelf alleen een Moerman-dieet volgen.

Handelen in strijd met ingewonnen advies

Ook al werd er gehandeld in strijd met het advies vanuit het psychologisch test-materiaal dan nog hoeft dat niet verkeerd of aanvechtbaar geweest te zijn. Immers, de zelfstandig gevestigde psychotherapeut heeft zijn eigen verantwoordelijkheid. De klinische bevindingen van de gesprekken tellen mee, de kennis en de literatuur spreekt een woordje, de jarenlange ervaring van de psychotherapeut in kwestie alsmede de collegiale toetsing en de test-gegevens. Deze mix aan gegevens moeten worden geïnterpreteerd. Het kan soms voorkomen of ook raadzaam zijn voor de patiënt dat niet helemaal wordt gehandeld naar het eindadvies van het test-verslag. Daar kan dan een reden voor zijn. In dit geval is dit ook niet gebeurd omdat de diffuse, magische, manifeste angst, de paranoïde dominantie en de angst voor decompensatiegevaar (zie test-verslag) in onze intervisiebespreking dermate hoog opgenomen worden dat een verdere ambulante therapie moest worden ontraden - ook al zal dit niet in dank worden afgenomen - ten gunste van een klinische behandeling welke veel meer kans van slagen zal hebben.

Een testuitslag is een stem in het kapittel, dus met een intervisie van 4 personen is de testuitslag de vijfde persoon in een indicatiebespreking.

Het testmateriaal is een gegeven van de onderliggende stroom aan gevoelens; de intake gesprekken zijn daarop een aanvulling tijdens de indicatiefase. Zo is het patiënte ook uitgelegd maar dit wist ze overigens al.

Het klaagschrift weet kennelijk niet wat het aan moet met het psychologisch testonderzoek; aan de ene kant moeten we de uitkomst klakkeloos overnemen zonder het in het geheel mee te wegen, aan de andere kant wil klaagster kennelijk dat het in zijn geheel niet meer meetelt (omdat de diagnose haar niet bevalt?).

Gesprekken niet deskundig en zorgvuldig

De beweringen in dit stukje grenzen helaas aan het nivo van grove leugens. Jammer dat een advocaat zo meegaat in het acting-out gedrag (uitageren van woede in plaats van verwerken) en in het externaliseren (schuld bij anderen leggen in plaats van eigen aandeel erin leren kennen).

De verweerder-psychotherapeut heeft niets anders gedaan dan patiënte haar problemen voorleggen en daar waar mogelijk haar confronteren in het kader van deze verlengde intake met de noodzaak daar iets grondigs aan therapie tegenover te stellen. Het advies om zich niet aan te stellen past niet in het vocabulair van een geregistreerd psychotherapeut en heb ik derhalve nog nooit gegeven!

Het advies om positief te denken - evenmin door mij gebezigd - helpt niet bij deze categorie patiënten, dat weet ik maar al te goed na 29 jaar dagelijks patiënten zien.

Ik hoefde patiënte niet te zeggen dat een therapeut geen relatie met een patiënte mag hebben want dat wist ze zelf maar al te goed.

Het past niet in mijn ethiek en mijn handelwijze als psychotherapeut om iets wat zo evident fout is als haar ex-therapeut heeft gedaan, goed te praten. Nogmaals; dit is buiten de orde, want patiënte leed er zelf zwaar onder en besefte heel helder dat het niet deugde wat haar ex-therapeut had gedaan. Ook de rest van het stukje kan ik volledig naar het rijk der fabelen verwijzen: patiënte was juist bang dat ik haar ex-therapeut zou aangeven. Patiënten de schuld van iets geven, is geen basishouding van een psychotherapeut. Een psychotherapeut zoekt juist in een behandeling naar de achterliggende gevoelens en het besef van een eigen aandeel om dit vervolgens beter te leren begrijpen. Echter, we kwamen hier niet aan toe omdat het geen behandeling was maar een verlengde intake-fase Oorzaak aan is niet hetzelfde als schuld aan (zie ook brochure). Over verliefdheid is helemaal niet gesproken (zie therapieverslag) en de hulp vraag van patiënte wordt het moest gediend met een grondige en serieuze indicatie-stelling vooraf.

Kortom; volledig verzonnen allemaal. De kwetsing van de verwijzing bij iemand met zulke grote kwantiteiten woede, kan heel hard aan komen.

Uiteraard - voor alle duidelijkheid -: verweerder vindt dat de wetenschappers die over grensoverschrijdend gedrag onderzoek doen en schrijven zeer goed werk doen.

Rest nog te zeggen dat het duidelijk zal zijn dat in een verlengde intake situatie de term overdracht niet per se, beter juist niet, gebezigd moet worden.

Het laatste gesprek op 15 januari 2001

Op 15 januari kwam patiënte te laat met de taxi aanrijden terwijl ze de vorige zitting (op 19 december) reeds met mij besproken had dat een ambulante therapie bij mij niet voldoende toereikend zou zijn en dat toch echt aan een klinische opname gedacht moest worden. Ik zag toen al de woedende blikken in haar ogen en dacht (op 19 december), dit zal ik de volgende keer wel geprojecteerd en al terugkrijgen in de vorm van de bewering dat ik woedend ben. Ik was totaal niet boos (daar was ook geen enkele reden toe) meer teleurgesteld dat ik haar niet verder kon helpen ambulant.

lk legde haar op die 15 januari uit - net als de keer ervoor - dat het gaat om heel heftige angst- en woedegevoelens, die pas goed behandeld kunnen worden in een veilige setting waar ze hele dagen kan blijven.

Als patiënte dan in zo'n setting kwaad wordt, kan er goed op ingegaan worden en kan het beter en afdoende behandeld worden in plaats van dat het zo ontzettend wordt uitgeageerd (woedend handelen in plaats van woede verwerken) zoals ze helaas nu aan het doen is.

Kortom: in de laatste twee zittingen heb ik uitgebreid met patiënte besproken dat zij beter af is met een behandeling door een psychiater en dat dit ook nog beter intern in een dagcentrum kan geschieden (daar zijn altijd psychiaters aan verbonden), omdat dit ook veiliger voor haar zal zijn.

Ik heb dit zoals mijn stijl is, in heel rustige bewoordingen gedaan - mijn stem is niet luid van nature - met geduld en tegelijkertijd met in achtneming van de woede bij patiënte.

Na de laatste keer in december kwam patiënte de keer daarop niet opdagen; ze had het duidelijk zeer moeilijk met de verwijzing.

Gelukkig kwam ze de laatste keer , op 15 januari, wel en konden we verder bespreken welk dagcentrum in aanmerking kwam voor de daadwerkelijke behandeling in klinische vorm.

Uiteraard was het slecht nieuws gesprek erg moeilijk voor patiënte, want ze had te kennen gegeven dat ze het hier prettig vond. Echter - zo hield ik haar voor de 3e  keer voor - een ambulante behandeling is ontoereikend en zal niet raken aan de facetten van het probleem die juist zo kernachtig en structureel behandeld moeten worden t.w. haar grensoverschrijdende drift-ontladingen (zowel seksueel als in agressieve zin) en het beperkte integratievermogen. Dit kan bij een dagopname veel beter uitgebreid besproken worden zonder dat patiënte, gedreven door heftige gevoelens, weg dreigt te lopen of nog erger een en ander uitageert zodat het helaas niet opgelost wordt.

Na ongeveer 25 minuten stapt patiënte dan woedend op.

Ik stel nog op de valreep dat ik begrijp dat ze niet naar het dagcentrum van het A.M.C. terug wil gezien de nare ervaringen met haar therapeut aldaar, maar dat er nog genoeg andere centra zijn waar ik haar kan introduceren (Limmen). Het mocht niet meer baten. Woedend was ze en ik zou er nog wel van horen. Ik vraag nog of ze het adres heeft van de klachtencommissie (dit ligt in mijn wachtkamer, bovendien had patiënte ook al de folders waarin dit stond) van het N.I.P. of van de N.V.V.P. Maar er kwam nauwelijks nog een antwoord. Patiënte was op dat moment totaal niet suïcidaal en dat kan ik beoordelen na 7000 patiënten gezien te hebben. Je ontwikkelt daarvoor een klinische blik. Wel vond ik het jammer en teleurstellend dat - aangezien ze wegliep midden in de zitting (7) - ik voor haar niet de weg kon voorbereiden zoals ik gewend ben te doen (bij een ander dagcentrum). Uiteraard staat het haar wel vrij dit advies niet op te volgen.

Kortom: conform de gedragscode zoals u beschrijft is voldaan aan punt 1 tot en met 3, te weten de verwijzing is herhaaldelijk beargumenteerd en rustig uitgelegd, en er is aangeboden patiënte te introduceren in een van de overige dagcentra waar ik geregeld patiënten naar toe verwijs. Patiënte wenste er helaas geen gebruik van te maken.

Er is dus uitgebreid gemotiveerd, geadviseerd en verwezen, doch ik kan me voorstellen dat ze, gezien het feit dat ze het niet voor 100% eens was met de verwijzing, gewoon niet verder meer geluisterd heeft. Immers, ze vond de gesprekken hier prettig - dit memoreerde ze herhaaldelijk - maar intake- of therapie-gesprekken dienen ook functioneel te zijn en dat waren ze niet omdat de setting gewoon onvoldoende en de pathologie te ernstig was. Vooral dit laatste is voor patiënte zeer kwetsend geweest om te horen en genereerde een narcistische woede die ze niet goed kon en kan integreren. De professionele relatie is zodanig beëindigd in overleg met patiënte dat daar geen misverstanden over blijven bestaan (111.1. 1.3.) (zie 7) Patiënte was het er niet mee eens maar dat is iets anders (omdat ze ernst en omvang van het probleem ontkende alsmede haar problematiek dissimuleerde en gegevens van vorige behandelaars verzweeg).

Als iemand zo woedend is op iemand anders en niet op zichzelf dan is diegene niet suïcidaal; immers, suïcide komt voort uit naar binnen gerichte woede en patiënte sloeg door in haar woede naar verweerder.

Diezelfde dag heeft verweerder uiteraard, zoals te doen gebruikelijk, de huisarts telefonisch geïnformeerd en genoemd dat het gaat om een persoonlijkheidsstoornis (DSM-code: 301.9) NAO; gemengde persoonlijkheidsstoornis, welke diagnose voor een geoefend professional ook uit het verslag van mevrouw C te lezen valt (cave:borderline kenmerken!). Deze diagnose wordt dus inmiddels in de loop der jaren door 4 diagnostici bevestigd.

Uiteraard is bovengenoemde, zorgvuldig voorbereide verwijzing uitgebreid besproken in de intervisie-groep van verweerder en derhalve professioneel zoals het hoort, ondersteund door de verplichte, collegiale toetsing (zie o.a. de verklaring van collega K.).

Dossier onjuist en onvolledig

In het dossier zit een korte, gedateerde (aug./sept.) beschrijving van de gespreksonderwerpen in combinatie met brieven en werkaantekeningen, voldoende voor een verwijzing naar derden. Ook de aanvraag psychotherapie om de vergoeding veilig te stellen spreekt van een 'proeftherapie' (=verlengde intake).

Uiteraard zijn de persoonlijke werkaantekeningen geen onderdeel van het dossier. Het dossier wordt zo - conform de gedragscode - beperkt tot alleen die gegevens die relevant zijn voor en dienen tot het doel van de professionele relatie (111.2.5.1). (8). De advocaat haalt vervolgens in dit stukje de inhoud van beide huisartsenbrieven d.d. 20 november 2000 en 8 februari 2001 door elkaar.

De brief d.d. 8 februari 2001 (en niet zoals de advocaat abusievelijk schrijft 20 november 2000) waartoe patiënte mondeling toestemming gaf, stelt patiënte niet in een kwaad daglicht, maar geeft een van patiënte's versies van het gebeurde weer. In een van haar versies verklaarde ze namelijk dat zij de relatie met haar ex-therapeut was begonnen. Ik heb dit echter nooit geloofd, getuige ook mijn daarop volgende zin: "Het wordt niet echt duidelijk in hoeverre dit echt allemaal waar is zoals zij het zegt en in hoeverre patiënte samen met haar ex-therapeut ook daadwerkelijk de integriteit van het vak heeft aangetast". Immers: patiënte heeft de integriteit van het vak niet aangetast, dat heeft haar ex-therapeut, de heer F. gedaan. Patiënte treft hierin geen blaam, de heer F. wel.

Voor alle duidelijkheid: uiteraard is de integriteit van het vak door de psycholoog van het A.M.C. ernstig aangetast, heeft hij misbruik gemaakt van zijn vertrouwenspositie en is patiënte daar helaas slachtoffer van geworden. (9) Patiënte wist op dat moment dat ik het ontoelaatbaar, grensoverschrijdend gedrag vond van de collega bij het A.M.C.

Dan haalt de advocaat in het volgende stukje ("Hij schrijft ...........uit te gooien") de aanmeldingsreden, de latente klachten en de luxatie-momenten hopeloos door elkaar. Ik zal hier kortheidshalve niet verder op ingaan omdat dit voor dit moment niet relevant is cq te ver voert.

Van "de praktijk uitgooien" was (uiteraard!) totaal geen sprake (zie 7), het afscheid geschiedde zeer rustig, bedeesd, professioneel maar wet met woedende blikken van de kant van de klaagster. Ik ben een professionele hulpverlener: schreeuwen en iemand "uit de praktijk gooien" horen daar uiteraard niet bij. Als ik dit wel zou doen, zou ik het in een relatief kleine gemeente als Amstelveen nooit 19 jaar lang in de zelfstandige praktijk volgehouden hebben.

Ook in het laatste stukje (blz. 5) denkt de advocaat dat het hebben van een contact hetzelfde is als het emotioneel beleven van een vertrouwensband.

Bovenaan bladzijde 6 vervolgt de advocaat dan met: "Verweerder .......even door gaan". Men weet in de regio dat ik geen onzin schrijf en dat zulke uitspraken gestoeld zijn of op empirisch, wetenschappelijk onderzoek (zorgvuldig test-onderzoek in dit geval) of..op ervaringsgegevens, al dan niet getoetst aan hypothesevorming.

De zin "sprake zou zijn van dominant magische en paranoïde belevingswereld" komt door haar fluisterende presentatie en het aanvankelijk niet willen geven van haar naam (10), vanuit de manifeste presentatie, het intake-materiaal en letterlijk vanuit het test-verslag.

De huisarts is correct geïnformeerd in een tweetal brieven en in enkele telefoongesprekken waaruit voorts bleek dat deze huisartsen op dezelfde golflengte zaten wat betreft de te volgen stappen. Wat betreft diagnostiek gingen de huisartsen af op deskundige specialisten en namen de diagnose derhalve serieus, zeker als het ondersteund werd door een 4-tal experts. (11)

Met een psychiater van het A.M.C. heb ik geen contact gehad omtrent patiënte; deze kan niet weten welke ervaringen wij met patiënte hebben gehad en kan daar dus evenmin over oordelen.

Wel is het de advocaat kwalijk te nemen dat hij suggereert dat het document ondertekend door I, psychiater, dateert van na mijn bemoeienis met patiënte, terwijl dit reeds dateerde uit 1998 (12), zodat de zin dat de psychiater van het A.M.C. het ook niet met verweerder eens is, nergens op slaat, zelfs wijst op opzettelijke verwarring zaaien.

Voorts valt de advocaat in herhaling met de bewering dat de indicatiestelling dagcentrum niet zou zijn toegelicht; in tegendeel zelfs!

De belangrijkste reden voor verwijzing was de oncontroleerbare, latente woede en pre-psychotische razernij die ambulant niet goed te behandelen is en om een veilige dagsetting vraagt waarin de verwerking wel met succes tot stand kan komen.

Het hoeft geen betoog dat de oncontroleerbare woede zich inmiddels wel gemanifesteerd heeft en kennelijk destijds goed gediagnosticeerd is door zowel mevrouw C als door alle collega's van de groepspraktijk.

Opvragen medische informatie bij ggz instelling H

Door mij zijn geen gegevens bij G. opgevraagd. Daarvoor was geen toestemming dus dit is den ook niet gebeurd. Deze gegevens zijn echter in het collegiaal overleg, waartoe patiënte mondeling toestemming had verleend, aan de orde geweest. Verzwijging van essentiële gegevens door de patiënt kan soms echter ernstige gevolgen hebben.

De essentiële informatie (men kwam op uit op borderline-achtige kenmerken) heeft patiënte verzwegen omdat ze absoluut niet wilde dat ik zou weten dat ze een borderline structuur heeft.

Het is jammer dat patiënte een goed, verantwoord therapieadvies in de wind slaat en zich onttrekt aan een adequate behandeling voor haar ingewikkelde persoonlijkheidsstoornis. In plaats daarvan probeert ze een strijd te ontketenen omtrent de juistheid van alles en blijft zo hangen in een polemiek die destructief op haar inwerkt. Het valt dan ook voor mevrouw A. bijzonder te betreuren dat haar klachten (waaronder het excessief uitageren van basale, destructieve, grensoverschrijdende woede met een paranoïde kern) klaarblijkelijk nog steeds niet (goed) behandeld zijn.

Met het verzwijgen van relevante informatie legt patiënte barrières in het hulpverleningstraject welke de behandeling bewust van obstructies voorzien en patiënte, mogelijk vanuit haar achterdocht, het probleem alleen maar groter en bovenal ingewikkelder maakt. Dit is uiteraard deels onderdeel van het probleem!

Gevolgen handelwijze verweerder

Uiteraard is een en ander in eerste aanleg geheel ter beoordeling van het College voor Tuchtrecht.

Patiënte onttrekt zich aan een voorgestelde behandeling, verzwijgt noodzakelijke informatie, ageert problemen uit in plaats van ze op te lossen en zoekt een schuldige (externaliseren) terwijl ze de eigenschap heeft (zie bijgaande emails/brieven) mensen/ hulpverleners tegen elkaar op te zetten en uit te spelen. Dit allemaal terwijl ze het niet zo nauw neemt met de realiteit, de werkelijkheid naar haar hand zet (een pre-psychotische sign!) en verweerder reeds 3 ½  jaar probeert te benadelen qua goede naam. Uiteraard heb ik, zoals in mijn hele loopbaan al, naar beste eer en geweten gehandeld waardoor ik een goede naam heb opgebouwd.

Huisartsen/verwijzers weten dat in onze praktijk kwaliteit en zorg voorop staan (zie briefje L., lid van de regionale commissie N.V.V.P).

Lidmaatschappen

Klaagster is kennelijk een zoekactie begonnen en vond op mijn briefpapier een therapievereniging waar ik geen lid van was maar wel op mijn papier vermeld zou hebben.

De bewuste vereniging verzocht mij hierover opheldering te verschaffen wat ik inmiddels heb gedaan.

Het bleek te gaan om een administratieve fout van de vereniging zelf in combinatie met een misverstand mijnerzijds. Bij brief van 3 juni jl. heeft het bestuur van de H. laten weten mij binnenkort weer op te nemen in het ledenbestand. Ik voldoe namelijk sinds lang aan alle criteria hiervoor. Dank aan ex-patiënte om mij via deze omweg te waarschuwen voor deze omissie.

Conclusie

Al het mij ten laste gelegde materiaal in het schrijven dd. 13 mei j.l. geeft een volledig onjuiste gang van zaken weer. (zie 1 t/m 12 en neem over enkele weken kennis van de repliek) Alleen het foutief voeren van het H - lidmaatschap op het briefpapier berustte tijdelijk op waarheid.

Deze omissie is inmiddels reeds rechtgezet.

In ieder geval houd ik mij het recht voor een en ander voor te leggen aan de kantonrechter in een civielrechtelijke procedure betreffende aantasting van eer en goede naam en vanwege smaad en laster, alsmede betreffende het voeren van een hetze tegen de praktijk de afgelopen 3 ½ jaar door het benaderen van huisartsen, praktijkgenoten, patiënten, de regionale commissie voor psychotherapie alsmede enkele beroepsverenigingen. (4)

Hoogachtend,

B. (gz-psycholoog/psychotherapeut te Amstelveen)

opgesteld: 5 juni 2004 te Amstelveen

 

Het klaagschrift van dd. 13 mei 2004 van klaagster

Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

Postbus 84500

1080 BN  AMSTERDAM

 

 

 

 Amersfoort, 13 mei 2004

 

  

uw referentie         : ---

referentie               : 203000152/dch

secretaresse        : [naam verwijderd]             

e-mail adres         : mj.dewitte@letselschade-advocaten.nl

                             [adres secretaresse vervangen door adres raadsman van A.]     

 

[Info over de gebruikte afkortingen van alle namen treft u aan het einde van dit klaagschrift aan.] 

 

Geachte leden van het Tuchtcollege,

 

 

Op verzoek van mijn cliënte, mevrouw A, dien ik een klacht in (een aantal klachten) tegen de heer B, psychotherapeut en gz-psycholoog, gevestigd te Amstelveen [adres weggelaten], met het verzoek deze in behandeling te nemen.

Verweerder heeft met cliënte contacten gehad in de periode 12 oktober 2000 tot en met 15 januari 2001. Er zijn 10 zittingen geweest waarvan 8 bij hem. Twee zittingen betroffen psychologische tests uitgevoerd door mevrouw C te Amsterdam. De producties betreffen een verslagje van verweerder beginnend met “Aanmelding”, brieven van 20 november 2000 en 8 februari 2001, twee brieven van C van 24 oktober 2000 en 7 november 2000, en nog andere stukken van medische aard.

Situatie ten tijde van de hulpvraag

Er was bij cliënte ten tijde van de aanvang van de therapie sprake van ernstige, en complexe problematiek. Cliënte was bij verweerder terechtgekomen via haar huisarts (D). De reden van verwijzing was de dringende behoefte aan therapeutische hulp, die zij nodig had omdat haar behandelend psychotherapeut F.F. [de volledige naam werd i.v.m. privacy vervangen door de initialen] een seksuele relatie met haar was aangegaan. Deze therapeut is daarvoor later tuchtrechtelijk en strafrechtelijk veroordeeld [zie in het menu onder MEDIA, pagina ‘F.F. psychotherapeut Amsterdam’]. Deze seksuele relatie bestond namelijk nog ten tijde van de hulpvraag.

 

Door deze relatie (als ik relatie schrijf, wordt daar mee bedoeld een seksuele relatie) was de therapie die zij van F.F. ontving op initiatief van cliënte (!) afgebroken terwijl zij nog niet uitbehandeld was. Bovendien zorgde de relatie zelf voor veel verwarring en pijn bij haar.

 

Daar kwam bovenop dat de heer F.F. een beroep op cliënte deed om voor hem te zorgen, wat erg belastend en traumatiserend was. Zij zat ten tijde van de hulpvraag dus helemaal klem.

 

Zij leed ten tijde van het eerste contact aan sterke depressieve gevoelens, was innerlijk onzeker, er was sprake van een grote lijdensdruk en een snel verstoord psychisch evenwicht. Toen zij eindelijk bij verweerder aan durfde te kloppen was zij erg verzwakt van alle emotionele belasting. Zij klaagde over schuldgevoelens, angsten, depressieve klachten, was uitgeput, vertwijfeld, chronische spierverspanningen (rug, schouders, nek, voeten) en dagenlang durende migraine-aanvallen, buikpijnklachten die zo sterk waren dat zij alleen maar in elkaar gerold in bed kon liggen, niet in staat was om rechtop te lopen. Er is bekend dat mensen in deze situatie een (sterk) verhoogd suïciderisico hebben. Cliënte wist geen oplossing meer.

 

Ook was cliënte afhankelijk geworden van de seksuele contacten met de heer F.F.. Het was vooral een seksuele relatie en geen warme emotionele relatie. Deze naar haar aard typische relatie resulteerde bij cliënte weer in extreem zelfbevrediginggedrag om het gebrek aan emotionele warmte te compenseren.

 

Cliënte werd ook nog opgezadeld met een schuldgevoel over het welzijn van de andere cliënten van F.F.. Ook was haar duidelijk aan het worden dat er een aanzienlijke kans was dat andere patiënten ook het slachtoffer van seksueel misbruik zouden worden. Hij ontkende namelijk niet dat dit weer kon gebeuren. Cliënte vond –rationeel- dat zij deze mensen moest beschermen en het AMC inlichten waar deze patiënten waren, maar zij was –emotioneel- volledig van F.F. afhankelijk. Vele maanden lang worstelde zij met hart en verstand, kon zij niet besluiten wat te doen. Zij kreeg urenlange huilbuien. Daardoor verviel zij weer in voor haar ongewenst gedrag, namelijk zorgen voor anderen. Dat was onbespreekbaar voor F.F.. Aan hem had zij helemaal niets als het om steun ging. In die verhouding draaide alles om hem, en om seks.

 

Op dat moment ging het dus erg slecht met cliënte.

 

Zij vroeg aan verweerder haar te steunen en te begeleiden op haar weg naar herstel en genezing, en haar gevoelens en gedachten te ontrafelen. Op dat moment had cliënte nog niet het besef dat ze gevangen zat in een grensoverschrijdende seksuele relatie met haar vorige therapeut. Tot dat besef wilde verweerder blijkbaar ook niet komen.

 

Beroepscode

In de ook voor verweerder geldende beroepscode staat dat, alvorens de behandeling met de cliënt aan te vangen (1.5.1) de therapeut zich ervan moet vergewissen dat de randvoorwaarden zijn geschapen om zich tegenover de cliënt overeenkomstig de beroepscode te gedragen.

 

Verweerder verklaarde echter dat hij niet op de hoogte was van de inhoud van de beroepscode, en, sterker nog, dat hij zich ook niet daaraan wilde conformeren.

 

De therapeut dient uiteraard de beroepscode die voor hem geldt te kennen en zich daarnaar ook te gedragen. Alle psychotherapeuten zijn aan deze code gebonden. Het is verwijtbaar en niet zorgvuldig de patiënt te laten weten met de beroepscode niets te maken te hebben. Op de website van de NVVP staat deze code, en ook de naam van verweerder. Deze code is er niet voor niets.

 

De behandelingen

De behandeling dient te zijn gericht op het verbeteren van het niveau van functioneren van de cliënt. De psychotherapeut dient aan hen die hij in behandeling gaat nemen een duidelijke beschrijving te geven van deze behandeling. Deze beschrijving dient alle aspecten te omvatten waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat ze van invloed zijn op de bereidheid tot deelname. Het is niet geoorloofd iemand aan een behandeling te doen deelnemen zonder zijn vrijwillige en weloverwogen toestemming. Verweerder vertelde besloten te hebben haar zelf te behandelen en niet aan een van zijn collegae door te verwijzen. Cliënte heeft dit –later pas- nooit goed begrepen. Op het kantoor van verweerder werkt ook een seksuologe (mw. E.) en het had voor de hand gelegen dat een vrouw cliënte zou bij staan, althans dat dit zou worden overlegd met cliënte. Dat is niet gebeurd. Cliënte wist dit overigens pas nadat zij al weg was bij verweerder.

 

Geen behandeling in de zin van de code

In de brief van 20 november 2000, waarover later meer, staat: “We zullen direct starten met de behandeling”. Het is cliënte nooit duidelijk geworden dat er überhaupt sprake was van “een behandeling”, en al helemaal niet dat deze gericht was op het verbeteren van het niveau van haar functioneren. Er was geen behandelplan. Cliënte heeft gevraagd aan verweerder welke therapie hij zou toepassen. Dat wist verweerder niet en dat deed er volgens hem ook niet toe. Hij heeft gezegd dat ze wel “ergens zouden beginnen en dat ze wel zouden zien waar ze op uit zouden komen”. Hij heeft dat ook op zo’n bepalende manier gezegd dat cliënte niet eens verder durfde te vragen. Uit zijn houding en manier van optreden bleek continu dat hij niet van vragen hield en opmerkingen ook niet op prijs stelde. Verweerder bleek bovendien zeer snel geïrriteerd, zonder dat cliënte wist waarom.

 

Geen vrijwillige en weloverwogen toestemming voor de doorverwijzing

Zij is naar mevrouw C doorgestuurd, maar zij wilde dit niet echt. Zij heeft dit onderzoek ondergaan omdat verweerder hierin dwingend was. Zij was bang voor hem. Het probleem was dat F.F. vroeger stage gelopen had bij mevrouw C, terwijl zij bij haar op bezoek kwam omwille van het misbruik door hem. Mevrouw C wist dat cliënte grote problemen [had] doordat haar therapeut zijn macht heeft misbruikt door cliënte tot seks te bewegen. Cliënte was heel bang zijn naam te moeten noemen. Zij kon zich niet echt goed op het onderzoek concentreren. Ze heeft niet vrijwillig en weloverwogen hierin toegestemd. Daarmee staat de waarde van de rapportages ter discussie. Het was cliënte ook niet duidelijk waarom verweerder überhaupt doorverwees.  Verweerder vertelde slechts dat dit de manier was waarop hij het altijd deed.

 

Handelen in strijd met ingewonnen advies

Mevrouw C schreef op 7 november 2000 aan verweerder: structuur biedend gesprekscontact omdat zij vrij labiel is.  Deze structuur heeft verweerder niet gegeven, zonder aan cliënte uit te leggen waarom niet.

 

Gesprekken niet deskundig en zorgvuldig

Alle beslissingen die de psychotherapeut bij de behandeling ten aanzien van zijn cliënt neemt, moeten voldoen aan de eisen van deskundigheid en zorgvuldigheid die, onder de gegeven omstandigheden, van een redelijk handelend psychotherapeut met inachtneming van de stand van wetenschap en techniek verwacht mag worden. Deze beslissingen dienen, zo nodig, door de psychotherapeut op adequate wijze verantwoord te kunnen worden. In de acht consulten heeft verweerder niet geprobeerd om de problemen die zij had te verhelderen. Hij gaf het advies om zich niet aan te stellen en positief te denken.

Ten onrechte heeft hij haar niet verteld dat een therapeut geen relatie mag hebben met een patiënte. Hij verdedigde de handelwijze van F.F.. Er was volgens hem niets verkeerds aan. Zij had volgens verweerder niet het recht om het AMC te informeren teneinde de andere patiënten tegen F.F. te beschermen. Hij vertelde dat het in deze relatie om liefde ging en dat er niets aan de hand was. Hij memoreerde diverse stellen die elkaar kenden vanuit behandelingen. Hij gaf cliënte de schuld van het ontstaan van de seksuele relatie. Toen cliënte zei dat ze in een no-win relatie zat, werd verweerder woedend. Cliënte mocht blij zijn met het feit dat F.F. iets van haar wilde. De wetenschappers die geschreven hebben dat grensoverschrijdend gedrag ontoelaatbaar is (de echte deskundigen in dit verband) zijn volgens hem samenzweerders en schrijven leugens op. Dat zou niet op feiten zijn gebaseerd. Cliënte wil weten op grond van welke feiten, omstandigheden en in de beroepsgroep gangbare theorieën de visie van verweerder is gebaseerd. Als deskundige (volgens het briefpapier is verweerder [titel beroep GGZ verwijderd], [titel beroep GGZ verwijderd], ([titel beroep GGZ verwijderd]*, met als BIG-registratie: gezondheidszorg-psycholoog en psychotherapeut en geregistreerd klinisch psycholoog) moet verweerder dat kunnen uitleggen.

Verweerder bracht de term overdrachten nooit te sprake noch legde hij het mechanisme van overdrachtsgevoelens uit. Dat is essentieel voor een deskundige behandeling van een cliënte wiens grenzen in seksueel, psychisch en emotioneel opzicht door een professional waren en werden overschreden. Verweerder sprak louter in termen van verliefdheid. Ook heeft hij niet verklaard waarom het gevoel zo sterk is. Cliënte mocht verwachten dat verweerder in zou gaan op haar hulpvraag.

 

Het laatste gesprek op 15 januari 2001

Op 15 januari 2001 was de laatste behandeling. Verweerder werd weer agressief. Hij heeft tien minuten lang lopen schreeuwen en haar woedend uit de praktijk gegooid. In de vorige sessie, de laatste in december, deed verweerder niets anders dan schreeuwen. Deze intimiderende en agressieve wijze van optreden is strijdig met de voorgeschreven terughoudendheid die hij in acht moet nemen. Het is cliënte niet duidelijk in welk kader deze boosheid goed zou zijn voor haar functioneren.

Een therapeut mag een behandeling niet verbreken tenzij er sprake is van gewichtige redenen. Als hij besluit de behandeling te verbreken, dan dient hij volgens de code:

·       zijn beslissing in voor de cliënt begrijpelijke termen te motiveren, en

·       aan te bieden hem zo goed mogelijk te adviseren omtrent de vraag wat in het gegeven geval het beste gedaan zou kunnen worden, en c.q. of

·       aan te bieden voor een adequate verwijzing zorg te dragen.

 

Hij heeft niets gemotiveerd, geadviseerd of verwezen. Hij heeft haar de deur uit gezet en aan haar lot overgelaten. Reden: cliënte zou niet ambulant behandelbaar zijn. Dat was echter onjuist. Haar huidige therapeute (F) stelde de diagnose PTSS en behandelde haar wel ambulant.

 

Een therapeut dient zijn persoonlijke beperkingen (waaronder begrepen de beperkingen van zijn deskundigheid, van zijn emotionele mogelijkheden dan wel van zijn ethische opvattingen) in acht te nemen.

 

Hij heeft voor zover bekend geen andere deskundigen geconsulteerd, of naar hen doorverwezen, of zich verzekerd van adequate begeleiding en/of supervisie.

De dag erna belde verweerder de huisarts D met de mededeling dat cliënte een “as if personality met borderline trekken zou zijn”. Deze diagnose is echter nimmer met cliënte besproken, noch door anderen bevestigd.  

Dossier onjuist en onvolledig

Cliënte is verder gebleken dat verweerder over haar uitlatingen heeft gedaan, die niet correct zijn.

De psychotherapeut dient van zijn behandeling zodanige aantekeningen bij te houden (en te bewaren), dat hij de voortgang van de behandeling op adequate wijze kan waarborgen) en dat hij, zo nodig, rekenschap over de behandeling kan afleggen.

Het ongedateerde verslagje is zeer summier. Er wordt geen melding gemaakt van de te behandelen problemen, en het gegeven dat therapeut F.F. een seksuele relatie met haar is aangegaan. Dat verslagje is als basis onvoldoende om rekenschap af te leggen over de inhoud van de 8 gesprekken.

Op 20 november 2000 heeft de therapeut voor het eerst een brief gestuurd naar de huisarts. Toen waren er vijf gesprekken geweest. Deze brief bevat verwijtbare onjuistheden. Deze brief geeft cliënte de indruk dat verweerder zich niet zozeer op feiten baseert, maar haar in een kwaad daglicht stelt.

 

Hij heeft geschreven aan [de collega van klaagsters huisarts] te Amstelveen dat cliënte haar dagbehandeling in het AMC verbrak vanwege het feit dat zij een relatie gestart zou zijn met haar ex-therapeut. Het wordt niet echt duidelijk in hoeverre die echt allemaal waar is zoals zij het zegt en in hoeverre patiënte samen met haar ex-therapeut ook daadwerkelijk de integriteit van het vak heeft aangetast”.

 

Tijdens de sessies heeft hij haar verteld haar te geloven. Ook vertelde cliënte dat F.F. had aangeboden mee te komen naar een sessie zodat duidelijk was wat er was gebeurd. Dat hoefde volgens verweerder niet.

 

Het is niet juist te schrijven alsof zij een relatie zou zijn gestart. Het was immers F.F. die met zijn handen van cliënte had moeten afblijven. Ten onrechte schrijft verweerder dat niet duidelijk zou zijn dat dit de integriteit van het vak aantast. Handelen in strijd met de code, met het verbod op dergelijk contact, tast per definitie het vak aan. Het is ook niet correct haar hoofdverantwoordelijk te maken voor de aantasting van het vak van de therapeut.

 

Hij schrijft dat zij op bezoek kwam wegens depersonalisatiegevoelens en diffuse angsten. Dat is niet juist. Zij was bijvoorbeeld bang voor zijn reactie op de hulpvraag voor F.F.. De angst was niet diffuus. Ze heeft nog nooit last van depersonalisatiegevoelens gehad. Cliënte is niet agressief ten aanzien van een moederfiguur. Van verlatingsangst zou sprake kunnen zijn, maar zij anticipeert daarop niet door zelf te verlaten. Dergelijk gedrag had zij nog nooit gehad. Overigens, als verweerder meende dat cliënte last had van verlatingsangst, had hij anders moeten handelen dan door haar de praktijk uit te gooien.

Er was rond oktober 2000 sprake van erge depressieve klachten. Dat is wat anders dan onlustgevoelens. Het is voor cliënte niet moeilijk geweest om een vertrouwensrelatie op te bouwen. Zij verlengde de behandeling die zij eerder bij het AMC bijvoorbeeld zelf. Deze behandeling was al afgesloten. Daarom is het ook niet goed te begrijpen. Verder heeft cliënte van alles en nog wat open verteld. Zij weet dat als zij dat niet doet, zij niet geholpen kan worden.

 

Verweerder heeft nog een brief gestuurd op 8 februari 2001. Hij schrijft daarin dat er sprake zou zijn van dominant magische en paranoïde belevingswereld. Dat wordt ook al niet onderbouwd met feiten en omstandigheden. De behandeling in het AMC was niet het jaar daarvoor verbroken, maar drie jaar daarvoor. Bovendien is de behandeling in het AMC niet door haar verbroken maar juist op eigen verzoek nog verlengd, en zo kan cliënte nog wel even door gaan.

 

Hij heeft de huisarts onjuist geïnformeerd. De vraag voor cliënte, en uw College is: waarom?

 

Hij wilde (zie de brief van 8 februari 2001) dat cliënte naar de dagbehandeling terug zou gaan. Niet duidelijk is op grond van welke feiten en omstandigheden verweerder als goed hulpverlener dit geïndiceerd achtte. Dit klemt te meer nu noch de huisarts, noch de psychiater in het AMC dit verantwoord vonden.

 

Opvragen medische informatie bij G

Cliënte heeft begrepen dat verweerder medische informatie heeft opgevraagd bij G. Zij heeft verweerder hiervoor niet gemachtigd, terwijl dit wel is voorgeschreven.

 

Gevolgen handelwijze verweerder

Het zal uw college duidelijk zijn dat cliënte met de werkwijze van verweerder zeer in haar maag zat en dan druk ik mij voorzichtig uit. Zij heeft, naast de ellendige situatie waarin ze zich bevond, er nog een probleem bij gekregen. Het heeft haar verder verzwakt, verward, nog meer doen twijfelen, nog meer schuld op zich doen nemen, ze voelde zich onder druk gezet, en werd ze bang. Door zijn gedrag heeft hij cliënte’s vertrouwen in de kwaliteit van hulpverlening (wat er nog van over was) en andere mensen volledig ontnomen. Gelukkig kon ze later wel bij een goede therapeut terecht, maar hield ze de angst zomaar op straat te worden gezet. In plaats van één schadeveroorzakende therapeut, had ze er nu met twee te maken. Dat was wel het laatste wat ze nodig had.

 

Lidmaatschappen

Op het briefpapier van verweerder staat dat hij lid is van een aantal beroepsorganisaties. Hij was echter geen lid van [de beroepsvereniging, H], hoewel hij dat wel pretendeerde te zijn. Dat had hij door moeten strepen op zijn briefpapier.

 

Conclusie

Op grond van bovenstaande meent cliënte dat haar klachten tegen verweerder gegrond zijn en zij meent dat uw College hem een tuchtrechtelijke maatregel dient op te leggen. Namens haar behoud ik mij het recht voor de gronden later aan te vullen. Cliënte verzoekt verweerder een afschrift van zijn complete dossier in het geding te brengen, om over de stukken geen onduidelijkheden te laten bestaan.

 

 

Hoogachtend,

Mr M.J. de Witte

 

 

Bijlagen:

 

Aanmelding augustus september 2000

Brief B d.d. 8 februari 2001

Brief B d.d. 20 november 2000

Brief C d.d. 7 november 2000

Brief C d.d. 24 oktober 2000

Brief F d.d. 29 mei 2001

Brief F d.d. 14 mei 2002

Brief D d.d. 13 juni 2002

Samenvatting I, psychiater

 

Gebruikte afkortingen van namen i.v.m. privacy:

  1. A: klaagster, in de tekst ‘cliënte’ c.q. ‘patiënte’ genoemd
  2. B: verweerder, de beklaagde psychotherapeut
  3. C: psychologe die een psychologisch onderzoek afnam van A.
  4. D: huisarts van A.
  5. E: seksuologe, verbonden aan de praktijk van B
  6. F: gz-psycholoog, huidige therapeute van A
  7. G: GGZ instelling waar A in het verleden ooit een intakegesprek had
  8. H: een van de beroepsverenigingen waarbij B volgens zijn eigen briefpapier aangesloten zou zijn. M.b.t. de vereniging H bleek dat hij jarenlang ten onrechte vermelding van dat lidmaatschap had gemaakt.
  9. I: psychiater (bekend met de zaak F.F.)
  10. J: psycholoog-psychotherapeut & psychoanalyticus, toen verbonden aan de praktijk van B. en tevens, zoals nu uit het verweer blijkt, was hij de therapeut van F.F. die A. toen nog misbruikte. Dader en slachtoffer waren dus – zonder ervan kennis te hebben – in therapie bij dezelfde praktijk, blijkt nu jaren na dato.
  11. K: psycholoog, verbonden aan de praktijk van B.
  12. L: psycholoog-psychotherapeut.
  13. M: secretaris van beroepsvereniging H.
  14. N: psychiater, nu werkzaam voor het AMC.
  15. O: psychiater met ervaring van behandeling van grensoverschrijdende professionals.
  16. P: Psychotherapeute bij wie A. eerder in therapie was.
  17. Q: hoogleraar forensische psychologie.

Nota bene: In verband met het feit dat de psychotherapeut F.F. evenals het AMC al eerder door de media werden genoemd, zijn voor betreffende partijen geen verdere afkortingen gebruikt.

F.F.:   psycholoog-psychotherapeut te Amsterdam die A psychologisch, emotioneel en seksueel had misbruikt.

AMC:  werkgever van F.F. gedurende meer dan 25 jaar, t/m 31 augustus 2001, ontslag wegens ongeschiktheid.

Lijst met opmerkingen van klaagster

(1) Een kopie van het verzoek aan mw. C. heeft B. tot dusver nog niet in de procedure ingebracht en klaagster beschikt niet over betreffend stuk. Het wordt hieruit dus geenszins duidelijk dat het om een verlengde intakefase zou zijn gegaan en niet om reguliere therapeutische sessies zoals aan klaagster werd medegedeeld.

(2) Het ging om een afspraak van ¾ uur per week, onderbroken door de kerstvakantie. Wekelijkse en tweewekelijkse therapeutische contacten zijn juist heel gebruikelijk en geven geenszins aan dat er geen sprake zou zijn van het volgen van een reguliere therapie.

(3) Dat was juist helemaal niet het geval, in tegendeel zelfs.

(4) A. heeft geen enkele cliënt (patiënten heeft hij niet, hij is geen arts) van B. ooit gesproken, laat staan hem zwart gemaakt bij mensen die zijn niet eens kent noch heeft gesproken. A. heeft inderdaad en uiteraard haar eigen huisarts binnen de bestaande vertrouwensrelatie ingelicht over het gebeurde. Immers had de huisarts haar verwezen naar een adres waar naartoe beter niet verwezen had kunnen worden en achtte A. dat in het belang van andere gebruikers van de zorg dan ook heel belangrijk om aan te geven. Wat uit dit stuk wel duidelijk wordt, is dat B. van mening is dat een patiënt misstanden binnen de zorg niet eens bij de huisarts zou mogen uiten, niet eens binnen een professionele behandelrelatie die een vertrouwensrelatie dient te zijn. Hetzelfde geldt voor de commissie aan die A. het gebeurde in schriftvorm overlegde zonder de naam van B. te noemen. B. werd in die stukken ‘***’ genoemd… een zwakke basis voor een procedure wegens smaad, laster en het voeren van een hetze. Bovendien klopte A. niet aan met de bedoeling directe informatie te verstrekken over B. maar met een ervaringsverhaal betreffende ene *** en met de vraag wat nu in deze het beste te doen.  

(5) Verkeerd  begrepen door B.: klaagster bedoelde niet dat hij niet van  het stellen van vragen houdt maar dat hij er niet van houdt als een cliënt vragen stelt.

(6) Hoe verhoudt zich dit tot zijn eerdere, naar de huisarts schriftelijk geformuleerde uitspraak dat klaagster ‘weifelend’ (brief aan huisarts) aan het onderzoek zou hebben deelgenomen??

(7) Jammer genoeg is er bewijs dat klaagster niet wegliep maar eruit werd gegooid enz. (zie klaagschrift) waardoor de korte benen van bijna alle leugens nogal op hele korte pootjes terecht komen – en die zijn te zwak voor het kolossale leugengebouw dat verweerder met toewijding heeft opgebouwd.

(8) Opmerkelijker wijze dient de psychotherapeut de brieven die cliënte aan hem schreef – als onderdeel van de intake omdat e.e.a. voor haar makkelijker was om op schrift te zetten – niet bij het RTC in. Gezien de inhoud van die brieven is dat inderdaad ook maar beter zo vanuit zijn perspectief want zij bevestigen dat e.e.a. dat hij hier stelt alles behalve correct is. Zo blijkt er b.v. uit dat cliënte, niet zoals hij hier stelt, dingen achterhoudt en het moeilijk zal zijn een vertrouwensrelatie met haar op te bouwen – precies het tegenovergestelde, een uitermate open houding en alle denkbare bereidwilligheid in het ter beschikking stellen van alle relevante informatie over de bestaande situatie, het verleden, problematiek , gevoelens enz. blijken daar duidelijk uit.

www.misbruikdoorhulpverleners.nl