-         Pseudo Professioneel: Medische Tuchtrechtspaak –

 

Grensoverschrijdend gedrag (GOG) door vrijgevestigde psychiater (m) uit de regio Dordrecht (2002)

 

 

 

7. Uitspraak tuchtcollege en commentaar redactie MdH

 

 

 

 

Uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege  voor de Gezondheidszorg

Den Haag

 

 

 

 

Zaaknummer: 00 O 166

 

Datum uitspraak: 30 juli 2002

 

Het Regionaal Medisch Tuchtcollege te ’s-Gravenhage heeft de navolgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

 

A.

Wonende te A.,

Klaagster,

 

tegen:

 

X.

Psychiater,

Wonende te A.

De persoon over wie geklaagd wordt,

Hierna te noemen de arts.

 

1. Het verloop van de procedure

Bij brief van 29 november 2000 diende klaagster een klacht in met betrekking tot de arts. Op 5 januari zond klaagster het College nog enige aanvullende stukken toe. Namens de arts heeft Mr. K., advocaat te Z, een verweerschrift ingediend. Hierop volgde een reactie op het verweerschrift zijdens klaagster, opgesteld door Mr. B., advocaat te C.

 

De arts heeft een dupliek genomen. Klaagster heeft nog meerdere brieven met bijlagen doen toekomen. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om in het kader van het vooronderzoek te worden gehoord. De mondelinge behandeling van de klacht vond plaats op 4 juni 2002. Zowel klaagster als de arts waren daarbij aanwezig, bijgestaan door hun al genoemde raadslieden. Deze laatste hebben zich van hun pleitnota bediend.

 

2. De klacht

Klaagster is in de periode van 23 juni 1999 tot en met 5 april 2000 bij de arts in behandeling geweest. Zij hebben 38 psychotherapeutische gesprekken gehad. Klaagster kwam bij de arts wegens klachten van depressieve aard. Zij ervoer die als langdurige en knagende gevoelens van onevenwichtigheid en vervreemding, die haar bovendien neerslachtig maakten. Van meet af aan voelde klaagster zich gespannen in de aanwezigheid van de arts. Zij heeft hem dit ook gemeld. Ook vertelde zij hem dat zij hem op een of andere manier niet vertrouwde. De arts stelde vast dat hij klaagster niet mocht “beschadigen” en beloofde haar altijd voor dissociatie te zullen behoeden. Allengs veranderde evenwel de sfeer tussen klaagster en de arts en begonnen ook de gesprekken van toon te veranderen. Klaagster kon er niet precies haar vinger opleggen en verbond er daarom ook geen conclusies aan, maar zij voelde zich huiverig worden tijdens en na elke nieuwe confrontatie met de arts. De sfeer in de behandelkamer werd broeierig. De arts deed meer en meer uitspraken zonder context, waarvan klaagster de betekenis niet kon plaatsen. Steeds vaker begon de arts over zichzelf, zijn dochters en zijn huiselijke omstandigheden te praten. Hij vertrouwde klaagster zelfs meer dan eens allerlei intimiteiten over zichzelf en zijn kinderen toe, zoals de verschillende slaapplekken in zijn huis en de maandcyclus van zijn dochters. Daarbij werden zijn uitlatingen almaar dubbelzinniger en zo ongepast en indringend dat klaagster zich in zijn aanwezigheid als vrouw bedreigd begon te voelen. Ondanks al deze onverkwikkelijke momenten was klaagster niet in staat afstand tot de arts te nemen.

 

Op 5 april 2000 ging het op een verschrikkelijke manier mis. Klaagster was amper binnen, toen de arts haar volslagen verraste door een kant en klare brief aan haar huisarts voor te lezen. Klaagster begreep daaruit dat haar behandeling ten einde zou lopen. Enige vorm van overleg aangaande het staken van haar behandeling hadden de arts en klaagster echter niet gevoerd. In de navolgende periode voelde klaagster zich hevig gekwetst, misbruikt, vernederd, woedend en verraden, als afval aan de straat gezet. Haar zelfrespect was zij kwijt en haar zelfvertrouwen maakte plaats voor faalangst en een gevoel van totale machteloosheid.

 

3. Het verweer van de arts

Klaagster is gedurende twee perioden bij de arts in behandeling geweest wegens een ernstige dissociatieve stoornis. Dat was allereerst van 11 september tot en met 17 december 1997 en daarna van 23 juni tot en met 5 april 2000. De behandeling gedurende de laatste periode bestond uit een exploratieve psychotherapie in een ondersteunend klimaat, met als doel de achtergronden van de dissociatieve klachten te ontdekken. Tot aan de behandeling op 5 april 2000 ging het geleidelijk aan steeds beter met klaagster. Haar dissociatieve en angstklachten verminderden en werden steeds beter hanteerbaar. Hierdoor ging klaagster ook steeds beter functioneren, waardoor zij bijvoorbeeld weer in staat was om te solliciteren. Tijdens de therapieën heeft de arts gepoogd een voor klaagster veilig klimaat te creëren. De arts heeft zich daarbij ondersteunend opgesteld. Nimmer heeft hij zich grensoverschrijdend jegens klaagster geuit. Met name heeft hij geen ongepaste en/of indringende opmerkingen over zichzelf en zijn privéleven verteld. Hij heeft niet gesproken over de maandcyclus van zijn dochters en evenmin over de verschillende slaapplekken in zijn huis. Dat klaagster meende dat de arts tijdens zijn behandelingen grensoverschrijdend te werk ging, heeft de arts pas achteraf vernomen. In geen van de 38 behandelsessies heeft klaagster dit aan de orde gesteld. Evenmin heeft klaagster ooit aangegeven dat zij de arts niet vertrouwde. Tot aan het consult op 5 april 2000 heeft de arts geen enkele aanleiding gehad om te veronderstellen dat klaagster, zoals zij dat in haar klaagschrift noemt: “op één of andere manier niet in staat was om afstand van hem te nemen.

 

Tijdens de behandeling van 5 april 2000 heeft de arts aan klaagster medegedeeld dat hij als tussentijdse rapportage een brief aan haar huisarts had geschreven. Hij heeft de brief aan klaagster voorgelezen en bij haar geïnformeerd of zij het met de inhoud daarvan eens was. Anders dan klaagster meent hield deze brief niet een aankondiging van het einde van de therapie in. Wel heeft de arts naar aanleiding van de brief aangegeven dat, gezien de verbetering van de klachten van klaagster, hij de afrondingsfase bespreekbaar wilde maken. De arts heeft geenszins de suggestie gewekt of willen wekken dat de behandeling abrupt moest eindigen. De arts betreurt het dat de klaagster zich hierdoor “misbruikt, vernederd, woedend en verraden – als afval aan de straat gezet”voelde. Dit was niet zijn bedoeling.

 

4. De beoordeling

De klachten van klaagster houden in dat de arts ernstig grensoverschrijdend gedrag heeft getoond en dat hij de behandeling zonder overleg heeft beëindigd. Het door klaagster bedoelde ernstig grensoverschrijdend gedrag heeft – naar klaagster ter zitting ook heeft bevestigd – in het bijzonder hierin bestaan dat de arts opmerkingen van min of meer seksuele en ook strikt persoonlijke aard heeft gemaakt, die naar het inzicht van klaagster in het kader van de aan haar gegeven therapie geen plaats hadden. De arts heeft het maken van dergelijke opmerkingen weersproken. Klaagster stelt van deze opmerkingen aantekening te hebben gehouden. Ze heeft deze aantekeningen als een bijlage bij haar klacht ingezonden. De arts heeft evenzeer aantekeningen van de gesprekken gehouden. Het College heeft ook daar kennis van genomen.

 

Nu de arts uitdrukkelijk heeft weersproken opmerkingen te hebben gemaakt als door klaagster bedoeld, staat het College voor de vraag of het als vaststaand kan aannemen dat dergelijke opmerkingen zijn gemaakt. Voorts zal het College moeten onderzoeken of de bedoelde opmerkingen dan vermeden hadden moeten worden. Bij de beantwoording van deze vragen moet in het oog worden gehouden dat een therapie als waaraan klaagster zich had onderworpen confronterend van karakter kan zijn, zonder dat daarmee gegeven is dat in acht te nemen grenzen worden overschreden. Uit de aantekeningen van de arts blijkt dat intieme zaken en zeer persoonlijke aspecten van klaagster en het leven dat zij achter zich heeft, aan de orde zijn geweest. Noot klaagster: Uit geen enkele aantekening van de arts blijkt dat hij intieme zaken met haar heeft besproken. Uit de correspondentie van verweerder aan de huisarts, heeft verweerder in zijn brief van 10 juli 1999, onder het kopje seksualiteit en relaties, de letterlijke tekst hiervan overgenomen uit zijn brief van 21 september 1999. In de periode van 23 juni 1999 t/m 5 april 2000 is dit onderwerp in zijn geheel niet aan de orde geweest! Tijdens de zitting stelt Prof. dr. M.H. Hengeveld de vraag aan verweerder wat hij bedoelde met de opmerkingen over de menstruatie van zijn dochters. Verweerder zegt letterlijk tijdens de zitting: ”Ik  maakte me ernstig zorgen hierover!” Hiermee heeft verweerder zelf aangegeven dat hij dit onderwerp wel degelijk met klaagster heeft besproken!

Wanneer het College dit mede in acht neemt, kan het niet tot de conclusie komen dat opmerkingen als thans aan de arts worden verweten hoe dan ook niet aanvaard zouden kunnen worden. Deels zouden zij een functie kunnen hebben gehad in het gesprek zoals zich dat telkens ontwikkelde, deels zouden zij ook bedoeld kunnen zijn geweest om reactie van de kant van klaagster te bevorderen.

 

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de bedoelde opmerkingen, of nu aangenomen wordt dat de arts deze gemaakt heeft of niet, niet als grensoverschrijdend behoeven te worden aangemerkt. Aanwijzingen dat daarover in dit geval anders zou moeten worden geoordeeld, heeft het College niet gevonden. Dat klaagster deze ten tijde van het maken daarvan telkens als zodanig heeft ervaren, lijkt het College bovendien aan twijfel onderhevig. Het is immers moeilijk voorstelbaar dat klaagster daar dan nimmer iets over gezegd zou hebben en dat zij desondanks de behandeling door heeft laten gaan. Noot van Klaagster: In de aantekeningen van verweerder staat op 8 december  1999 onder punt 2: “Wil mijn verhalen over omgang met (zijn!) kinderen niet horen. In de aantekeningen van 13 januari 2000 staat: “Wil geen persoonlijke dingen weten”. In de aantekeningen van 15 maart 2000 staat: “Komt niet graag bij mij! Het blijft verwarrend. Wil het liefst niets laten zin. Voelt zich ontzettend geblokkeerd. Is absoluut niet zo. Het heeft niks te maken met man , vrouw inrichting, kleding, etc. Besproken dat ze altijd 2 over 1 komt IK WiL NIET KOMEN”. Daar komt nog bij dat aannemelijk is geworden dat klaagster tijdens de behandeling weerbaarder is geworden, hetgeen onder andere daaruit bleek dat zij het plan had opgevat om weer te gaan studeren. De eerste klacht kan dan ook niet worden aanvaard.

 

Ten aanzien van de tweede klacht geldt het volgende. De arts heeft op 2 april 2000 een brief opgesteld die hij aan de huisarts van klaagster wilde zenden.Op 5 april 2000 heeft de arts deze brief aan klaagster voorgehouden. De brief houdt een relaas in van de behandelingen die de arts klaagster heeft gegeven en van de ontwikkelingen die zich daarbij hebben voorgedaan. De brief eindigt met de opmerking dat de arts de huisarts opnieuw zal berichten over het beloop van de terminatiefase.

 

Het College wil wel met klaagster aannemen dat zij door het voorlezen van deze brief is overvallen. Ook de arts heeft niets aangegeven waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij klaagster had voorbereid op een beëindiging van de behandelrelatie. Daar staat tegenover dat de brief niet inhield dat de relatie terstond werd beëindigd. Er zou immers eerst nog sprake zijn van een terminatiefase. Het College vraagt zich af of de arts deze nieuwe fase in de behandelingsrelatie niet op een andere manier had kunnen aankondigen. Het gaat het College evenwel te ver om daar de conclusie aan te verbinden dat de arts niet de zorg heeft betracht die hij gehouden was ten opzichte van klaagster in acht te nemen. Hierbij neemt het College in aanmerking dat de arts nadien nog twee keer een gesprek met klaagster heeft gehad, waarbij deze kwestie uitgebreid aan de orde is gekomen, en dat een heftige reactie van de patiënt op het beëindiging van een therapie een veel voorkomend verschijnsel is, waaruit niet zonder meer kan worden opgemaakt dat die beëindiging onjuist was of de arts moet worden verweten. Ook deze klacht kan dan ook niet worden aanvaard.

 

Door klaagster zijn bij repliek en nadien tijdens de terechtzitting nog nadere klachten geformuleerd. Het College acht deze niet van zodanig belang dat daar verder op in behoeft te gaan. Zij vinden hun weerspreking in de dupliek. Noot klaagster: Hiermee worden alle overgelegde stukken, inclusief de pleitnota van klaagster volkomen genegeerd! Bovendien heeft de voorzitter tijdens de zitting aangegeven dat er geen klacht over het medisch dossier mocht worden ingediend!

 

Rechtdoende: Wijst de klacht af.

 

Deze beslissing is gegeven door:

 

en uitgesproken ter openbare zitting van 30 juli 2002.

 

 

 

Voorzitter                                                                                                                   secretaris

 

 

Klaagster, de persoon over wie geklaagd is, alsmede de Inspecteur voor de Gezondheidszorg kunnen tegen deze beslissing hoger beroep instellen bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. De mogelijkheid van beroep staat open binnen zes weken na de dag van verzending van deze beslissing aan partijen Het tot het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Medisch Tuchtcollege te ‘s- Gravenhage, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.

 

 

 

 

 

 

Commentaar redactie Misbruik door Hulpverleners (MdH)

 

                           

Wij hebben met de publicatie van bovengenoemde tuchtrechtprocedure willen laten zien hoe uitermate onprofessioneel het Regionaal Medisch Tuchtcollege in Den Haag omgaat met klachten t.a.v.grensoverschrijdend gedrag. Opmerkingen van klaagster, die niet anders dan seksueel intimiderend genoemd kunnen worden, werden door voornoemd College ‘therapeutisch’genoemd.

 

Dergelijke uitspraken doen geen recht aan de klagende partij en dragen zeker niet bij tot meer kwaliteit binnen de gezondheidszorg. Het College is bij deze dan ook volkomen voorbij gegaan aan de ingediende klacht van klaagster. Deze laat aan duidelijkheid niets te over. Ten eerste stelt zij grensoverschrijdend gedrag te hebben ervaren met de beklaagde psychiater. Het moge duidelijk zijn dat klaagster voldoende stukken heeft aangedragen waaruit dergelijk grensoverschrijdend gedrag blijkt. 

 

Ten tweede stelt klaagster het grensoverschrijdende gedrag van de psychiater aan de orde tijdens het gehele gesprek van 5 april 2000, waarin zij zich volledig kwijtraakte. Haar nieuwe behandelaar spreekt van “een grensoverschrijdende relatie waarin patiënte werd geretraumatiseerd”. De aangedragen bewijslast zoals brieven van haar nieuwe behandelaar, huisarts, verzekeringsarts en niet te vergeten het geheel gemanipuleerde medisch dossier, wordt door het College volkomen genegeerd. De redactie van MdH merkt hierbij op dat zij inzage heeft gehad in het medisch dossier. Het is overduidelijk dat de beklaagde arts hierin talloze veranderingen heeft aangebracht. (Aangezien de aantekeningen handgeschreven zijn, hebben wij deze om redenen van privacy niet gepubliceerd).  Ook dat kan het College niet zijn ontgaan. Tenslotte worden de repliek en de pleitnota van klaagster, waarin e.e.a. uitvoerig wordt beschreven eveneens genegeerd. Het enige dat telt voor het College is het verweerschrift van de beklaagde arts evenals zijn dupliek. De arts stelt hierin dat hij zich niet herkent in de klachten van klaagster en dat is voldoende voor het College om de klacht af te wijzen. Het College gaat, gemakshalve, eveneens voorbij aan de tweede klacht van klaagster, n.l. het gesprek van 5 april 2000. Dit wordt afgedaan met de opmerking dat klaagster het voorlezen van de brief als grensoverschrijdend heeft ervaren, terwijl zij heel duidelijk in haar klaagschrift stelt dat zij het gehele gesprek als grensoverschrijdend, dan wel traumatisch heeft ervaren. Het College doet het voorkomen dat de tweede klacht berust op een onzorgvuldige beëindiging van de therapie. In het klaagschrift wordt dit echter nergens aan de orde gesteld.

 

Andere klachten van klaagster werden eveneens genegeerd. Het College achtte deze niet van zodanig belang dat daar verder op ingegaan diende te worden want ze vinden hun weerspreking in de dupliek.

 

Het tuchtcollege heeft met deze ‘kluchtcollegiale kromspraak’ weer eens duidelijk laten zien dat het beter is de handen boven het hoofd van een grensoverschrijdende psychiater te houden. Dat er een collega psychiater is die er alles aan doet om dit soort misstanden aan de kaak te stellen, wordt door het College niet op prijs gesteld. Sterker nog, een van de collegeleden heeft deze welwillende collega (de toenmalige behandelaar van klaagster) laten weten dat hij te ver is meegegaan met het verhaal van zijn patiënte. Bovendien mocht hij blij zijn dat de aangeklaagde arts tegen hem nog geen klacht had ingediend wegens smaad. Je wordt door het tuchtcollege als een dissident beschouwd als je een collega afvalt en in alle redelijkheid achter je patiënt staat. Liever een grensoverschrijdende collega dan een integere.

 

Klaagster heeft destijds geen hoger beroep ingesteld. Ten eerste was zij daar zowel fysiek als mentaal niet meer toe in staat. Bovendien kon zij niet meer nieuwe feiten aandragen naast hetgeen zij al had laten zien. Als uit die stukken ondubbelzinnig blijkt dat er wel degelijk sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag en het wordt door het College genegeerd, dan is er weinig meer dat klaagster kon doen. De vraag die blijft, en die men zich helaas maar al te vaak moet stellen nadat medische tuchtcolleges uitspraak hebben gedaan, en dan wel in het bijzonder in zaken betreffend grensoverschrijdend gedrag door hulpverleners, is: waarom krijgt de klagende partij ongelijk? Dat een hooggeleerde psychiater en tevens seksuoloog niet in staat bleek te zijn seksueel grensoverschrijdend gedrag te herkennen en als dusdanig te benoemen, is stuitend. Hieruit blijkt wel dat het betreffende lid van het tuchtcollege bij het beoordelen van zaken betreffend seksueel grensoverschrijdend gedrag door hulpverleners dezelfde onprofessionele, laakbare attitude handhaaft die hij o.a. ook zwart op wit via onderstaande publicatie uitdraagt. Omwille van het feit dat is gebleken dat prof. Hengeveld zowel in theorie als in de praktijk alles behalve een geschikte kandidaat blijkt te zijn zich op professionele, onbevooroordeelde wijze met het onderwerp ‘seksualiteit in de psychiatrie’ uiteen te zetten, achten wij hem dus ook geenszins geschikt het symposium ‘Seksualiteit in de Psychiatrie’ voor te zitten, hetgeen voor ons reden was de actie ER ZIJN GRENZEN! te voeren. Meer informatie over deze actie treft u in onze rubriek PROJECTEN aan. 

 

Met een variant op het omstreden artikel De medicus en de min en hoe het verder ging’ van Prof. dr. M.W. Hengeveld wil de redactie van MdH u tenslotte twee  brieven niet onthouden waaruit blijkt hoe het met ‘de min’ verder ging. Ga hiervoor naar punt 8 ‘Hoe het verder ging’ van deze publicatie.  

 

 

Redactie Misbruik door Hulpverleners (MdH)

15 februari 2005

 

www.misbruikdoorhulpverleners.nl