Grensoverschrijdend
gedrag (GOG) door vrijgevestigde
psychiater (m) uit de regio
Dordrecht (2002)
|
7. Pleitaantekeningen van klaagster en verweerder |
|
Pleitnota klaagster |
Mondelinge
behandeling
Regionaal Medisch
Tuchtcollege ‘s Gravenhage
4 juni 2002 te 14.00 uur
kenmerk: 00 O166
AANTEKENINGEN M. B.
Inzake:
A. wonende te A..
Klaagster
Gemachtigde :
mevrouw Mr. B.
tegen:
X.
wonende
te A..
beklaagde
gemachtigde:
De heer Mr K.
Weledelachtbaar
college,
Klaagster zal
hierna worden aangehaald als ‘cliënte’ en beklaagde als ‘de arts’.
Inleiding
In het kader van het
medisch tuchtrecht worden klachten getoetst aan de normen zoals neergelegd in
artikel 47 BIG. De normen van voornoemd artikel zijn:
-
Enig handelen of nalaten dat in strijd is met de zorg die de
beroepsbeoefenaar in zijn hoedanigheid behoort te betrachten dan wel
-
Enig ander handelen dat in strijd is met het belang van een
goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.
Cliënte is van
mening dat de arts in zijn behandeling jegens haar ernstig te kort is geschoten
op grond waarvan hij zich schuldig heeft gemaakt aan schending van
bovengenoemde normen. Deze schending heeft betrekking op de:
I.
Medisch technische aspecten:
II.
Informatie en toestemming
In het
hiernavolgende zal per onderdeel gemotiveerd worden aangegeven waaruit de
schending van de tuchtrechtelijke normen door de arts, welke onder andere
hebben geleid tot het grensoverschrijdend
gedrag, bestaan. In de conclusie zullen de gronden worden aangegeven waarom
de arts zich niet heeft gedragen zoals het een redelijk zorgvuldig en redelijk
handelend arts betaamt.
Het gesprek van 5 april 2000 van de arts en cliënte
heeft de ogen van cliënte als het ware geopend hetgeen er tot het indienen van
de klacht van cliënte dd. 29 november 2000 heeft geleid. Voor de goede orde; hiertoe gaat een patiënt niet zomaar over. Met
behulp van haar huisarts de heer Dr W. , de psychologe mevrouw Drs V. en psychiater
de heer Dr Y. heeft cliënte zich van het gebeurde weten los te maken en is zij
gaan inzien dat het gedrag van de arts als grensoverschrijdend dient te worden
gekarakteriseerd. Uit het medisch dossier kan vervolgens worden opgemaakt hoe
onzorgvuldig en inconsequent de werkwijze van de arts is. Aan de hand van
voorbeelden zal dit duidelijk worden gemaakt.
Tussen de indiening van de klacht en de hoorzitting is
enige tijd verlopen. Het was echter dit tijdsverloop dat het vorenstaande
mogelijk heeft gemaakt. Voordien was cliënte hiertoe emotioneel, mentaal en
psychisch gezien niet in staat. Thans is cliënte in staat het gebeurde in het
juiste perspectief en haar klacht in het juiste kader te plaatsen.
Voor de diagnostiek
heeft de arts zich geheel laten leiden door de door hem afgenomen anamnese.
Ingevolge de voor een gemiddeld psychiater tot de gebruikelijke kennis behorende
literatuur, is het te doen gebruikelijk dat bij de diagnosestelling een stappenplan te worden gevolgd. Dit
stappenplan maakt een zeer belangrijk deel uit van het psychiatrisch onderzoek.
Uit geen van de door de arts overgelegde
stukken blijkt dat er ooit conform de medische standaard een stappenplan is
gevolgd c.q. dat er een doelgericht onderzoek heeft plaatsgevonden op grond
waarvan de vergaande diagnose ‘dissociatieve stoornis’ kon worden gesteld. Zo
is er nimmer de door Hart gestelde gangbare test van Bernstein & Putman
1986 bij cliënte afgenomen voor de classificatie hiervan. Dit klemt temeer
daar de arts ter onderbouwing van zijn diagnose ‘dissociatieve stoornis’ in een
van zijn brieven aan de huisarts van cliënte aan de theorie van Hart refereert
terwijl de arts een paar dagen eerder in zijn brief aan de bedrijfsarts van
cliënte zijn diagnose plotseling aanscherpt met ‘ernstige dissociatieve
stoornis, ingevolge classificatie DSM IV. Enige grondslag c.q. reden voor deze
plotselinge aanscherping ontbreekt volledig in het medisch dossier.
Het is in dit kader
onvoorstelbaar dat de arts de diagnosestelling en de daaraan verbonden
behandeling in cliënte zou hebben besproken c.q. dat hierover consensus zou
hebben bestaan. Aan cliënte werd slechts
de diagnose medegedeeld. Enig inzicht over de te volgen behandeling werd door
de arts niet gegeven.
Sedert de escalatie
van 5 april 2000 heeft cliënte zich verdiept in de wijze waarop gewoonlijk
patiënten lijdende aan dissociatieve stoornissen dienen te worden behandelend.
De behandeling die cliënte van de arts heeft gehad, is hiermee volledig
tegenstrijdig. In dit kader wordt verwezen naar het boek van de heer O. van der
Hart “Trauma Dissociatie en Hypnose”. Nu de arts in zijn brief van 21 september
1997 naar de publicatie van de heer Van der Hart verwijst mag worden aangenomen
dat de arts met de inhoud hiervan bekend is.
Uit de brieven van
psychiater Dr. Y. blijkt onverkort dat door de arts een totaal verkeerde
diagnose is gesteld. Dat de gevolgen hiervan voor cliënte traumatisch zijn,
volgt tevens uit voornoemde rapportages.
Uit het
vorenstaande volgt dat cliënte van mening is dat door de onjuiste wijze van
diagnose vaststelling de arts de onjuiste diagnose is gesteld. Cliënte beseft
dat een diagnosestelling met name in de psychiatrie een
waarschijnlijkheidsdiagnose is. Echter uit het medisch dossier volgt onverkort
dat er voor de bijstelling van de diagnose voldoende aanleiding was. Hieronder
zullen enkele voorbeelden ter verduidelijking hiervan worden gegeven.
Desalniettemin bleef de arts zich strikt vasthouden aan zijn primaire
diagnose.
In zijn brieven van
27 september en 22 oktober 1997 aan de toenmalige huisarts van cliënte de heer
Dr. W., stelt de arts na slechts twee consulten met cliënte de diagnose
‘dissociatieve stoornis’. Gelet op de milde aard ernst van de klachten, stelt
de arts dat met een medicale behandeling kan worden volstaan. In dit kader is
de brief van 16 november 1997 aan de bedrijfsarts de heer Drs. M. opmerkelijk
aangezien de arts in deze brief plotseling spreekt van een ‘ernstige
dissociatieve stoornis’ daarbij verwijzend naar zijn eerste onderzoek van 11
september 1997.
Naast het feit dat het medisch dossier geen enkele
aantekening bevat waaruit de toename van de klachten van cliënte zou blijken,
is zulks geheel in tegenspraak met de brief van de arts aan de huisarts van
cliënte dd. 23 november 1999 alsmede met de aantekeningen van
5 november 1997 van het medische dossier waarin staat
vermeld dat het uitstekend gaat met cliënte.
Vervolgens vindt op
19 december 1997, drie maanden na het eerste consult, het laatste consult
plaats waarmee tevens de behandeling als gerond wordt gezien. Kortheidshalve
wordt bij deze verwezen naar de brief van de arts aan de huisarts van cliënte
dd. 21 december 1997 waarin de arts expliciet aangeeft dat van een
psychiatrische problematiek niet langer sprake is. Van enige begeleiding c.q.
nazorg was geheel geen sprake. Dit klemt te meer gezien de medicatie die de
arts cliënte nog had voorgeschreven. Hierop wordt later teruggekomen.
Uit de literatuur
valt op te maken dat gezien de ernst van de door de arts vastgestelde
psychiatrische stoornis, genezing in drie maanden tijd zeer opmerkelijk te
noemen is. Tenslotte mag niet onvermeld blijven dat er nimmer een
evaluatiegesprek heeft plaatsgevonden.
Aangezien cliënte
de arts als haar behandelend psychiater zag, nam zij op advies van de huisarts
in juli 2000 weer contact op met de arts wegens terugkerende klachten voor het
maken van een nieuwe afspraak.
Uit de
correspondentie van de arts aan onder meer de huisarts van cliënte volgt dat de
arts voor wat betreft zijn behandeling van cliënte voortborduurt op zijn
eerdere diagnose van 1999. Dit bevreemdt cliënte gezien de eigen aantekeningen
van de arts van het medisch dossier d.d. 23 juni 1999 waarin wordt
geconcludeerd dat er van een dissociatieve stoornis geen sprake is. In dit
kader verwijst cliënte naar het hierboven eerder gestelde, namelijk: ondanks
voornoemde conclusie borduurt de arts vervolgens rustig voort op de door hem
eerder in 1997 gestelde diagnose. Wederom werden er met cliënte geen afspraken
gemaakt ter zake de behandeling laat staan dat er überhaupt sprake was van enig
behandelplan.
Ook met betrekking
tot de wijze van het voorschrijven van de medicatie valt een en ander op te
merken.
Ten eerste komt het
verscheidene malen voor dat omtrent de voorgeschreven medicatie geen
aantekeningen zijn opgenomen in het medisch dossier.
Voorts is de dosering
van de medicatie enige malen gewijzigd zonder dat hierover enige overleg met
cliënte had plaatsgevonden. Tenslotte bevat het medisch dossier omtrent de
voorgeschreven dosering enige onjuistheden.
Bij recept van 12
juli 1999 kreeg cliënte van de arts 1 tablet Ludiomil à 75 mg. voorgeschreven.
Tijdens het consult van 1 september 1999 wordt deze dosering, zonder overleg
met cliënte, verhoogd van 75 tot 122,5 mg.
Volgens de
aantekening behorende bij de sessie van 1 oktober 1999 zou de dosering van het
medicijn Risperdal een ½ in plaats van 1 tablet zijn, hetgeen onjuist is.
Bij recept van 22
oktober 1999 werd aan cliënte voorgeschreven: ½ tablet Anafranil à 75 mg. en 1
tablet Anafranil à 25 mg., hetgeen betekent dat cliënte per dag 62 ½ mg.
Anafranil van de arts voorgeschreven heeft gekregen. Het was deze dosering die
cliënte tot het consult van 5 november 1999 innam. Op 5 november 1997 kreeg de
vrouw vervolgens een nieuw recept mee van 37 ½ mg. Anafranil, zonder dat zulks
met haar over een verlaging was gesproken. Tenzij de arts een vooruitziende
blik had is de opmerking van de arts in
het medisch dossier dd. 5 november 1999 dat ’37 ½ mg. Anafranil uitstekend
gaat’ hoogst merkwaardig te noemen. Vervolgens wordt bij het consult van 19
november 1999 (en niet, zoals in de aantekening van 19 december 1999 in het
medisch dossier staat vermeldt 12 november) de dosering verhoogd tot 75 mg.
Deze verhoging staat lijnrecht tegenover het bericht van de arts aan de
huisarts van cliënte dat cliënte herstellende was. Het moge duidelijk zijn dat
in de door de arts voorgeschreven medicatie geen enkele consistentie zit.
In de aantekening
van de sessie van 13 oktober 1999 schrijft de arts dat de dosering van cliënte
aangaande Ludiomil 37 ½ mg. bedraagt. Cliënte heeft echter nimmer een halve
tablet geslikt. Ook van deze wijziging van de dosering was cliënte niet op de
hoogte.
Terwijl cliënte op 19 november 1997 nog medicijnen
voorgeschreven had gekregen, werd op die datum de behandeling door de arts als
beëindigd beschouwd. Ook mogelijke bijwerkingen van de door de arts
voorgeschreven medicatie alsmede de afbouw hiervan, bleven onbesproken. Op 10 december
heeft cliënte de arts telefonisch benaderd met de mededeling dat zij door de
verhoging van de medicatie last had van diarree. Er werd afgesproken de
medicatie te stoppen. Een laatste afspraak is tenslotte n.a.v. genoemd
telefoongesprek gemaakt op vrijdag 19 december 1997.
De beëindiging van
de behandeling van 1999/2000 was zeer traumatisch voor cliënte. Dat dit, zoals
de arts stelt, hem onopgemerkt is gebleven, getuigt niet van enige
professionaliteit. Dit klemt temeer daar de arts zelf aanduidt te hebben
bemerkt dat cliënte de consulten als uitermate belastend ervoer. In plaats van
de huisarts omtrent het moeilijke verloop te informeren en hieraan zijn
consequenties te verbinden, doet de arts het voorkomen dat dit een onderdeel
zou uitmaken van de (voor cliënte onbekende) therapie. Het was uiteindelijk
cliënte die geheel afgaande op haar gevoel de huisarts consulteerde en over de
gang van zaken informeerde. De huisarts constateerde direct dat er is mis was,
reden waarom hij cliënte direct doorverwees naar Drs. V., de psychologe. Met
behulp van Drs. V., die de problematiek direct onderkende, kon cliënte de
eerste stap nemen om zich los te maken van de arts. Bij twee van de drie
gesprekken die cliënte vervolgens met de arts had, is haar echtgenoot aanwezig
geweest. Tijdens deze gesprekken heeft cliënte de arts aangesproken over de
door hem gemaakte onheuse opmerkingen tijdens de sessie van 5 april 2000, welke
geen door de arts werden weersproken. Het enige dat de arts hierop te zeggen
had was dat hij wellicht niet de juiste woorden had gebruikt.
Nadat dit proces
was voltooid kon cliënte opnieuw onder
behandeling worden gesteld bij een andere psychiater die de puinhopen van zijn
collega kon opruimen.
De sessie van 5
april 2000 en de wijze waarop de behandeling is geëindigd is uitermate
traumatisch voor cliënte geweest hetgeen door de rapportage van Dr. Y. d.d. 18
september 2000 volledig wordt bevestigd. In
deze brief wordt tevens melding gemaakt van een grensoverschrijdende
hulpverleningssituatie. Het moge duidelijk zijn waarop deze
overschrijding betrekking heeft.
Cliënte is thans 1
½ jaar bij Dr. Y.in therapie en thans
ziet het er naar uit dat cliënte tenminste nog een jaar therapie nodig
heeft.
II. Informatie en toestemming
Van een psychiater
wordt verwacht dat hij bekwaam en zorgvuldig te werk dient te gaan bij het
vaststellen van de therapie.
Het volgende
uitgangspunt is dat een behandeling alleen mag plaatsvinden na toestemming van
de patiënt gegeven op basis van adequate informatie. Met andere woorden: de
psychiater is aan de patiënt verplicht haar/hem te informeren omtrent de door
voorgestelde therapie. Hieruit volgt dat, zodra omtrent er consensus over de te
volgen therapie bestaat, eerst tussen de behandelaar en de patiënt bij aanvang
van de behandeling een contract dient te worden afgesloten waarbij de
behandelaar de duur van de behandeling en de frequentie van de consulten dient
aan te geven. De bedoeling hiervan is dat er structuur aan de behandeling wordt
gegeven om voor de patiënt een veilige en stabiele situatie te creëren opdat de
patiënt van tevoren weet wat hij/haar te wachten staat. Dat hiervan geenszins
sprake is geweest moge uit het hierboven staande resumé duidelijk zijn.
Noch bij de aanvang
van de eerste behandeling doch bij de aanvang van de tweede behandeling is ooit
van een dergelijk contract tussen cliënte en de arts sprake geweest.
De volgende fase
van de behandeling is het opstellen van een behandelplan. Ook hiervoor geldt
dat de patiënt alsdan inzicht krijgt in de behandeling ansich alsmede met het
doel hiervan.
In dit kader is het
van belang dat het behandelplan met de patiënt wordt besproken alsmede dat er
een strikte afspraken worden gemaakt waarop de consulten zullen plaatsvinden.
Ook van dit laatste is in het geheel nagenoeg geen sprake geweest. De afspraken
van de meeste consulten werden volstrekt willekeurig vastgesteld.
Ook hiervoor geldt
dat zulks noch bij de eerste behandeling in 1997 noch bij de tweede behandeling
in 1999/2000 heeft plaatsgevonden. Gelet de ernst van de diagnose is dit, zwak
gezegd, uitermate onzorgvuldig te noemen.
Hieruit kan niet
anders worden geconcludeerd dat de gehele behandeling van cliënte, van in
totaal 38 sessies, niet gericht zijn geweest op de door hem gestelde diagnose.
Achteraf heeft cliënte moeten constateren dat haar door de arts geen enkele
inzicht is gegeven in de onder liggende problematiek.
Attitude en bejegening
De sessies
bestonden met name uit gesprekken over haar verhouding met haar moeder en haar echtgenoot,
hetgeen door het medisch dossier volledig wordt onderschreven. Het doel hiervan
is door de arts nimmer aan cliënte duidelijk gemaakt. Alhoewel cliënte zich tijdens de sessies steeds ongemakkelijker ging
voelen door de opmerkingen van de arts en met name door diens gedrag, was zij
niet in staat zich van de behandeling los te maken. Het bevreemdt cliënte dat de arts nog steeds ontkent
grensoverschrijdende opmerkingen te hebben geplaatst terwijl zulks deels door
het medisch dossier wordt bevestigd. Zie hiervoor bijvoorbeeld de
aantekening van de arts van het consult van 2 juli 1999:
‘Er is geen enkel probleem om met E
(echtgenoot) te spelen’.
Deze aantekening is
er slechts één van de vele.
Ondanks het feit dat cliënte verscheidene malen de arts
kenbaar maakte geen vertrouwen in hem te hebben en zich geblokkeerd te voelen
(zie hiervoor de aantekening van sessie 15 maart 2000 van het medisch dossier), werden deze
signalen door de arts volledig genegeerd.
Cliënte bevreemdt
zich over het feit dat zulks door de arts wordt weersproken aangezien de arts in het medisch dossier
dd. 15 maart 2000 hier zelf melding van maakt. Kortheidshalve wordt bij
deze tevens verwezen naar de brief van de arts aan de huisarts van cliënte dd.
2 april 2000. In deze brief erkent de arts in feite dat cliënte de sessies als
belastend ervoer. Doordat de arts hierop geen actie heeft ondernomen doch de
situatie heeft laten voortbestaan, kon de escalatie van 5 april 2000 niet
uitblijven. Gelet op zijn professie had de arts zulks nimmer mogen laten
gebeuren en tijdig maatregelen moeten nemen.
Het medisch dossier is inconsistent en bevat enige pertinente onjuistheden die
cliënte, aangezien dit typerend is voor de onzorgvuldige werkwijze van de arts,
niet onbesproken wenst te laten.
Consult 5 november 1997
Hierin stelt de
arts dat zijn brief nog niet is ontvangen door de huisarts. Dit is onjuist. Navraag bij de huisarts leert dat de
brief in oktober 1997 wel degelijk bij de huisarts is ingeboekt.
De opmerking dat de
werkgever van cliënte tijdens dit consult langs zou zijn geweest, is tevens
incorrect. De werkgever van cliënte was op dat moment in Australië op vakantie.
Onderwerpen zoals
gevoelens die cliënte zou koesteren tegen haar werkgever de gemeente, zijn
nimmer besproken.
Consult 19 november 1997
Volgens deze
aantekeningen zou de arts met cliënte een brief hebben besproken. Dit is
incorrect.
Cliënte heeft
nimmer de opmerking geplaatst dat zij de partner niet alleen via de huid maar ook
in haar hart zou waarnemen. Dit is volstrekte onzin.
Ingevolge deze
aantekening zou cliënte niet lijden aan een depersonalisatie. Dit geldt tevens
voor nihilisme. Voorgaande is in tegenspraak met de correspondentie van de arts
met de onder meer de huisarts van cliënte en zijn verdere aantekeningen.
Volgens de
aantekeningen had cliënte geen slaapstoornissen hetgeen wel degelijk het geval
was.
Hiervan ontbreekt het eerste deel van de
aantekeningen.
Kwesties
omtrent de aanwezigheid van achterdocht danwel tendenties tot onsamenhangend
denken zijn nimmer ter sprake gekomen.
Het is
pertinent onjuist dat cliënte die dag zou zijn teruggekomen uit Zeeland.
Al hetgeen
in deze aantekeningen staat vermeld is pertinent onjuist. Deze kwesties zijn
nimmer aan de orde geweest.
Cliënte bestrijdt ooit aan de arts te
hebben verteld suïcidaal te zijn. Dit is geheel bezijden de waarheid. Ook de opmerking
dat haar dromen gewelddadig zouden zijn, is incorrect.
Volgens
deze aantekeningen zou de moeder van
cliënte haar kinderen op een heel natuurlijke manier hebben voorgelicht. Ten
eerste is dit nimmer besproken en ten tweede is dit pertinent onjuist. Cliënte
acht dergelijke suggestieve opmerkingen meer dan ongepast.
De laatste
alinea van voornoemde aantekeningen zijnde:
‘kon werkelijk alle
dansjes. Achteraf zijn dat zo vele maskerades. Achter de maskerades zit de
gasoven’.
is voor
cliënte geheel onduidelijk. Deze zin
is nimmer door de arts met cliënte besproken doch is tekenend voor de
handelwijze van de arts.
De
aantekening dat
‘door negervrouw,
net zoals destijds in de spreekkamer kwam en vroeg..’
is voor de
vrouw volkomen duister hetgeen tevens geldt voor de verwijzingspijl waarmee een
verband tussen het vertrek van cliënte bij de sociale dienst en de zin wordt
gesuggereerd.
De
bevindingen in deze aantekening van de arts worden ten eerste geheel uit hun
context gehaald en ten tweede zijn die nimmer door de arts met cliënte
besproken.
De
samenhang tussen met de door de arts gestelde feiten en zijn conclusie
ontbreekt volledig.
Deze
aantekening is dermate opmerkelijk aangezien hieruit onverkort blijkt dat de
arts een zeer belangrijke opmerking van cliënte slechts noteert en verder
negeert.
In tegenstelling tot hetgeen de arts
beweert, volgt uit deze aantekening onverkort dat hij aan cliënte verhalen
heeft verteld over zijn privé-leven waaronder die van zijn kinderen.
Opmerkelijk is voorts dat de wijze waarop
de data geschreven zijn vanaf 5 januari 2000 van de nieuwe versie van het
medisch dossier significant afwijken van de eerder toegezonden versie.
In deze
aantekening maakt de arts melding van een feit dat op 7 november 1999 had
plaatsgevonden en door cliënte ter sprake is gebracht tijdens de sessie van 10
november 1999. En niet zoals de arts in zijn aantekeningen stelt tijdens de
sessies van 19 januari 2000. Dit geldt tevens voor de kwestie aangaande het
zoekraken van de jongste dochter van de echtgenoot van de vrouw uit een eerder huwelijk.
De associatie van de arts tussen dit verhaal en haar moeder, ervaart cliënte
als zeer grievend.
De inhoud
van deze aantekeningen zijn deels besproken tijdens de sessie van 1 maart 2000.
De arts haalt hier duidelijk twee
consulten door elkaar.
De teksten van beide aantekeningen van de
tweede versie wijken volledig af van die van de eerste. Vervolgens blijkt dat
de tekst van de aantekening van de sessie van 16 februari 2000 van de nieuwe
versie hetzelfde te zijn als die van 1 maart 2000. De aantekening van de sessie
van 23 maart 2000 van de nieuwe versie blijkt vervolgens dezelfde te zijn van 8
maart.
Volgens de
aantekeningen van deze sessie zou cliënte, in tegenstelling tot de eerdere
aantekeningen, wel lijden aan een vorm van nihilisme. Zulks is nimmer door de
arts met cliënte sproken. Met de kennisneming van het inhoud van het medisch
dossier werd cliënte voor het eerst met deze ‘diagnose’ geconfronteerd.
Ten slotte
is de inhoud van de laatste drie zinnen van deze sessie nimmer met cliënte
besproken.
Al hetgeen is beschreven in de laatste
alinea vanaf ‘alles is de afgelopen week in beweging’ tot met punt d is niet
met cliënte besproken. Het moge duidelijk
zijn dat deze aantekening geen correcte weergave is van hetgeen zich tijdens de
sessie heeft voorgedaan. Wederom wordt door de arts signalen van cliënte
genegeerd.
De laatste
aantekening dat cliënte thans zou erkennen schuldgevoelens te hebben met
betrekking
tot haar moeder, is nimmer ter sprake gekomen.
Tijdens
dit gesprek was de echtgenoot van cliënte aanwezig. Uit de aantekeningen volgt
dat cliënte haar ontevredenheid omtrent de handelwijze van de arts had geuit.
Opmerkelijk daarbij is de beschuldiging van cliënte omtrent de door de arts
gemaakte onheuse opmerkingen niet zijn weersproken. De echtgenoot van cliënte
kan zulks indien gewenst onder ede verklaren, reden waarom hij door cliënte als
getuige is voorgedragen.
Op de eerste plaats worden de woorden van
cliënte in deze aantekening volledig verdraaid. Tijdens deze sessie heeft
cliënte de arts duidelijk gemaakt niet te weten waarover zij nog met hem zou
moeten spreken en niet dat zij, zoals de arts het wil doen geloven, alles had
gezegd wat zij had willen zeggen. Cliënte bestrijdt dat met de arts
besproken zou zijn dat zij een manier zou hebben gevonden om met de
depersonalisatie om te kunnen gaan.
Ook hiervoor geldt
dat deze correspondentie enige significante onjuistheden bevat.
De
tegenstrijdigheid van de brief van de arts aan de bedrijfsarts Drs. M.dd. 16 november
1997 met zijn brieven aan de huisarts van cliënte dd. 22 oktober en 23 november
1997 zijn hierboven reeds ter sprake gebracht.
Van de brief 21 september 1997 van de arts aan de
huisarts bestaan twee versies. Een versie, met in de aanhef het kopje ‘INTERN
VERSLAG’ en een andere versie gericht aan de huisarts. Beide versies zijn niet
geheel identiek.
In de brief van 22 oktober 1997 van de arts aan de
huisarts wordt ten onrechte melding gemaakt van het uitblijven van de
menstruatie van cliënte gedurende 6 maanden.
Cliënte bevreemdt
zich over deze opmerking aangezien haar baarmoeder op 17 oktober 1994 is
verwijderd.
In brief van 10 juli 1999 heeft de arts de volgende
wijzigingen aangebracht. In de originele brief aan de huisarts staat:
1. ‘eventueel in combinatie met Ludiomil in
zeer lage dosering’
terwijl in de door
de arts overgelegde versie staat:
‘en tenslotte Ludiomil in zeer lage dosering
overwogen bij recidief’.
2.
In de originele
versie staat
‘om toch maar vooral
monotherapie toe te passen’ in plaats van
‘om
eerst monotherapie toe te passen’.
3. Voorts
heeft de arts in deze brief de volgende zin weggelaten:
‘in feite kreeg zij per vijf minuten een
scheldkanonnade over zich heen’
Tenslotte zijn in het origineel de aanhalingstekens bij
de woorden die altijd leugens vertelde
weggehaald.
Voornoemde veranderingen kunnen wellicht niet
gekarakteriseerd worden als ernstig doch het feit dat de arts veranderingen
aanbrengt in originele correspondentie (alsmede in het medisch dossier) maakt
zijn verdere correspondentie onbetrouwbaar.
In de brief 10 juli
1999 van de arts aan de huisarts stelt de arts dat de vrouw habitueel de
werkelijkheid buiten sluit. Cliënte vraagt zich af waarop de arts dit baseert.
Tenslotte wenst de
vrouw een opmerking te maken over de brief van 2 april 2000 van de arts aan de
huisarts. De toezegging van de arts dat hij de huisarts over het beloop van de
terminatiefase op de hoogte zou houden, is niet met cliënte besproken.
Tenslotte wenst cliënte te reageren op het
door de arts gestelde in zijn dupliek.
3.1.
De afronding van de
therapie is nimmer bespreekbaar gemaakt door de arts. Trouwens het was niet het
voorlezen van de brief van de arts aan de huisarts waardoor cliënte zich
gekwetst en vernederd voelde doch het verloop van het gehele consult.
3.2.
Cliënte heeft
nimmer gesteld dat de brief van de arts aan de huisarts dd. 2 april 2000 als
grensoverschrijdend diende te worden aangemerkt. Uit het feit dat
de sessie van 5 april 2000 escaleerde terwijl de arts tot op dat moment in de
schijnbare veronderstelling verkeerde dat de therapie succesvol verliep, volgt
dat de arts een totaal verkeerde inschatting van het verloop van de behandeling
heeft gemaakt. Immers, een escalatie komt niet uit de lucht vallen. Van een
professionele hulpverlener mag en dient te worden verwacht zulks tijdig te
constateren. In zijn brief van 2 april 2000 aan de huisarts geeft de arts nota
bene aan ervan op de hoogte te zijn dat cliënte de dagelijkse gang naar zijn
praktijk heeft ervaren als een uitzonderlijk zware beproeving. Het is
ongelooflijk dat zulks door de arts, gezien diens diagnose, is gegeneerd.
3.3.
Gelet op het verloop van de sessie van 5 april 2000 was
van een terminatiefase geheel geen sprake meer. De impact van deze sessie was dermate traumatisch dat cliënte terug bij
af was ten gevolge waarvan zij wederom onder behandeling diende te worden
gesteld bij een psychiater.
3.4.
Alhoewel cliënte geen psychiater is komt het haar
onwaarschijnlijk voor dat de traumatische sessie van 5 april 2000 onderdeel zou
uitmaken van het proces. Dat zulks het geval zou zijn wordt in ieder geval niet
door Dr. Y. onderschreven.
Uit de literatuur blijkt dat het regelmatig
voorkomt dat hulpverleners naar de problemen van de cliënten verwijzen om hun
gedragingen te rechtvaardigen.
Echter, bij de beoordeling van het gedrag
van een grensoverschrijdende hulpverlener mag het doen en laten van een cliënt
op geen enkele wijze meewegen.
3.5.
De opmerking dat het terugkeren van haar klachten kenmerkend
zou zijn voor het proces is geheel onjuist. Het is de terugval van cliënte dat
kenmerkend is voor een traumatische ervaring.
3.6.
De reden dat cliënte 7 weken geen contact met de arts heeft
opgenomen heeft in het geheel niets uit te staan met het zogenoemde proces maar
heeft te maken met het verwerkingsproces waarin cliënte na de sessie van 5
april 2000 was beland, waarvoor zij haar huisarts had geconsulteerd die haar
direct heeft doorverwezen naar de psychologe mevrouw Drs. V.
3.7.
Het is aan de huisarts en niet aan de arts om te
beoordelen of op het moment van de consultatie van cliënte van de huisarts
ruggespraak met de desbetreffende arts gewenst is. Indien de huisarts hiervoor
enige noodzaak had gevonden danwel zulks in het belang van cliënte had geacht,
was hij hiertoe zeker over gegaan. Cliënte
was echter dermate getraumatiseerd dat de huisarts zulks niet geïndiceerd
achtte.
3.8.
Uit het door de arts in dit randnummer gestelde kan slechts
één conclusie worden getrokken. Tot op heden wenst de arts niet de gevolgen van
zijn handelwijze in te zien c.q. te erkennen ondanks de diagnose van zijn
collega Dr. Y., die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat.
4.1.
De arts spreekt zich in dit randnummer tegen. Uit het feit
dat de arts ervan op de hoogte was dat cliënte de sessies als een beproeving
ervoer, had de arts moeten en kunnen begrijpen dat hij geen stabiele en veilige
situatie voor zijn patiënt had te weten te creëren en derhalve hierin had
gefaald. Zijn handelwijze van 5 april 2000, waarin de arts zelf erkent bewust
escalerend te werk te zijn gegaan, staat haaks op dit doel.
4.2.
Zonder enige onderbouwing stelt de arts dat er sprake
zou zijn van een discrepantie tussen hetgeen cliënte heeft ervaren en hetgeen
cliënte tijdens de sessies ter sprake zou hebben gebracht. De arts gaat eraan
voorbij dat hij als professionele hulpverlener en niet de patiënt hierop
bedacht had moeten zijn. Cliënte heeft
verscheidene malen aangegeven het gevoel te hebben dat er niets te klopte
hetgeen door de arts volledig werd genegeerd.
4.3.
De arts mocht wellicht van mening zijn dat deze door hem
gestelde discrepantie geen nadere toelichting behoeft doch cliënte acht het van
belang te vermelden dat tijdens de gesprekken van 25 mei en 1 juni 2000,
waarbij de echtgenoot van cliënte aanwezig was en waarin het gebeurde van 5
april 2000 en de door de arts gedane uitspraken uitvoerig te sprake is gekomen,
in het geheel niet door de arts is weersproken.
4.4.
De gevoelens van
cliënte zoals vermeldt in randnummer 4.4. zijn uitermate kenmerkend voor een
overweldigende gebeurtenis. Met name de intense gevoelens van machteloosheid,
ongeloof en verbijstering.
5.1. Toen cliënte
de arts consulteerde was zij nog nimmer eerder in contact geweest met een
psychiater. Zij was derhalve in het geheel niet op de hoogte omtrent de normale
gang van zaken. Omdat cliënte niet beter wist, wendde zij zich bij ‘het
terugkeren’ van de klachten, wederom tot de voormalige behandelaar, de arts.
5.2.
Bij deze wordt kortheidshalve verwezen naar bovengenoemde
reactie.
6.1.
Ten onrechte stelt de arts dat zijn eerste diagnose
‘(ernstige) chronische depersonalisatiestoornis’ zou zijn geweest. Een
depersonalisatiestoornis is een vorm van een dissociatieve stoornis. In eerste
instantie is over een depersonalisatie van cliënte in het geheel niet
gesproken. De eerste diagnose was ‘dissociatieve stoornis’ en wel in een milde
vorm.
Omtrent de
opmerking van de arts ‘dat de mate van integratie beperkt lijkt en dat
intensief betekenis vol contact al spoedig door klaagster als bedreigd wordt
ervaren’ wenst cliënte van de arts nadere uitleg.
Tenslotte dient niet onvermeld te blijven
dat de arts wederom verzuimd heeft te vermelden op grond van welke criteria op
grond hij de diagnose bij cliënte heeft gesteld. Tot op heden is cliënte dit niet
duidelijk.
6.2.
Of er al dan niet sprake is van een verkeerde danwel gemiste
diagnose is ter beoordeling van het college. Cliënte is evenwel van mening dat
de rapportages van
Dr. Y. en
diens diagnose niets aan duidelijkheid overlaten. Indien noodzakelijk is Dr. Y. bereid op het eerste verzoek van het
college zijn standpunt te onderbouwen.
7.1.
Op de eerste plaats ontkent cliënte dat zij de inhoud van de
gesprekken zou hebben bepaald. Het tegenovergestelde is waar. Voorts dient te
worden geconcludeerd dat de arts na 38 sessies er niet in is geslaagd zijn
doelstelling te bereiken.
7.2.
Kortheidshalve wordt bij deze verwezen naar het gestelde in
randnummer 3.4. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het gevoel van
aanwezigheid van blokkades bij cliënte zonder meer in strijd is met de
doelstelling van de arts zoals verwoord in randnummer 4.1., namelijk om voor
cliënte een stabiele en een veilige omgeving te willen creëren. De arts spreekt
zich hier zelf tegen.
De
bewering van de arts dat intensieve psychotherapie heeft gemaakt dat de
depersonalisatie beetje bij beetje kon worden overwonnen en dat patiënte dat
als een volstrekte bevrijding heeft beleefd, is voor cliënte onbegrijpelijk en
nimmer met haar besproken. De
handelwijze van de arts staat echter lijnrecht op de handelwijze zoals die in
de gangbare literatuur wordt aangegeven waarin juist het creëren van rust,
veiligheid en stabiliteit wordt vereist.
Cliënte
heeft zich ná de sessie van 5 april 2000 verdiept in de literatuur aangaande de
dissociatieve stoornis en zij herkent zich hier helemaal niet in hetgeen door
Dr. Y. wordt bevestigd.
7.3.
Hetgeen door de arts in dit randnummer wordt gesteld
staat lijnrecht op het gebeurde van 5 april 2000. Betreurenswaardig is dat de arts tot op heden niet heeft erkend dat
zijn gedrag grensoverschrijdend is geweest. Kortheidshalve wordt hierbij verwezen
naar de rapportages van Dr. Y. die hierover duidelijk een geheel andere mening
is toegedaan.
7.4.
Cliënte is tot op heden niet bekend met de door de arts
vermeende toegepaste behandelmethode. Een behandelmethode suggereert immers de
aanwezigheid van een behandelplan. In
het medisch dossier wordt noch naar een methode noch naar een plan verwezen
laat staan dat dit door de arts met cliënte besproken zou zijn.
7.5.
Noch door cliënte noch door haar echtgenoot
is tijdens de gesprekken op 25 mei en 1 juni 2000 het succes van de
‘behandeling’ bevestigd, in tegendeel zelfs. Deze opmerking is kenmerkend voor
de wijze waarop de arts uitspraken onjuist interpreteert. Zoals reeds
aangegeven is de echtgenoot van cliënte aanwezig om zulks onder ede te
bevestigen.
Tijdens
het gesprek van 15 juni 2000 had cliënte nog het volste vertrouwen in haar
nieuwe studie en baan. Het was de nieuwe studie en de nieuwe baan die cliënte
enige tijd op de been hield zich daarbij niet realiserende dat de terugval haar
toekomstplannen onmogelijk zouden maken.
Ten slotte vraagt cliënte zich af hoe het
mogelijk is geweest dat zij een niet bestaande depersonalisatiestoornis heeft
kunnen overwinnen.
7.6.
Omdat de arts de klacht van cliënte op 25 en 1 juni 2000
volkomen onbesproken liet, en op de
vraag van cliënte wat de arts had bedoeld met de opmerking ‘ik zou best wel een beetje van u kunnen
houden….als vriend dan’ deze vraag afdeed met de opmerking ‘iedereen zegt
weleens wat’,heeft cliënte doen besluiten dit onderwerp vooralsnog te laten
rusten.
7.7.
Kortheidshalve wordt voor de reactie hierop verwezen naar
het door cliënte gestelde in randnummer 3.4.
Ten onrechte concludeert de arts dat ook
Dr. Y. verband legt tussen de problematiek van cliënte en haar beleving.
Vanzelfsprekend heeft cliënte zulks voorgelegd aan Dr. Y. Deze opmerking van Dr. Y. heeft betrekking op het feit dat cliënte
nimmer van haar moeder heeft geleerd om overschrijding van grenzen te
herkennen. Dit dient tevens als de oorzaak te worden gezien dat cliënte het
grensoverschrijdende gedrag van de arts niet tijdig heeft kunnen doorzien.
8.1. Het verweer van de arts met betrekking tot
de verschillende versies van de brief van 10 juni 1999 zou in zoverre doel
treffen indien zulks niet tevens het geval is bij de brief van 21 september
1997 alsmede met het medisch dossier begin 2000.
8.2.
Aangaande de correspondentie van 11 september 1997 en de
daarin vermelde diagnose, wordt verwezen naar het hierboven gestelde. Niet in
de brief van 21 september maar in de brief van 16 november 1997 aan de
bedrijfsarts maakte de arts melding van een ernstige dissociatieve stoornis
hetgeen lijnrecht staat op hetgeen de arts diezelfde week aan de huisarts schreef.
Cliënte ontkent tenslotte dat de inhoud van
de brief van 11 september 1997 ooit door de arts met haar zou zijn besproken.
Hiervan wordt trouwens in het medisch dossier ook geen melding gemaakt.
9.
Voor wat betreft het gestelde door de arts aangaande de medicatie
wordt bij deze kortheidshalve verwezen naar het hierboven gestelde.
SAMENVATTING
In zaken waarbij
het handelen van een arts ter discussie staat, is het in beginsel aan de
patiënt om het door haar/hem gestelde te bewijzen. Aangezien de patiënt
hiervoor direct afhankelijk is van het medisch dossier van de aangeklaagde arts
heeft de Hoge Raad zware gevolgen verbonden aan het ontbreken van essentiële
gegevens hierin. Met het ontbreken hiervan wordt de bewijslast opgedragen aan
de arts. Het is alsdan aan de arts om het tegengestelde anderszins te bewijzen.
Het medisch dossier van de arts is inconsistent,
onvolledig, blijkt naderhand te zijn gecorrigeerd en bevat enige feitelijke
onjuistheden.
De vermelding van de dosering van de medicatie is deels
incorrect. Het medisch dossier bevat
geen behandelplan en nergens staat vermeld dat er ooit op enig moment met
cliënte gesproken is over de te volgen behandelmethode. Een stappenplan is
nimmer gemaakt. Een behandelovereenkomst ontbreekt ten enenmale terwijl het
belang hiervan onverkort uit de literatuur, waaraan de arts nota bene zelf
refereert, ontbreekt. In het medisch dossier valt voorts geen enkele
behandelstructuur ter herkennen.
Ook in het stellen van een diagnose is de arts
uitermate inconsistent. Stelt de arts de ene keer dat cliënte lijdt aan een
milde vorm van een dissociatieve stoornis, een paar dagen later blijkt er
ineens sprake te zijn van een ernstige vorm hiervan. Een week daarna blijkt
cliënte ineens volledig te zijn hersteld en kan de behandeling worden gestaakt.
Als cliënte 1½ jaar later terugkomt, wordt de draad gewoon weer opgepakt,
daarbij zijn eigen vaststelling dat er geen sprake is van dissociatie, negerend. Opmerkelijk is dat de arts wel
bepaalde signalen van cliënte opmerkt en die zelfs opschrijft, maar er verder niets mee doet. Als het
vervolgens tot een escalatie komt, blijkt dit plotseling deel uit te maken van
de (voor cliënte onbekende) therapie hetgeen haaks staat op de in de literatuur
beschreven beoogde creatie van rust, veiligheid en stabiliteit.
Als de arts door cliënte wordt gewezen op het maken van
grensoverschrijdende opmerkingen, laat de arts die onweersproken en stelt
slechts dat hij zich wellicht onjuist heeft geuit. De ontkenningen van de arts
nimmer zich jegens cliënte te hebben uitgelaten over bijvoorbeeld zijn
privé-leven, kunnen gemakkelijk aan de hand van het medisch dossier worden
weerlegd.
De wijzigingen in de brieven aan collega
artsen en van het medisch dossier doen de geloofwaardigheid van de arts verder
afnemen.
CONCLUSIE
Op grond van het vorenstaande dient te worden
geconcludeerd dat de arts niet heeft gehandeld zoals het een redelijk zorgvuldig
en redelijk handelend arts betaamt en zich schuldig heeft gemaakt aan
grensoverschrijdend gedrag. Cliënte heeft dientengevolge niet alleen grote
psychische schade, bestaande uit een terugval van enkele jaren, doch tevens
materiele schade geleden. Hierdoor is cliënte tot de dag van vandaag niet in
staat deel te nemen aan het maatschappelijk leven en is zij in het kader van de
WAO volledig arbeidsongeschikt verklaard.
REDEN WAAROM
cliënte persisteert in haar klacht zoals verwoord in
het klacht- en verweerschrift.
Gemachtigde,
Woonplaats 4 juni 2002
|
Pleitnota verweerder |
Aan het Regionaal
Medisch Tuchtcollege te ’s-Gravenhage
Zitting dd. 4 juni 2002 te 14.00 uur
PLEITNOTA
Inzake:
Drs.X.
Psychiater en psychotherapeut te
A.
Verweerder,
Gemachtigde: Mr. K.
Advocaat te Z.
Op de
klacht van:
A.
Wonende te A.
Klaagster,
Gemachtigde: Mr. B.
Advocaat te C.
Geacht College,
1.
In het klaagschrift dat klaagster heeft
ingediend verwijt zij verweerder ernstig grensoverschrijdend gedrag tijdens de
38 psychotherapeutische gesprekken die zij in de periode 23 juni 1999 tot en
met 5 april 2000 met verweerder heeft gevoerd. Dit verwijt is niet terecht.
2.
Tijdens de gesprekken heeft verweerder zich
niet grensoverschrijdend jegens klaagster gedragen. Met name heeft hij geen
ongepaste en/of indringende opmerkingen over zichzelf gemaakt. Voor zover door
verweerder al opmerkingen zijn gemaakt die op hemzelf betrekking hadden,
hetgeen overigens zelden het geval was, werden deze steeds binnen een bepaalde
context gemaakt binnen welke deze noch als ongepast laat staan
grensoverschrijdend zouden kunnen worden getypeerd.
3.
De meest grensoverschrijdende gedraging die
klaagster verweerder tegenwerpt is dat hij tijdens de zitting van 5 april 2000
de tussentijds rapportage aan de huisarts heeft voorgelezen. Klaagster voelde
zich hierdoor gekwetst, misbruikt, vernederd, woedend, verraden en als afval
aan de straat gezet. In de repliek wordt dit gedrag zelfs als een mentale
verkrachting gekwalificeerd. Als je de tekst van deze brief er op na leest,
biedt deze geen steun voor de wijze waarop klaagster deze kennelijk heeft
geïnterpreteerd.
4.
De tekst is bepaald positief –zonder
daarbij grensoverschrijdend te zijn- en geeft niet aan dat de (tot dan toe
succesvolle) therapie was beëindigd. Anders dan klaagster hieruit opmaakt valt
hieruit in ieder geval niet af te leiden dat klaagster na 37 sessies haar
verhaal niet mocht afmaken en zelfs geen afscheid kon nemen. Overigens valt
deze reactie van klaagster moeilijk te rijmen met de grensoverschrijdingen
welke zij verweerder thans verwijt.
5. Wat daarvan ook zij, verweerder betreurt
het bijzonder dat klaagster thans met zulke negatieve gevoelens op de therapie
terugkijkt. Verweerder is echter wel van mening dat hem hiervan geen
tuchtrechtelijk verwijt valt te maken, zodat ik Uw College verzoek de klacht als ongegrond af te wijzen.
Advocaat/Gemachtigde