-         Pseudo Professioneel: Medische Tuchtrechtspaak –

 

Grensoverschrijdend gedrag (GOG) door vrijgevestigde psychiater (m) uit de regio Dordrecht (2002)

 

 

 

7. Pleitaantekeningen van klaagster en verweerder

 

 

 

 

                                              

Pleitnota klaagster

 

                                              

 

 

Mondelinge behandeling

Regionaal Medisch Tuchtcollege ‘s Gravenhage

4 juni 2002 te 14.00 uur

kenmerk: 00 O166

 

 

AANTEKENINGEN M. B. 

 

 

 

                                                                       Inzake:

 

 

                                                                       A. wonende te A..

                                                                       Klaagster

                                                                       Gemachtigde : mevrouw Mr. B.

 

 

 

                                                                       tegen:

 

 

 

                                                                       X.

                                                                       wonende te A..

                                                                       beklaagde

                                                                       gemachtigde: De heer Mr K.                 

 


Weledelachtbaar college,

 

Klaagster zal hierna worden aangehaald als ‘cliënte’ en beklaagde als ‘de arts’.

 

Inleiding

 

In het kader van het medisch tuchtrecht worden klachten getoetst aan de normen zoals neergelegd in artikel 47 BIG. De normen van voornoemd artikel zijn:

 

-          Enig handelen of nalaten dat in strijd is met de zorg die de beroepsbeoefenaar in zijn hoedanigheid behoort te betrachten dan wel

-          Enig ander handelen dat in strijd is met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.

 

Cliënte is van mening dat de arts in zijn behandeling jegens haar ernstig te kort is geschoten op grond waarvan hij zich schuldig heeft gemaakt aan schending van bovengenoemde normen. Deze schending heeft betrekking op de:

 

I.                     Medisch technische aspecten:

  1. Anamnese, onderzoek en diagnostiek
  2. Behandeling en medicatie
  3. Begeleiding en nazorg

 

II.                   Informatie en toestemming

  1. Bejegening en attitude
  2. Medisch dossier

 

In het hiernavolgende zal per onderdeel gemotiveerd worden aangegeven waaruit de schending van de tuchtrechtelijke normen door de arts, welke onder andere hebben geleid tot het grensoverschrijdend gedrag, bestaan. In de conclusie zullen de gronden worden aangegeven waarom de arts zich niet heeft gedragen zoals het een redelijk zorgvuldig en redelijk handelend arts betaamt.

 

Het gesprek van 5 april 2000 van de arts en cliënte heeft de ogen van cliënte als het ware geopend hetgeen er tot het indienen van de klacht van cliënte dd. 29 november 2000 heeft geleid. Voor de goede orde; hiertoe gaat een patiënt niet zomaar over. Met behulp van haar huisarts de heer Dr W. , de psychologe mevrouw Drs V. en psychiater de heer Dr Y. heeft cliënte zich van het gebeurde weten los te maken en is zij gaan inzien dat het gedrag van de arts als grensoverschrijdend dient te worden gekarakteriseerd. Uit het medisch dossier kan vervolgens worden opgemaakt hoe onzorgvuldig en inconsequent de werkwijze van de arts is. Aan de hand van voorbeelden zal dit duidelijk worden gemaakt.

 

Tussen de indiening van de klacht en de hoorzitting is enige tijd verlopen. Het was echter dit tijdsverloop dat het vorenstaande mogelijk heeft gemaakt. Voordien was cliënte hiertoe emotioneel, mentaal en psychisch gezien niet in staat. Thans is cliënte in staat het gebeurde in het juiste perspectief en haar klacht in het juiste kader te plaatsen.

 

I. Medisch technische aspecten

 

Anamnese, diagnostiek en onderzoek

 

Voor de diagnostiek heeft de arts zich geheel laten leiden door de door hem afgenomen anamnese. Ingevolge de voor een gemiddeld psychiater tot de gebruikelijke kennis behorende literatuur, is het te doen gebruikelijk dat bij de diagnosestelling een  stappenplan te worden gevolgd. Dit stappenplan maakt een zeer belangrijk deel uit van het psychiatrisch onderzoek. Uit geen van de door de arts overgelegde stukken blijkt dat er ooit conform de medische standaard een stappenplan is gevolgd c.q. dat er een doelgericht onderzoek heeft plaatsgevonden op grond waarvan de vergaande diagnose ‘dissociatieve stoornis’ kon worden gesteld. Zo is er nimmer de door Hart gestelde gangbare test van Bernstein & Putman 1986 bij cliënte afgenomen voor de classificatie hiervan. Dit klemt temeer daar de arts ter onderbouwing van zijn diagnose ‘dissociatieve stoornis’ in een van zijn brieven aan de huisarts van cliënte aan de theorie van Hart refereert terwijl de arts een paar dagen eerder in zijn brief aan de bedrijfsarts van cliënte zijn diagnose plotseling aanscherpt met ‘ernstige dissociatieve stoornis, ingevolge classificatie DSM IV. Enige grondslag c.q. reden voor deze plotselinge aanscherping ontbreekt volledig in het medisch dossier.


Het is in dit kader onvoorstelbaar dat de arts de diagnosestelling en de daaraan verbonden behandeling in cliënte zou hebben besproken c.q. dat hierover consensus zou hebben bestaan. Aan cliënte werd slechts de diagnose medegedeeld. Enig inzicht over de te volgen behandeling werd door de arts niet gegeven. 

 

Sedert de escalatie van 5 april 2000 heeft cliënte zich verdiept in de wijze waarop gewoonlijk patiënten lijdende aan dissociatieve stoornissen dienen te worden behandelend. De behandeling die cliënte van de arts heeft gehad, is hiermee volledig tegenstrijdig. In dit kader wordt verwezen naar het boek van de heer O. van der Hart “Trauma Dissociatie en Hypnose”. Nu de arts in zijn brief van 21 september 1997 naar de publicatie van de heer Van der Hart verwijst mag worden aangenomen dat de arts met de inhoud hiervan bekend is.

 

Uit de brieven van psychiater Dr. Y. blijkt onverkort dat door de arts een totaal verkeerde diagnose is gesteld. Dat de gevolgen hiervan voor cliënte traumatisch zijn, volgt tevens uit voornoemde rapportages.

 

Uit het vorenstaande volgt dat cliënte van mening is dat door de onjuiste wijze van diagnose vaststelling de arts de onjuiste diagnose is gesteld. Cliënte beseft dat een diagnosestelling met name in de psychiatrie een waarschijnlijkheidsdiagnose is. Echter uit het medisch dossier volgt onverkort dat er voor de bijstelling van de diagnose voldoende aanleiding was. Hieronder zullen enkele voorbeelden ter verduidelijking hiervan worden gegeven. Desalniettemin bleef de arts zich strikt vasthouden aan zijn primaire diagnose. 

 

Behandeling

 

In zijn brieven van 27 september en 22 oktober 1997 aan de toenmalige huisarts van cliënte de heer Dr. W., stelt de arts na slechts twee consulten met cliënte de diagnose ‘dissociatieve stoornis’. Gelet op de milde aard ernst van de klachten, stelt de arts dat met een medicale behandeling kan worden volstaan. In dit kader is de brief van 16 november 1997 aan de bedrijfsarts de heer Drs. M. opmerkelijk aangezien de arts in deze brief plotseling spreekt van een ‘ernstige dissociatieve stoornis’ daarbij verwijzend naar zijn eerste onderzoek van 11 september 1997.


Naast het feit dat het medisch dossier geen enkele aantekening bevat waaruit de toename van de klachten van cliënte zou blijken, is zulks geheel in tegenspraak met de brief van de arts aan de huisarts van cliënte dd. 23 november 1999 alsmede met de aantekeningen van

5 november 1997 van het medische dossier waarin staat vermeld dat het uitstekend gaat met cliënte.

 

Vervolgens vindt op 19 december 1997, drie maanden na het eerste consult, het laatste consult plaats waarmee tevens de behandeling als gerond wordt gezien. Kortheidshalve wordt bij deze verwezen naar de brief van de arts aan de huisarts van cliënte dd. 21 december 1997 waarin de arts expliciet aangeeft dat van een psychiatrische problematiek niet langer sprake is. Van enige begeleiding c.q. nazorg was geheel geen sprake. Dit klemt te meer gezien de medicatie die de arts cliënte nog had voorgeschreven. Hierop wordt later teruggekomen.

 

Uit de literatuur valt op te maken dat gezien de ernst van de door de arts vastgestelde psychiatrische stoornis, genezing in drie maanden tijd zeer opmerkelijk te noemen is. Tenslotte mag niet onvermeld blijven dat er nimmer een evaluatiegesprek heeft plaatsgevonden.

 

Aangezien cliënte de arts als haar behandelend psychiater zag, nam zij op advies van de huisarts in juli 2000 weer contact op met de arts wegens terugkerende klachten voor het maken van een nieuwe afspraak.

 

Uit de correspondentie van de arts aan onder meer de huisarts van cliënte volgt dat de arts voor wat betreft zijn behandeling van cliënte voortborduurt op zijn eerdere diagnose van 1999. Dit bevreemdt cliënte gezien de eigen aantekeningen van de arts van het medisch dossier d.d. 23 juni 1999 waarin wordt geconcludeerd dat er van een dissociatieve stoornis geen sprake is. In dit kader verwijst cliënte naar het hierboven eerder gestelde, namelijk: ondanks voornoemde conclusie borduurt de arts vervolgens rustig voort op de door hem eerder in 1997 gestelde diagnose. Wederom werden er met cliënte geen afspraken gemaakt ter zake de behandeling laat staan dat er überhaupt sprake was van enig behandelplan.


 

Medicatie

 

Ook met betrekking tot de wijze van het voorschrijven van de medicatie valt een en ander op te merken.

 

Ten eerste komt het verscheidene malen voor dat omtrent de voorgeschreven medicatie geen aantekeningen zijn opgenomen in het medisch dossier.

 

Voorts is de dosering van de medicatie enige malen gewijzigd zonder dat hierover enige overleg met cliënte had plaatsgevonden. Tenslotte bevat het medisch dossier omtrent de voorgeschreven dosering enige onjuistheden.

 

Bij recept van 12 juli 1999 kreeg cliënte van de arts 1 tablet Ludiomil à 75 mg. voorgeschreven. Tijdens het consult van 1 september 1999 wordt deze dosering, zonder overleg met cliënte, verhoogd van 75 tot 122,5 mg.

 

Volgens de aantekening behorende bij de sessie van 1 oktober 1999 zou de dosering van het medicijn Risperdal een ½ in plaats van 1 tablet zijn, hetgeen onjuist is.

 

Bij recept van 22 oktober 1999 werd aan cliënte voorgeschreven: ½ tablet Anafranil à 75 mg. en 1 tablet Anafranil à 25 mg., hetgeen betekent dat cliënte per dag 62 ½ mg. Anafranil van de arts voorgeschreven heeft gekregen. Het was deze dosering die cliënte tot het consult van 5 november 1999 innam. Op 5 november 1997 kreeg de vrouw vervolgens een nieuw recept mee van 37 ½ mg. Anafranil, zonder dat zulks met haar over een verlaging was gesproken. Tenzij de arts een vooruitziende blik had  is de opmerking van de arts in het medisch dossier dd. 5 november 1999 dat ’37 ½ mg. Anafranil uitstekend gaat’ hoogst merkwaardig te noemen. Vervolgens wordt bij het consult van 19 november 1999 (en niet, zoals in de aantekening van 19 december 1999 in het medisch dossier staat vermeldt 12 november) de dosering verhoogd tot 75 mg. Deze verhoging staat lijnrecht tegenover het bericht van de arts aan de huisarts van cliënte dat cliënte herstellende was. Het moge duidelijk zijn dat in de door de arts voorgeschreven medicatie geen enkele consistentie zit.

 

In de aantekening van de sessie van 13 oktober 1999 schrijft de arts dat de dosering van cliënte aangaande Ludiomil 37 ½ mg. bedraagt. Cliënte heeft echter nimmer een halve tablet geslikt. Ook van deze wijziging van de dosering was cliënte niet op de hoogte.

 

Begeleiding en nazorg

 

Terwijl cliënte op 19 november 1997 nog medicijnen voorgeschreven had gekregen, werd op die datum de behandeling door de arts als beëindigd beschouwd. Ook mogelijke bijwerkingen van de door de arts voorgeschreven medicatie alsmede de afbouw hiervan, bleven onbesproken. Op 10 december heeft cliënte de arts telefonisch benaderd met de mededeling dat zij door de verhoging van de medicatie last had van diarree. Er werd afgesproken de medicatie te stoppen. Een laatste afspraak is tenslotte n.a.v. genoemd telefoongesprek gemaakt op vrijdag 19 december 1997.

 

De beëindiging van de behandeling van 1999/2000 was zeer traumatisch voor cliënte. Dat dit, zoals de arts stelt, hem onopgemerkt is gebleven, getuigt niet van enige professionaliteit. Dit klemt temeer daar de arts zelf aanduidt te hebben bemerkt dat cliënte de consulten als uitermate belastend ervoer. In plaats van de huisarts omtrent het moeilijke verloop te informeren en hieraan zijn consequenties te verbinden, doet de arts het voorkomen dat dit een onderdeel zou uitmaken van de (voor cliënte onbekende) therapie. Het was uiteindelijk cliënte die geheel afgaande op haar gevoel de huisarts consulteerde en over de gang van zaken informeerde. De huisarts constateerde direct dat er is mis was, reden waarom hij cliënte direct doorverwees naar Drs. V., de psychologe. Met behulp van Drs. V., die de problematiek direct onderkende, kon cliënte de eerste stap nemen om zich los te maken van de arts. Bij twee van de drie gesprekken die cliënte vervolgens met de arts had, is haar echtgenoot aanwezig geweest. Tijdens deze gesprekken heeft cliënte de arts aangesproken over de door hem gemaakte onheuse opmerkingen tijdens de sessie van 5 april 2000, welke geen door de arts werden weersproken. Het enige dat de arts hierop te zeggen had was dat hij wellicht niet de juiste woorden had gebruikt.

 

Nadat dit proces was voltooid kon cliënte opnieuw onder behandeling worden gesteld bij een andere psychiater die de puinhopen van zijn collega kon opruimen.


De sessie van 5 april 2000 en de wijze waarop de behandeling is geëindigd is uitermate traumatisch voor cliënte geweest hetgeen door de rapportage van Dr. Y. d.d. 18 september 2000 volledig wordt bevestigd. In deze brief wordt tevens melding gemaakt van een grensoverschrijdende hulpverleningssituatie. Het moge duidelijk zijn waarop deze overschrijding  betrekking heeft.

 

Cliënte is thans 1 ½ jaar bij Dr.  Y.in therapie en thans ziet het er naar uit dat cliënte tenminste nog een jaar therapie nodig heeft. 

 

II. Informatie en toestemming

 

Van een psychiater wordt verwacht dat hij bekwaam en zorgvuldig te werk dient te gaan bij het vaststellen van de therapie.

 

Het volgende uitgangspunt is dat een behandeling alleen mag plaatsvinden na toestemming van de patiënt gegeven op basis van adequate informatie. Met andere woorden: de psychiater is aan de patiënt verplicht haar/hem te informeren omtrent de door voorgestelde therapie. Hieruit volgt dat, zodra omtrent er consensus over de te volgen therapie bestaat, eerst tussen de behandelaar en de patiënt bij aanvang van de behandeling een contract dient te worden afgesloten waarbij de behandelaar de duur van de behandeling en de frequentie van de consulten dient aan te geven. De bedoeling hiervan is dat er structuur aan de behandeling wordt gegeven om voor de patiënt een veilige en stabiele situatie te creëren opdat de patiënt van tevoren weet wat hij/haar te wachten staat. Dat hiervan geenszins sprake is geweest moge uit het hierboven staande resumé duidelijk zijn.

 

Noch bij de aanvang van de eerste behandeling doch bij de aanvang van de tweede behandeling is ooit van een dergelijk contract tussen cliënte en de arts sprake geweest.

 

De volgende fase van de behandeling is het opstellen van een behandelplan. Ook hiervoor geldt dat de patiënt alsdan inzicht krijgt in de behandeling ansich alsmede met het doel hiervan.


In dit kader is het van belang dat het behandelplan met de patiënt wordt besproken alsmede dat er een strikte afspraken worden gemaakt waarop de consulten zullen plaatsvinden. Ook van dit laatste is in het geheel nagenoeg geen sprake geweest. De afspraken van de meeste consulten werden volstrekt willekeurig vastgesteld.

 

Ook hiervoor geldt dat zulks noch bij de eerste behandeling in 1997 noch bij de tweede behandeling in 1999/2000 heeft plaatsgevonden. Gelet de ernst van de diagnose is dit, zwak gezegd, uitermate onzorgvuldig te noemen.

 

Hieruit kan niet anders worden geconcludeerd dat de gehele behandeling van cliënte, van in totaal 38 sessies, niet gericht zijn geweest op de door hem gestelde diagnose. Achteraf heeft cliënte moeten constateren dat haar door de arts geen enkele inzicht is gegeven in de onder liggende problematiek.

 

Attitude en bejegening

 

De sessies bestonden met name uit gesprekken over haar verhouding met haar moeder en haar echtgenoot, hetgeen door het medisch dossier volledig wordt onderschreven. Het doel hiervan is door de arts nimmer aan cliënte duidelijk gemaakt. Alhoewel cliënte zich tijdens de sessies steeds ongemakkelijker ging voelen door de opmerkingen van de arts en met name door diens gedrag, was zij niet in staat zich van de behandeling los te maken. Het bevreemdt cliënte dat de arts nog steeds ontkent grensoverschrijdende opmerkingen te hebben geplaatst terwijl zulks deels door het medisch dossier wordt bevestigd. Zie hiervoor bijvoorbeeld de aantekening van de arts van het consult van 2 juli 1999:

 

‘Er is geen enkel probleem om met E (echtgenoot) te spelen’.

 

Deze aantekening is er slechts één van de vele.

 

Ondanks het feit dat cliënte verscheidene malen de arts kenbaar maakte geen vertrouwen in hem te hebben en zich geblokkeerd te voelen (zie hiervoor de aantekening van sessie 15 maart 2000 van het medisch dossier), werden deze signalen door de arts volledig genegeerd.

 

Cliënte bevreemdt zich over het feit dat zulks door de arts wordt weersproken aangezien de arts in het medisch dossier dd. 15 maart 2000 hier zelf melding van maakt. Kortheidshalve wordt bij deze tevens verwezen naar de brief van de arts aan de huisarts van cliënte dd. 2 april 2000. In deze brief erkent de arts in feite dat cliënte de sessies als belastend ervoer. Doordat de arts hierop geen actie heeft ondernomen doch de situatie heeft laten voortbestaan, kon de escalatie van 5 april 2000 niet uitblijven. Gelet op zijn professie had de arts zulks nimmer mogen laten gebeuren en tijdig maatregelen moeten nemen.

 

Medisch dossier

 

Het medisch dossier is inconsistent en bevat enige pertinente onjuistheden die cliënte, aangezien dit typerend is voor de onzorgvuldige werkwijze van de arts, niet onbesproken wenst te laten.

 

Consult 5 november 1997

Hierin stelt de arts dat zijn brief nog niet is ontvangen door de huisarts. Dit is onjuist. Navraag bij de huisarts leert dat de brief in oktober 1997 wel degelijk bij de huisarts is ingeboekt.

 

De opmerking dat de werkgever van cliënte tijdens dit consult langs zou zijn geweest, is tevens incorrect. De werkgever van cliënte was op dat moment in Australië op vakantie.

 

Onderwerpen zoals gevoelens die cliënte zou koesteren tegen haar werkgever de gemeente, zijn nimmer besproken.

 

Consult 19 november 1997

Volgens deze aantekeningen zou de arts met cliënte een brief hebben besproken. Dit is incorrect.

 

Consult 19 december 1997

Cliënte heeft nimmer de opmerking geplaatst dat zij de partner niet alleen via de huid maar ook in haar hart zou waarnemen. Dit is volstrekte onzin.

 

Consult 23 juni 1999

Ingevolge deze aantekening zou cliënte niet lijden aan een depersonalisatie. Dit geldt tevens voor nihilisme. Voorgaande is in tegenspraak met de correspondentie van de arts met de onder meer de huisarts van cliënte en zijn verdere aantekeningen.

 

Volgens de aantekeningen had cliënte geen slaapstoornissen hetgeen wel degelijk het geval was.

 

Consult 2 juli 1999

Hiervan ontbreekt het eerste deel van de aantekeningen.

 

Kwesties omtrent de aanwezigheid van achterdocht danwel tendenties tot onsamenhangend denken zijn nimmer ter sprake gekomen.

 

Consult 11 augustus 1999

Het is pertinent onjuist dat cliënte die dag zou zijn teruggekomen uit Zeeland.

 

Consult 25 augustus 1999

Al hetgeen in deze aantekeningen staat vermeld is pertinent onjuist. Deze kwesties zijn nimmer aan de orde geweest.

 

Consult 1 september 1999

Cliënte bestrijdt ooit aan de arts te hebben verteld suïcidaal te zijn. Dit is geheel bezijden de waarheid. Ook de opmerking dat haar dromen gewelddadig zouden zijn, is incorrect.

 

Consult 15 september 1999

Volgens deze aantekeningen zou de moeder van cliënte haar kinderen op een heel natuurlijke manier hebben voorgelicht. Ten eerste is dit nimmer besproken en ten tweede is dit pertinent onjuist. Cliënte acht dergelijke suggestieve opmerkingen meer dan ongepast.

 

De laatste alinea van voornoemde aantekeningen zijnde:

 

‘kon werkelijk alle dansjes. Achteraf zijn dat zo vele maskerades. Achter de maskerades zit de gasoven’. 

 

 is voor cliënte geheel onduidelijk. Deze zin is nimmer door de arts met cliënte besproken doch is tekenend voor de handelwijze van de arts.

 

Consult 22 september 1999

De aantekening dat

 

‘door negervrouw, net zoals destijds in de spreekkamer kwam en vroeg..’

 

is voor de vrouw volkomen duister hetgeen tevens geldt voor de verwijzingspijl waarmee een verband tussen het vertrek van cliënte bij de sociale dienst en de zin wordt gesuggereerd.

 

Consult 20 oktober 1999

De bevindingen in deze aantekening van de arts worden ten eerste geheel uit hun context gehaald en ten tweede zijn die nimmer door de arts met cliënte besproken.

 

Consult 27 oktober 1999

De samenhang tussen met de door de arts gestelde feiten en zijn conclusie ontbreekt volledig.

 

Consult 24 november 1999

Deze aantekening is dermate opmerkelijk aangezien hieruit onverkort blijkt dat de arts een zeer belangrijke opmerking van cliënte slechts noteert en verder negeert.

 

Consulten 8 december 1999 en 13 januari 2000

In tegenstelling tot hetgeen de arts beweert, volgt uit deze aantekening onverkort dat hij aan cliënte verhalen heeft verteld over zijn privé-leven waaronder die van zijn kinderen.

 

Opmerkelijk is voorts dat de wijze waarop de data geschreven zijn vanaf 5 januari 2000 van de nieuwe versie van het medisch dossier significant afwijken van de eerder toegezonden versie.

 

Consult 19 januari 2000

In deze aantekening maakt de arts melding van een feit dat op 7 november 1999 had plaatsgevonden en door cliënte ter sprake is gebracht tijdens de sessie van 10 november 1999. En niet zoals de arts in zijn aantekeningen stelt tijdens de sessies van 19 januari 2000. Dit geldt tevens voor de kwestie aangaande het zoekraken van de jongste dochter van de echtgenoot van de vrouw uit een eerder huwelijk. De associatie van de arts tussen dit verhaal en haar moeder, ervaart cliënte als zeer grievend.

 

Consulten van 16 en 23 februari en 23 maart 2000

De inhoud van deze aantekeningen zijn deels besproken tijdens de sessie van 1 maart 2000. De arts haalt hier duidelijk twee consulten door elkaar.

 

De teksten van beide aantekeningen van de tweede versie wijken volledig af van die van de eerste. Vervolgens blijkt dat de tekst van de aantekening van de sessie van 16 februari 2000 van de nieuwe versie hetzelfde te zijn als die van 1 maart 2000. De aantekening van de sessie van 23 maart 2000 van de nieuwe versie blijkt vervolgens dezelfde te zijn van 8 maart.

 

Consult 29 maart 2000

Volgens de aantekeningen van deze sessie zou cliënte, in tegenstelling tot de eerdere aantekeningen, wel lijden aan een vorm van nihilisme. Zulks is nimmer door de arts met cliënte sproken. Met de kennisneming van het inhoud van het medisch dossier werd cliënte voor het eerst met deze ‘diagnose’ geconfronteerd.

 

Ten slotte is de inhoud van de laatste drie zinnen van deze sessie nimmer met cliënte besproken.

 

Consult 5 april 2000

Al hetgeen is beschreven in de laatste alinea vanaf ‘alles is de afgelopen week in beweging’ tot met punt d is niet met cliënte besproken.  Het moge duidelijk zijn dat deze aantekening geen correcte weergave is van hetgeen zich tijdens de sessie heeft voorgedaan. Wederom wordt door de arts signalen van cliënte genegeerd.

 

Consult 1 juni 2000

De laatste aantekening dat cliënte thans zou erkennen schuldgevoelens te hebben met

betrekking tot haar moeder, is nimmer ter sprake gekomen.

 

Consult 25 mei 2000

Tijdens dit gesprek was de echtgenoot van cliënte aanwezig. Uit de aantekeningen volgt dat cliënte haar ontevredenheid omtrent de handelwijze van de arts had geuit. Opmerkelijk daarbij is de beschuldiging van cliënte omtrent de door de arts gemaakte onheuse opmerkingen niet zijn weersproken. De echtgenoot van cliënte kan zulks indien gewenst onder ede verklaren, reden waarom hij door cliënte als getuige is voorgedragen.

 

Consult 15 juni 2000

Op de eerste plaats worden de woorden van cliënte in deze aantekening volledig verdraaid. Tijdens deze sessie heeft cliënte de arts duidelijk gemaakt niet te weten waarover zij nog met hem zou moeten spreken en niet dat zij, zoals de arts het wil doen geloven, alles had gezegd wat zij had willen zeggen. Cliënte bestrijdt dat met de arts besproken zou zijn dat zij een manier zou hebben gevonden om met de depersonalisatie om te kunnen gaan.

 

Opmerkingen omtrent de door de arts gevoerde correspondentie

 

Ook hiervoor geldt dat deze correspondentie enige significante onjuistheden bevat.

 

De tegenstrijdigheid van de brief van de arts aan de bedrijfsarts Drs. M.dd. 16 november 1997 met zijn brieven aan de huisarts van cliënte dd. 22 oktober en 23 november 1997 zijn hierboven reeds ter sprake gebracht.

 

Van de brief 21 september 1997 van de arts aan de huisarts bestaan twee versies. Een versie, met in de aanhef het kopje ‘INTERN VERSLAG’ en een andere versie gericht aan de huisarts. Beide versies zijn niet geheel identiek.

 

In de brief van 22 oktober 1997 van de arts aan de huisarts wordt ten onrechte melding gemaakt van het uitblijven van de menstruatie van cliënte gedurende 6 maanden.


Cliënte bevreemdt zich over deze opmerking aangezien haar baarmoeder op 17 oktober 1994 is verwijderd.

 

In brief van 10 juli 1999 heeft de arts de volgende wijzigingen aangebracht. In de originele brief aan de huisarts staat:

 

1.         ‘eventueel in combinatie met Ludiomil in zeer lage dosering’

 

terwijl in de door de arts overgelegde versie staat:

 

            ‘en tenslotte Ludiomil in zeer lage dosering overwogen bij recidief’.

 

2.                  In de originele versie staat

 

‘om toch maar vooral monotherapie toe te passen’ in plaats van

om eerst monotherapie toe te passen’.

 

3.         Voorts heeft de arts in deze brief de volgende zin weggelaten:

 

            ‘in feite kreeg zij per vijf minuten een scheldkanonnade over zich heen’

 

Tenslotte zijn in het origineel de aanhalingstekens bij de woorden die altijd leugens vertelde weggehaald.

 

Voornoemde veranderingen kunnen wellicht niet gekarakteriseerd worden als ernstig doch het feit dat de arts veranderingen aanbrengt in originele correspondentie (alsmede in het medisch dossier) maakt zijn verdere correspondentie onbetrouwbaar.

 

In de brief 10 juli 1999 van de arts aan de huisarts stelt de arts dat de vrouw habitueel de werkelijkheid buiten sluit. Cliënte vraagt zich af waarop de arts dit baseert.

 

Tenslotte wenst de vrouw een opmerking te maken over de brief van 2 april 2000 van de arts aan de huisarts. De toezegging van de arts dat hij de huisarts over het beloop van de terminatiefase op de hoogte zou houden, is niet met cliënte besproken.

 

Tenslotte wenst cliënte te reageren op het door de arts gestelde in zijn dupliek.

 

3.1.             De afronding van de therapie is nimmer bespreekbaar gemaakt door de arts. Trouwens het was niet het voorlezen van de brief van de arts aan de huisarts waardoor cliënte zich gekwetst en vernederd voelde doch het verloop van het gehele consult.

 

3.2.             Cliënte heeft nimmer gesteld dat de brief van de arts aan de huisarts dd. 2 april 2000 als grensoverschrijdend diende te worden aangemerkt. Uit het feit dat de sessie van 5 april 2000 escaleerde terwijl de arts tot op dat moment in de schijnbare veronderstelling verkeerde dat de therapie succesvol verliep, volgt dat de arts een totaal verkeerde inschatting van het verloop van de behandeling heeft gemaakt. Immers, een escalatie komt niet uit de lucht vallen. Van een professionele hulpverlener mag en dient te worden verwacht zulks tijdig te constateren. In zijn brief van 2 april 2000 aan de huisarts geeft de arts nota bene aan ervan op de hoogte te zijn dat cliënte de dagelijkse gang naar zijn praktijk heeft ervaren als een uitzonderlijk zware beproeving. Het is ongelooflijk dat zulks door de arts, gezien diens diagnose, is gegeneerd.

 

3.3.             Gelet op het verloop van de sessie van 5 april 2000 was van een terminatiefase geheel geen sprake meer. De impact van deze sessie was dermate traumatisch dat cliënte terug bij af was ten gevolge waarvan zij wederom onder behandeling diende te worden gesteld bij een psychiater.

 

3.4.             Alhoewel cliënte geen psychiater is komt het haar onwaarschijnlijk voor dat de traumatische sessie van 5 april 2000 onderdeel zou uitmaken van het proces. Dat zulks het geval zou zijn wordt in ieder geval niet door Dr. Y. onderschreven.

 

Uit de literatuur blijkt dat het regelmatig voorkomt dat hulpverleners naar de problemen van de cliënten verwijzen om hun gedragingen te rechtvaardigen.


Echter, bij de beoordeling van het gedrag van een grensoverschrijdende hulpverlener mag het doen en laten van een cliënt op geen enkele wijze meewegen.

 

3.5.             De opmerking dat het terugkeren van haar klachten kenmerkend zou zijn voor het proces is geheel onjuist. Het is de terugval van cliënte dat kenmerkend is voor een traumatische ervaring.

 

3.6.             De reden dat cliënte 7 weken geen contact met de arts heeft opgenomen heeft in het geheel niets uit te staan met het zogenoemde proces maar heeft te maken met het verwerkingsproces waarin cliënte na de sessie van 5 april 2000 was beland, waarvoor zij haar huisarts had geconsulteerd die haar direct heeft doorverwezen naar de psychologe mevrouw Drs. V.

 

3.7.             Het is aan de huisarts en niet aan de arts om te beoordelen of op het moment van de consultatie van cliënte van de huisarts ruggespraak met de desbetreffende arts gewenst is. Indien de huisarts hiervoor enige noodzaak had gevonden danwel zulks in het belang van cliënte had geacht, was hij hiertoe zeker over gegaan. Cliënte was echter dermate getraumatiseerd dat de huisarts zulks niet geïndiceerd achtte.

 

3.8.             Uit het door de arts in dit randnummer gestelde kan slechts één conclusie worden getrokken. Tot op heden wenst de arts niet de gevolgen van zijn handelwijze in te zien c.q. te erkennen ondanks de diagnose van zijn collega Dr. Y., die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat.

 

4.1.             De arts spreekt zich in dit randnummer tegen. Uit het feit dat de arts ervan op de hoogte was dat cliënte de sessies als een beproeving ervoer, had de arts moeten en kunnen begrijpen dat hij geen stabiele en veilige situatie voor zijn patiënt had te weten te creëren en derhalve hierin had gefaald. Zijn handelwijze van 5 april 2000, waarin de arts zelf erkent bewust escalerend te werk te zijn gegaan, staat haaks op dit doel.

 

4.2.             Zonder enige onderbouwing stelt de arts dat er sprake zou zijn van een discrepantie tussen hetgeen cliënte heeft ervaren en hetgeen cliënte tijdens de sessies ter sprake zou hebben gebracht. De arts gaat eraan voorbij dat hij als professionele hulpverlener en niet de patiënt hierop bedacht had moeten zijn. Cliënte heeft verscheidene malen aangegeven het gevoel te hebben dat er niets te klopte hetgeen door de arts volledig werd genegeerd.

 

4.3.             De arts mocht wellicht van mening zijn dat deze door hem gestelde discrepantie geen nadere toelichting behoeft doch cliënte acht het van belang te vermelden dat tijdens de gesprekken van 25 mei en 1 juni 2000, waarbij de echtgenoot van cliënte aanwezig was en waarin het gebeurde van 5 april 2000 en de door de arts gedane uitspraken uitvoerig te sprake is gekomen, in het geheel niet door de arts is weersproken.

 

4.4.             De gevoelens van cliënte zoals vermeldt in randnummer 4.4. zijn uitermate kenmerkend voor een overweldigende gebeurtenis. Met name de intense gevoelens van machteloosheid, ongeloof en verbijstering.

 

5.1.      Toen cliënte de arts consulteerde was zij nog nimmer eerder in contact geweest met een psychiater. Zij was derhalve in het geheel niet op de hoogte omtrent de normale gang van zaken. Omdat cliënte niet beter wist, wendde zij zich bij ‘het terugkeren’ van de klachten, wederom tot de voormalige behandelaar, de arts.

 

5.2.             Bij deze wordt kortheidshalve verwezen naar bovengenoemde reactie.

 

6.1.             Ten onrechte stelt de arts dat zijn eerste diagnose ‘(ernstige) chronische depersonalisatiestoornis’ zou zijn geweest. Een depersonalisatiestoornis is een vorm van een dissociatieve stoornis. In eerste instantie is over een depersonalisatie van cliënte in het geheel niet gesproken. De eerste diagnose was ‘dissociatieve stoornis’ en wel in een milde vorm.

 

Omtrent de opmerking van de arts ‘dat de mate van integratie beperkt lijkt en dat intensief betekenis vol contact al spoedig door klaagster als bedreigd wordt ervaren’ wenst cliënte van de arts nadere uitleg.

 

Tenslotte dient niet onvermeld te blijven dat de arts wederom verzuimd heeft te vermelden op grond van welke criteria op grond hij de diagnose bij cliënte heeft gesteld. Tot op heden is cliënte dit niet duidelijk.

 

6.2.             Of er al dan niet sprake is van een verkeerde danwel gemiste diagnose is ter beoordeling van het college. Cliënte is evenwel van mening dat de rapportages van

Dr. Y. en diens diagnose niets aan duidelijkheid overlaten. Indien noodzakelijk is Dr. Y. bereid op het eerste verzoek van het college zijn standpunt te onderbouwen.

 

7.1.             Op de eerste plaats ontkent cliënte dat zij de inhoud van de gesprekken zou hebben bepaald. Het tegenovergestelde is waar. Voorts dient te worden geconcludeerd dat de arts na 38 sessies er niet in is geslaagd zijn doelstelling te bereiken.

 

7.2.             Kortheidshalve wordt bij deze verwezen naar het gestelde in randnummer 3.4. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het gevoel van aanwezigheid van blokkades bij cliënte zonder meer in strijd is met de doelstelling van de arts zoals verwoord in randnummer 4.1., namelijk om voor cliënte een stabiele en een veilige omgeving te willen creëren. De arts spreekt zich hier zelf tegen.

 

De bewering van de arts dat intensieve psychotherapie heeft gemaakt dat de depersonalisatie beetje bij beetje kon worden overwonnen en dat patiënte dat als een volstrekte bevrijding heeft beleefd, is voor cliënte onbegrijpelijk en nimmer met haar besproken. De handelwijze van de arts staat echter lijnrecht op de handelwijze zoals die in de gangbare literatuur wordt aangegeven waarin juist het creëren van rust, veiligheid en stabiliteit wordt vereist.

 

Cliënte heeft zich ná de sessie van 5 april 2000 verdiept in de literatuur aangaande de dissociatieve stoornis en zij herkent zich hier helemaal niet in hetgeen door Dr. Y. wordt bevestigd.

 

7.3.             Hetgeen door de arts in dit randnummer wordt gesteld staat lijnrecht op het gebeurde van 5 april 2000. Betreurenswaardig is dat de arts tot op heden niet heeft erkend dat zijn gedrag grensoverschrijdend is geweest. Kortheidshalve wordt hierbij verwezen naar de rapportages van Dr. Y. die hierover duidelijk een geheel andere mening is toegedaan.

 

7.4.             Cliënte is tot op heden niet bekend met de door de arts vermeende toegepaste behandelmethode. Een behandelmethode suggereert immers de aanwezigheid van een behandelplan. In het medisch dossier wordt noch naar een methode noch naar een plan verwezen laat staan dat dit door de arts met cliënte besproken zou zijn.

 

7.5.              Noch door cliënte noch door haar echtgenoot is tijdens de gesprekken op 25 mei en 1 juni 2000 het succes van de ‘behandeling’ bevestigd, in tegendeel zelfs. Deze opmerking is kenmerkend voor de wijze waarop de arts uitspraken onjuist interpreteert. Zoals reeds aangegeven is de echtgenoot van cliënte aanwezig om zulks onder ede te bevestigen.

 

Tijdens het gesprek van 15 juni 2000 had cliënte nog het volste vertrouwen in haar nieuwe studie en baan. Het was de nieuwe studie en de nieuwe baan die cliënte enige tijd op de been hield zich daarbij niet realiserende dat de terugval haar toekomstplannen onmogelijk zouden maken.

 

Ten slotte vraagt cliënte zich af hoe het mogelijk is geweest dat zij een niet bestaande depersonalisatiestoornis heeft kunnen overwinnen.

 

7.6.             Omdat de arts de klacht van cliënte op 25 en 1 juni 2000 volkomen onbesproken liet, en op de vraag van cliënte wat de arts had bedoeld met de opmerking  ‘ik zou best wel een beetje van u kunnen houden….als vriend dan’ deze vraag afdeed met de opmerking ‘iedereen zegt weleens wat’,heeft cliënte doen besluiten dit onderwerp vooralsnog te laten rusten.

 

7.7.             Kortheidshalve wordt voor de reactie hierop verwezen naar het door cliënte gestelde in randnummer 3.4.

 

Ten onrechte concludeert de arts dat ook Dr. Y. verband legt tussen de problematiek van cliënte en haar beleving. Vanzelfsprekend heeft cliënte zulks voorgelegd aan Dr. Y. Deze opmerking van Dr.  Y. heeft betrekking op het feit dat cliënte nimmer van haar moeder heeft geleerd om overschrijding van grenzen te herkennen. Dit dient tevens als de oorzaak te worden gezien dat cliënte het grensoverschrijdende gedrag van de arts niet tijdig heeft kunnen doorzien.

 

8.1.      Het verweer van de arts met betrekking tot de verschillende versies van de brief van 10 juni 1999 zou in zoverre doel treffen indien zulks niet tevens het geval is bij de brief van 21 september 1997 alsmede met het medisch dossier begin 2000.

 

8.2.             Aangaande de correspondentie van 11 september 1997 en de daarin vermelde diagnose, wordt verwezen naar het hierboven gestelde. Niet in de brief van 21 september maar in de brief van 16 november 1997 aan de bedrijfsarts maakte de arts melding van een ernstige dissociatieve stoornis hetgeen lijnrecht staat op hetgeen de arts diezelfde week aan de huisarts schreef.

 

Cliënte ontkent tenslotte dat de inhoud van de brief van 11 september 1997 ooit door de arts met haar zou zijn besproken. Hiervan wordt trouwens in het medisch dossier ook geen melding gemaakt.

 

9.                  Voor wat betreft het gestelde door de arts aangaande de medicatie wordt bij deze kortheidshalve verwezen naar het hierboven gestelde.

 

SAMENVATTING

 

In zaken waarbij het handelen van een arts ter discussie staat, is het in beginsel aan de patiënt om het door haar/hem gestelde te bewijzen. Aangezien de patiënt hiervoor direct afhankelijk is van het medisch dossier van de aangeklaagde arts heeft de Hoge Raad zware gevolgen verbonden aan het ontbreken van essentiële gegevens hierin. Met het ontbreken hiervan wordt de bewijslast opgedragen aan de arts. Het is alsdan aan de arts om het tegengestelde anderszins te bewijzen.

 

Het medisch dossier van de arts is inconsistent, onvolledig, blijkt naderhand te zijn gecorrigeerd en bevat enige feitelijke onjuistheden.

 

De vermelding van de dosering van de medicatie is deels incorrect. Het medisch dossier bevat geen behandelplan en nergens staat vermeld dat er ooit op enig moment met cliënte gesproken is over de te volgen behandelmethode. Een stappenplan is nimmer gemaakt. Een behandelovereenkomst ontbreekt ten enenmale terwijl het belang hiervan onverkort uit de literatuur, waaraan de arts nota bene zelf refereert, ontbreekt. In het medisch dossier valt voorts geen enkele behandelstructuur ter herkennen.

 

Ook in het stellen van een diagnose is de arts uitermate inconsistent. Stelt de arts de ene keer dat cliënte lijdt aan een milde vorm van een dissociatieve stoornis, een paar dagen later blijkt er ineens sprake te zijn van een ernstige vorm hiervan. Een week daarna blijkt cliënte ineens volledig te zijn hersteld en kan de behandeling worden gestaakt. Als cliënte 1½ jaar later terugkomt, wordt de draad gewoon weer opgepakt, daarbij zijn eigen vaststelling dat er geen sprake is van dissociatie,  negerend. Opmerkelijk is dat de arts wel bepaalde signalen van cliënte opmerkt en die zelfs opschrijft,  maar er verder niets mee doet. Als het vervolgens tot een escalatie komt, blijkt dit plotseling deel uit te maken van de (voor cliënte onbekende) therapie hetgeen haaks staat op de in de literatuur beschreven beoogde creatie van rust, veiligheid en stabiliteit.

 

Als de arts door cliënte wordt gewezen op het maken van grensoverschrijdende opmerkingen, laat de arts die onweersproken en stelt slechts dat hij zich wellicht onjuist heeft geuit. De ontkenningen van de arts nimmer zich jegens cliënte te hebben uitgelaten over bijvoorbeeld zijn privé-leven, kunnen gemakkelijk aan de hand van het medisch dossier worden weerlegd.

 

De wijzigingen in de brieven aan collega artsen en van het medisch dossier doen de geloofwaardigheid van de arts verder afnemen.

 

CONCLUSIE

 

Op grond van het vorenstaande dient te worden geconcludeerd dat de arts niet heeft gehandeld zoals het een redelijk zorgvuldig en redelijk handelend arts betaamt en zich schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag. Cliënte heeft dientengevolge niet alleen grote psychische schade, bestaande uit een terugval van enkele jaren, doch tevens materiele schade geleden. Hierdoor is cliënte tot de dag van vandaag niet in staat deel te nemen aan het maatschappelijk leven en is zij in het kader van de WAO volledig arbeidsongeschikt verklaard.

 

REDEN WAAROM

 

cliënte persisteert in haar klacht zoals verwoord in het klacht- en verweerschrift.

 

Gemachtigde,

 

 

 

Woonplaats      4 juni 2002

 

 

 

 

                      

Pleitnota verweerder

 

 

                                                                  Aan het Regionaal Medisch Tuchtcollege te ’s-Gravenhage

Zitting dd. 4 juni 2002 te 14.00 uur

 

 

PLEITNOTA

 

Inzake:

 

Drs.X.

Psychiater en psychotherapeut te

A.

Verweerder,

Gemachtigde: Mr. K.

Advocaat te Z.

 

Op de klacht van:

A.

Wonende te A.

Klaagster,

Gemachtigde: Mr. B.

Advocaat te C.

 

Geacht College,

1.

In het klaagschrift dat klaagster heeft ingediend verwijt zij verweerder ernstig grensoverschrijdend gedrag tijdens de 38 psychotherapeutische gesprekken die zij in de periode 23 juni 1999 tot en met 5 april 2000 met verweerder heeft gevoerd. Dit verwijt is niet terecht.

 

2.

Tijdens de gesprekken heeft verweerder zich niet grensoverschrijdend jegens klaagster gedragen. Met name heeft hij geen ongepaste en/of indringende opmerkingen over zichzelf gemaakt. Voor zover door verweerder al opmerkingen zijn gemaakt die op hemzelf betrekking hadden, hetgeen overigens zelden het geval was, werden deze steeds binnen een bepaalde context gemaakt binnen welke deze noch als ongepast laat staan grensoverschrijdend zouden kunnen worden getypeerd.

 

3.

De meest grensoverschrijdende gedraging die klaagster verweerder tegenwerpt is dat hij tijdens de zitting van 5 april 2000 de tussentijds rapportage aan de huisarts heeft voorgelezen. Klaagster voelde zich hierdoor gekwetst, misbruikt, vernederd, woedend, verraden en als afval aan de straat gezet. In de repliek wordt dit gedrag zelfs als een mentale verkrachting gekwalificeerd. Als je de tekst van deze brief er op na leest, biedt deze geen steun voor de wijze waarop klaagster deze kennelijk heeft geïnterpreteerd.

 

4.

De tekst is bepaald positief –zonder daarbij grensoverschrijdend te zijn- en geeft niet aan dat de (tot dan toe succesvolle) therapie was beëindigd. Anders dan klaagster hieruit opmaakt valt hieruit in ieder geval niet af te leiden dat klaagster na 37 sessies haar verhaal niet mocht afmaken en zelfs geen afscheid kon nemen. Overigens valt deze reactie van klaagster moeilijk te rijmen met de grensoverschrijdingen welke zij verweerder thans verwijt.

 

5. Wat daarvan ook zij, verweerder betreurt het bijzonder dat klaagster thans met zulke negatieve gevoelens op de therapie terugkijkt. Verweerder is echter wel van mening dat hem hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken, zodat ik Uw College verzoek de klacht als ongegrond af te wijzen.

 

Advocaat/Gemachtigde

 

www.misbruikdoorhulpverleners.nl