Grensoverschrijdend
gedrag (GOG) door vrijgevestigde
psychiater (m) uit de regio
Dordrecht (2002)
|
De dupliek van
verweerder |
Aan het Regionaal Medisch Tuchtcollege te
’s-Gravenhage
Kenmerk: 00 O 166
DUPLIEK
Inzake:
Drs.
X.
Psychiater en psychotherapeut te A.
Verweerder,
Gemachtigde: Mr. K.
Advocaat te Z.
Op de
klacht van:
A.
Wonende te A.
Klaagster,
Gemachtigde: Mr. B. te C.
Repliek
1.1 Verweerder heeft kennis genomen van de
repliek van klaagster. Verweerder constateert dat naast de
grensoverschrijdingen die klaagster verweerder verwijt in de periode 23 juni
1999 t/m 5 april 2000 zij in de repliek ook haar ongenoegen uit over andere aspecten.
Kennelijk wenst klaagster haar klacht hiermee uit te breiden. Uit de repliek
destilleert verweerder dat klaagster hem naast grensoverschrijdend gedrag
tevens verwijt:
- Onzorgvuldig handelen tijdens en na de
therapie van 5 april 2000;
- Een onzorgvuldige (beëindiging van de)
behandeling in 1997;
- Een foutieve diagnose;
- Een foutieve behandeling;
- Kopieën van correspondentie te overleggen
welke afwijken van het origineel en (ernstige) onjuistheden bevatten;
- Onjuiste medicatie-informatie te hebben
verschaft.
1.2.Verweerder
is
van mening dat de klacht (ook) ten
aanzien van de bovengenoemde aspecten ongegrond
is en merkt in aanvulling op het verweerschrift het volgende op.
Reactie
2. Verweerder legt hierbij over een kopie
van het dossier dat betrekking heeft op de behandeling in 1997 (productie 1), alsook een kopie van de
aantekeningen die hij tijdens de therapiezittingen in de periode juni 1999 t/m
juni 2000 heeft bijgehouden (productie
2).
De zitting van 5
april 2000
3.1 Tijdens het begin van de
therapiezitting van 5 april 2000 heeft verweerder gepoogd de wijze van
afronding van de therapie bespreekbaar te maken, in welk kader hij zijn
tussentijdse rapportage aan de huisarts heeft voorgelezen. Dit is de tekst van
de brief die als productie 3 bij het verweerschrift is overgelegd. Klaagster
voelde zich hierdoor: ‘hevig gekwetst, misbruikt, vernederd, woedend en
verraden – als afval aan de straat gezet’. In de repliek wordt daar nog aan
toegevoegd dat klaagster dit heeft ervaren als een “mentale verkrachting”. Noot
klaagster: Het was niet
het voorlezen van de brief waardoor klaagster zich “hevig gekwetst,
misbruikt,etc. voelde, doch door het gehele
gesprek!
3.2. Verweerder is van mening dat deze tekst
bepaald niet als grensoverschrijdend kan worden gekwalificeerd. De inhoud is
positief, ook qua formulering. Uit de brief blijkt, zo heeft verweerder ook
duidelijk aangegeven, dat het een tussentijdse rapportage betreft, dat de
behandeling (tot dan toe) succesvol is, maar nog niet is afgesloten en dat
nadere berichtgeving over de “terminatiefase”te zijner tijd nog zal volgen. Noot
klaagster: Klaagster heeft nimmer gesteld
dat voornoemde brief als grensoverschrijdend
diende te worden opgemerkt! (zie klaagbrief).
3.3. Met de term ‘terminatiefase’ wordt het
proces van afronding van een psychotherapie aangeduid. Dit proces kan met
intense gevoelens van verlating, woede, etc. van de patiënt jegens de therapeut
gepaard gaan. Dit fenomeen wordt als overdracht gezien en het doorwerken de
(overdrachts)belevingen wordt in de (inzichtgevende) psychotherapie in het
algemeen van groot belang geacht. Ter onderbouwing van één en ander legt
verweerder hierbij kopieën over van literatuur waaruit dit blijkt (productie 3). Noot klaagster: De terminatiefase is
nooit besproken. Evenmin heeft verweerder
met klaagster de overdracht- en
tegenoverdrachtbelevingen besproken.
3.4 De heftige emoties die klaagster na de
afloop van de zitting van 5 april 2000 stelt te hebben ervaren, behoren bij dit
proces. Het gaat hier in feite om een onontkoombaar onderdeel van het
therapeutisch proces, waarbij de heftigheid die klaagster ervaart samenhangt
met haar problematiek (mate van integratie) en verweerder niet kan worden
toegeschreven. Noot klaagster: Het komt klaagster onwaarschijnlijk voor dat de traumatische
sessie van 5 april 2000 onderdeel uit zou
maken van het “therapeutisch” proces. Het is
een algemeen bekend feit dat hulpverleners naar de problemen
van hun cliënten verwijzen om hun misdragingen te rechtvaardigen (zie b.v.: Holroyd,
Pope, Sonne en Aghassi & Noot).
3.5.Ook het feit dat klaagster aangeeft dat
zij heeft moeten vaststellen dat ‘na de 38e sessie al haar
oorspronkelijke klachten waren teruggekeerd’ is kenmerkend voor dit proces. Noot
klaagster: Verweerder
wendt hiermee ‘therapeutische’rationalisaties
aan ter rechtvaardiging van zijn gedrag. Bij
de beoordeling van
het gedrag van een grensoverschrijdende
hulpverlener mag het doen en
laten van een cliënt op geen enkele wijze
meewegen!
3.6.Het uitblijvende telefoontje van
klaagster heeft verweerder beschouwd als onderdeel van dit proces. Verweerder
achtte het geïndiceerd om –zo was ook afgesproken- af te wachten tot klaagster
weer contact op zou nemen. Noot klaagster: De reden
waarom klaagster 7 weken geen contact
met verweerder had opgenomen heeft te maken
met het verwerkingsproces waarin zij na de sessie van 5 april 2000 was beland
en heeft in het geheel niets uit te staan
met het zogenoemde “proces”.
3.7.Verweerder betreurt het dat de huisarts
toen klaagster zich tot hem wendde niet heeft onderkend dat van bovengenoemde
proces sprake was en haar zonder met verweerder te overleggen of hem daarvan in
kennis te stellen heeft doorverwezen. Noot klaagster: De huisarts achtte het niet geïndiceerd contact op te nemen met
verweerder omdat hij klaagsters verhaal direct
geloofde. Verweerder heeft evenmin
contact gezocht met de huisarts. Het nalaten hiervan spreekt voor zich!
3.8. Verweerder merkt daarbij nog op dat
een niet volledige opgeloste overdracht tijdens de ‘terminatiefase’ kan maken
dat de patiënt gevoelens van wrok, verbittering jegens de therapeut kan gaan
koesteren en voorts tot nieuwe (andere) symptomatologie kan lijden (zie
productie 2). Het is mede met het oog hierop dat verweerder heeft voorgesteld
de therapie alsnog af te maken.Noot klaagster: Opnieuw heeft verweerder ‘therapeutische’ rationalisaties
aangewend ter rechtvaardiging van zijn gedrag!
Grensoverschrijdend
gedrag
4.1. Voor zover verweerder zich tijdens de
therapieën over zijn eigen leven respectievelijk ervaringen heeft uitgelaten,
hetgeen overigens zelden het geval is geweest en zeker niet op een indringende,
insinuerende, ongepaste of onsamenwijze(?) gebeurde, dan was dit functioneel
van aard en gebeurde dit uitsluitend in een bepaalde context. Dit fenomeen
wordt in de gesprekstherapie aangeduid met de term ‘self-disclosure’ en is niet
ongebruikelijk, laat staan onzorgvuldig, en heeft o.a. als doel het angst- en
spanningsniveau te verlagen en het therapeutisch klimaat veilig en vertrouwd te
maken. Noot klaagster: De handelwijze van verweerder op 5 april 2000 staat
haaks op dit doel. Verweerder geeft zelf al in zijn brief van 2 april 2000 aan
dat klaagster de wekelijkse gang naar zijn praktijk als een zware beproeving
heeft ervaren. Verweerder geeft hiermee al aan dat
hij geen stabiele en veilige situatie voor zijn patiënte had gecreëerd.
4.2. Verweerder herhaalt dat hij zich niet
herkent in de ‘grensoverschrijdingen’ die klaagster hem verwijt. Verweerder
constateert dat er een discrepantie bestaat tussen hetgeen tijdens de
therapieën door hem ter sprake is gebracht en klaagster aangeeft te hebben
ervaren. Noot klaagster: Verweerder had als ‘professionele’
hulpverlener hierop bedacht moeten zijn en niet zijn patiënte!
4.3. Dat er een discrepantie bestaat tussen
de (tussentijdse) rapportage die verweerder tijdens zitting van 5 april 2000
heeft voorgelezen- waarvan de letterlijke tekst in confesso is (zie productie 3
verweerschrift)- en hoe klaagster deze heeft opgevat, is reeds besproken. Noot
klaagster: Het ging klaagster in het geheel niet om het voorlezen van de brief
maar om het gehele bizarre gesprek. Klaagster verwijst
in deze naar haar klaagbrief en bijlage.
4.4. Verweerder merkt daarbij nog op dat de
impact die het voorlezen van deze rapportage bij klaagster opriep, wel aangeeft
dat zij veel vertrouwen in verweerder stelde. Ook de uit navolgende notitie
blijkt dat: “Mijn stemmingen omtrent X.
zijn zeer wisselend, ontzettend kwaad ben ik op hem, ik ben erg prikkelbaar, de
angst om hem te ontmoeten, dan denk ik dit, dan weer dat. Ik kan nog steeds
niet geloven dat uitgerekend deze man dit heeft gedaan, hij die aanvankelijk
bij mij overkwam als integer persoon en mij volgens zijn zeggen niet mocht
beschadigen en mij altijd uit emotionele situaties zou halen! Het feit waar ik
vooral mee zit is het feit dat plotseling na 37 sessies mijn verhaal niet
afgerond kan worden, ik kan niet eens afscheid nemen, dat doet zeer. Bovendien
voel ik mij ontzettend machteloos”. Noot
klaagster: Het zijn juist deze intense gevoelens van machteloosheid, ongeloof en
verbijstering, die uitermate kenmerkend
zijn voor een overweldigende gebeurtenis.
De behandeling in
1997
5.1. Dat klaagster veel vertrouwen in
verweerder stelde, blijkt ook uit het feit dat, nadat de behandeling in 1997
naar tevredenheid van klaagster was afgerond, zij zich in juni 1999 uit eigener
beweging opnieuw bij verweerder onder behandeling stelde. Dat klaagster in
feite ook over de behandeling in 1997 en/of de afronding daarvan ontevreden
was, zoals zij in de repliek doet voorkomen, wordt door verweerder betwist. Noot
klaagster: Klaagster was niet eerder in contact geweest met een psychiater
en was daarom in het geheel niet op de hoogte omtrent het feit hoe de behandelprocedure van een psychiater dient te
zijn! Pas na het indienen van de klacht heeft zij zich verder in dit onderwerp verdiept, mede dankzij
haar nieuwe psychiater die haar
direct op de beroepscode heeft gewezen. Overigens heeft verweerder klaagster nooit op deze code
gewezen!
5.2. Ook het briefje dat klaagster
verweerder op 4 september 1998 zond, en dat thans als productie 4 wordt overgelegd, spreekt in dat opzicht boekdelen. Noot
klaagster: De inhoud van voornoemd briefje luidt
als volgt: “Bijgaand treft u enkele strips Risperdal die niet meer
worden gebruikt door mij. Wellicht zijn deze nog bruikbaar voor andere
‘nooddurftige’ patiënten uit uw praktijk. Rest mij nog u mee te delen dat het
uitstekend gaat, mede door een prima aangeboden baan door de gemeente A, (naam
dienst) waar ik mij als een vis in het water voel, dat wil ik zo houden. Dank
voor de begeleiding (september t/m november ’97).” Tot dat moment was klaagster
onbekend met
een gangbare behandelprocedure. Haar nieuwe
behandelaar heeft klaagster op de hoogte gesteld hoe een behandelprocedure
hoort te zijn. Daarbij hoort niet dat een
psychiater aan zijn patiënten de
verstrekte medicatie terugvraagt indien deze niet meer door patiënten wordt
gebruikt. Evenmin hoort het bij een gangbare procedure dat bij beëindiging van
de behandeling nog ophoging van medicatie plaatsvindt! Zie verder blz. 6 van de pleitnota.
Foutieve diagnose
6.1.
Verweerder is van mening dat klaagster hem ten onrechte het stellen van
een foutieve diagnose verwijt. Verweerder stelde primair de diagnose (ernstige)
chronische depersonalisatiestoornis. Overigens is de diagnose deels
beschrijvend van aard en in feite veel ruimer dan bovengenoemd. Zo vermeldt
verweerder o.a. dat er ook depressieve momenten zijn; dat de mate van
integratie beperkt lijkt en dat intensief betekenisvol contact al spoedig door
klaagster als bedreigend wordt ervaren (zie brief dd. 10 juli 1999 aan de
huisarts), waarbij de dissociatieklachten op de voorgrond stonden, in alle
redelijkheid tot genoemde diagnose kon komen. Verweerder merkt daarbij op dat
in ieder geval aan de criteria van de DSM !V werd voldaan (productie 5). Noot klaagster: Verweerder heeft bovengenoemde punten in zijn
brief van 10 juli 1999 op geen enkele wijze
onderbouwd! Verweerder schrijft: “Conclusie: Ernstige chronische
depersonalisatiestoornis, conform de DSM IV-criteria.” Welke criteria
dat zijn laat verweerder onvermeld!
6.2. Anders dan klaagster meent kan naar de
mening van verweerder uit de door klaagster overgelegde brief van psychiater Y.
niet worden afgeleid dat verweerder (volgens Y.) een foutieve diagnose zou
hebben gesteld, laat staan dat dit verwijtbaar zou zijn. Noot klaagster: zie eerder
genoemde rapportages van psychiater Y.
De behandeling
7.1. De behandeling bestond uit een
exploratieve psychotherapie in een ondersteunend klimaat. Doel daarbij was het
verwerven van inzicht over de achtergronden van de problematiek. Klaagster
bepaalde de inhoud van de gesprekken en verweerder heeft gepoogd (de vorm en
inhoud van) het denken van klaagster te begrijpen. Noot klaagster: Verweerder is na
38 sessies er niet in geslaagd zijn doelstelling te bereiken. Zijn handelwijze was bijzonder onprofessioneel!
7.2. Inherent aan een dergelijke inzichtgevende
behandeling is dat dit een (tijdelijke) toename van spanning geeft. Het
verwerven van inzicht kan een zeer confronterend proces zijn dat met sterke
gevoelens van weerstand gepaard kan gaan. Verweerder heeft de blokkades ook die
klaagster bij haar gang naar de therapiezittingen aangaf te ervaren als
onderdeel van dit proces beschouwd. Klaagster
verwijst naar punt 7.2. blz. 19 van de pleitnota.
Overigens is het opheffen van blokkades een
kenmerkend aspect van inzichtgevende psychotherapie. Het bericht aan de
huisarts dat de therapie voor klaagster een zware beproeving was –maar ook dat
dit heeft gemaakt dat de depersonalisatie kon worden overwonnen en zij dat als
een volstrekte bevrijding heeft beleefd! – dient in dat kader te worden
beschouwd. Dat verweerder zou hebben gezinspeeld op de hem verweten
grensoverschrijdingen, zoals klaagster suggereert, is onjuist. Noot
klaagster: Verweerder spreekt zich hiermee tegen want hij heeft de
blokkades van klaagster in het geheel niet door inzichtgevende psychotherapie
opgeheven! Klaagster refereert aan blz. 17, punt 4.1. van de pleitnota.
7.3. Anderzijds heeft verweerder gepoogd
tijdens de behandelingen ook een zo veilig mogelijk klimaat te creëren. Niet
voor niets heeft verweerder reeds bij aanvang van de therapie aan de huisarts
bericht dat bij het verrichten van psychotherapeutische arbeid voorzichtigheid
geboden is en een zeer laag tempo dient te worden gehanteerd om klaagster niet
te overvragen (zie brief dd. 10 juli 1999). Het is ook in dit kader dat
verweerder zich ook soms steunend en structurerend heeft uitgelaten, zonder
daarbij grensoverschrijdend te zijn (zie hiervoor). Noot klaagster: Hetgeen door
de arts in dit randnummer wordt gesteld, staat lijnrecht op het gebeurde van 5
april 2000. Kortheidshalve wordt hierbij verwezen naar de rapportages van Dr.
Y. die hierover duidelijk een geheel andere mening is toegedaan.
7.4. Verweerder is van mening dat hem geen
verwijt kan worden gemaakt voor de toegepaste behandelingsmethode. Dat deze
methode volgens klaagster strijdig is met de behandelvorm die psychiater Van
der Hart propageert –hetgeen overigens maar de vraag is- doet daar niet aan af.
Noot
klaagster: Hetgeen verweerder hierin
stelt staat lijnrecht op het gebeurde van 5 april 2000.
7.5. Verweerder merkt in dit kader nog op
dat de behandeling (aanvankelijk) ook succesvol leek. Tijdens het verloop van
de behandeling, zo heeft verweerder ook aan de huisarts geschreven, kon de
depersonalisatie beetje bij beetje worden overwonnen. Ook tijdens het gesprek
waarbij de echtgenoot aanwezig was, kwam dat aan de orde en werd door zowel
klaagster als haar echtgenoot het succes van de therapie bevestigd. Tijdens het
laatste gesprek, waarbij ook de behandeling werd geëvalueerd, en waarbij de
echtgenoot overigens niet (meer) aanwezig was, gaf klaagster aan zich in goeden
doen te voelen, een heel goed jaar achter de rug te hebben en dat ze alles wat
ze wilde te hebben besproken. Dat deze verbetering (uitsluiten) aan het
reïntegratieprogramma dat klaagster volgde moet worden toegeschreven, zoals in
de repliek wordt gesteld, acht verweerder een verkeerde voorstelling van zaken.
Noot
klaagster: Noch door klaagster noch door echtgenoot is tijdens de gesprekken
van 25 mei en 1 juni 2000 het succes van de ’behandeling’
bevestigd, Integendeel zelfs. Deze opmerking is kenmerkend voor de wijze
waarop verweerder uitspraken verkeerd interpreteert! Zie verder blz. 20, punt
7.5 van de pleitnota.
7.6. Dat bij deze laatste sessie van een
situatie waarbij klaagster een klacht wilde indienen (nog) geen sprake was
blijkt overigens ook wel uit de verwachting van klaagster dat zij dacht hem
nooit meer nodig te hebben) ”ik vertelde
hem dat ik niet verwachtte ooit nog in zijn praktijk terecht te komen daar ik
mij beter voelde dan het moment dat ik twee jaar geleden (september t/m
december 1997, 8 sessies) bij hem was weggegaan. Hij beaamde dit”). Verweerder
betreurt het dat klaagster (ook) toen de grensoverschrijdingen die zij
verweerder thans verwijt niet ter sprake heeft gebracht. Noot klaagster: Het zijn de afhankelijkheid en het machtsverschil tussen
de kwetsbare positie van de hulpvraagster en de hulpverlener die maken dat
grensoverschrijdingen zelden of nooit ter sprake worden gebracht, laat staan
dat zij zich hieraan kunnen onttrekken!
7.7. Verweerder gaat ervan uit dat de
zienswijze waarmee klaagster de behandeling achteraf beschouwt samenhangt met
de achtergrond van haar problematiek en niet met de inspanningen van verweerder
als zodanig om deze achtergronden te achterhalen. Ook Y. geeft in feite aan dat
de beleving van klaagster samenhangt met haar problematiek (“Mijn indruk is,
dat de onontkoombaarheid die zij in het contact met collega X. heeft ervaren
alles te maken heeft met haar overweldigende ervaringen met de moederfiguur
(borderline?)…”). Een en ander neemt uiteraard niet weg dat verweerder het
bijzonder spijt dat klaagster de behandeling met negatieve gevoelens herbeziet.
Noot
klaagster: Verweerder verwijst opnieuw naar de
problemen van klaagster om zijn grensoverschrijdend gedrag te rechtvaardigen!
Zie verder 7.7. blz. 20/21 van de pleitnota.
Correspondentie
8.1. Ten behoeve van het verweerschrift
heeft verweerder de correspondentie die hij met de huisarts heeft gevoerd
opnieuw uitgedraaid zoals deze in zijn computer was opgeslagen. Uit het feit
dat de (her)uitdraai van de brief van 10 juni 1999 (op enkele niet van
belangzijnde punten) verschilt met de versie die aan de huisarts is verzonden,
leidt verweerder af dat hij deze brief kennelijk voor het verzenden nog heeft
gecorrigeerd, zonder deze wijzigingen in zijn computer op te slaan. Noot
klaagster: Het is kenmerkend voor grensoverschrijdende
hulpverleners dat zij correspondentie ‘aanpassen’
om zichzelf vrij te pleiten. Klaagster merkt op dat indien men een correctie
aanbrengt in correspondentie en deze ‘kennelijk’
vergeet op te slaan in de computer, dat deze er precies weer zo uitziet
als voor de correctie, immers de computer heeft het niet opgeslagen! Indien
verweerder niets te verbergen had hoefde hij
deze correspondentie en zijn aantekeningen in het medisch dossier niet aan te
passen. Een arts gaat open en adequaat een
tuchtrechtprocedure tegemoet indien hij niets te vrezen heeft!
8.2. Dat de correspondentie (ernstige)
onjuistheden zou bevatten is niet juist. Ten aanzien van de opmerking dat in de
brief van 11 september 1997 ten onrechte van ernstige dissociatieve stoornis
wordt gesproken, merkt verweerder op dat wat bij aanvang van de behandeling als
mild imponeerde tijdens het verloop van de behandeling ernstiger bleek te zijn.
Voorts merkt verweerder op dat in de bewuste brief aan de huisarts is
gecommuniceerd wat hij van klaagster heeft begrepen. Overigens heeft verweerder
de inhoud van deze brief ook met klaagster besproken en werd de inhoud van deze
brief ook met klaagster besproken en werd de inhoud daarvan door haar akkoord
bevonden. Noot klaagster: Klaagster ontkent dat verweerder deze
brief met haar heeft
besproken en dat de inhoud door haar akkoord bevonden. In zijn aantekeningen is hiervan geen melding gemaakt.
Verweerder schrijft op 18 september het volgende: “Zit wat gemakkelijker. 1e
gesprek was wat minder serieus door af en toe een klein grapje van mijn zij.
Bij V. is dissociatie niet aan de orde gekomen. Wat een ander doet met etsen,
doet p. met borden: maakt ze heel creatief.”
Medicatie
informatie
9. In de eerste alinea van de brief dd.10
juli 1999 heeft verweerder vermeldt dat klaagster in 1997 met Risperdal werd
behandeld. Eén en ander kan ook uit productie 3 worden afgeleid:
(“Bijgaand enkele
strips Risperdal die niet meer door mij worden gebruikt”).
Dat klaagster in de periode 1999/2000 met
Ludiomil werd behandeld en niet met Risperdal is juist en heeft verweerder ook
aan de huisarts bericht. Verweerder meent dat klaagster hem ten onrechte
verwijt onjuiste informatie over de medicatie te hebben verstrekt. Noot
klaagster: Zie blz. 21, 8.1. en, 8.2 van de pleitnota.
Conclusie
10.
Verweerder is van mening dat de door klaagster gemaakte verwijten niet gegrond zijn.
Verweerder heeft klaagster met inachtneming van vereiste zorgvuldigheid
behandeld en heeft zich geenszins op een grensoverschrijdende wijze jegens haar
uitgelaten, nog anderszins onzorgvuldig behandeld. Verweerder meent dat de
klacht voor afwijzing gereed ligt.
MET
CONCLUSIE:
Verweerder
persisteert!
Gemachtigde,