-         Pseudo Professioneel: Medische Tuchtrechtspaak –

 

Grensoverschrijdend gedrag (GOG) door vrijgevestigde psychiater (m) uit de regio Dordrecht (2002)

 

 

 

De repliek van klaagster

 

 

 

 

Aan het Medisch Tuchtcollege te

 

DEN HAAG

 

 

 

REPLIEK 

 

 

 

Klaagster, A., hierna te noemen “klaagster”, wonende te (0000 XX) aan Onbekendestraat 1,  A. in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van haar advocaat Mr B. te C. die in deze zaak optreedt als haar gemachtigde.

 

 

Klaagster heeft kennis genomen van het verweerschrift van de heer X. hierna te noemen “verweerder”, die in deze zaak wordt bijgestaan door zijn advocaat de heer Mr K.  te Z.

 

Alvorens klaagster zal reageren op het door verweerder gestelde in zijn verweerschrift acht zij een nadere toelichting van de feiten en haar klacht noodzakelijk.

 

FEITEN

 

De hulpvraag van klaagster waarvoor zij zich onder behandeling liet stellen bij X bestond het ondervinden van problemen op het werk na een reorganisatie in 1995. Ten gevolge van de reorganisatie had klaagster zowel lichamelijke als psychische klachten ontwikkeld die er uiteindelijk toe leidden dat zij haar werkzaamheden diende te staken. In deze toestand kwam klaagster bij verweerder terecht. Na haar te hebben aangehoord concludeerde verweerder dat er sprake was van een milde ernst van klachten en stelde de diagnose ‘dissociatieve stoornis’ (vide brief verweerder dd. 21 september 1997 aan de huisarts de heer W.) en niet zoals in het verweerschrift wordt gesteld “ernstige dissociatieve stoornis’. De behandeling van mevrouw V. vond niet in 1999 maar in 1997 plaats.

 

Dissociatie kan het beste worden beschreven als het ‘uit je zelf treden’. Een ieder doet dit wel eens. Door in gedachten verzonken te zijn, kan men urenlang rijden zonder te realiseren waar men eigenlijk is. Dissociatie is evenwel pathologisch indien het een reactie betreft op een abnormale overweldigende gebeurtenis. Deze onttrekking kan in eerste instantie adequaat werken, doch op langere termijn kan dit problematische gevolgen hebben. Er is dus een fundamenteel verschil tussen pathologische, traumatische dissociatie en de alledaagse verschijning ervan.

 

Bij de pathologische vorm tracht de persoon aan bepaalde denkbeelden te ontsnappen. Het gaat hierbij om denkbeelden van traumatische gebeurtenissen uit het verleden die worden herbeleefd en als het ware opnieuw worden opgevoerd. In de literatuur zijn verschillende vormen van dissociaties beschreven, variërend van lichte tot zware vormen.

 

Afhankelijk van de vorm, dient een patiënt met een dissociatieve stoornis te worden behandeld. Het drie- fasenmodel van “Van der Hart, 1995”, is een bekende behandelingsvorm. In dit fasenmodel wordt de behandeling van een dissociatieve stoornis uitvoerig beschreven waarbij het belang van de therapeutische relatie als de rode draad van de behandeling wordt beschreven. De therapeut dient een sfeer te creëren waarin de patiënt zich veilig voelt en open durft te staan voor aandacht en steun en voortdurend uitleg krijgt over de behandeling an sich en het doel daarvan.

 

Het creëren van veiligheid en vertrouwen hetgeen volgens “Van der Hart” als basis dient van de therapie, is in de behandeling door verweerder nimmer aanwezig geweest. Het was verweerder die de inhoud van de gesprekken bepaalde en het was verweerder die bepaalde wat er gebeurde. Klaagster voelde zich, zoals zij het verwoordt, “geclaimd”. Over een behandelplan is nimmer gesproken. Eind 1997 werd de behandeling zonder enig overleg plots stop gezet en werd klaagster als genezen verklaard, terwijl klaagster geheel niet het gevoel had ‘genezen’ te zijn.

 

Uit de correspondentie van die tijd aan de huisarts van klaagster, blijkt hoe slecht verweerder in feite op de hoogte was van de casus. Zo schrijft verweerder in zijn brief van 22 oktober 1997 aan de huisarts dat klaagster sinds haar vroege jeugd bekend is met een dissociatieve stoornis. Dit is niet waar! Dat de menstruatie van klaagster 6 maanden was uitgebleven. Dit is grote onzin, aangezien enige jaren daarvoor de baarmoeder van klaagster was verwijderd, een gebeurtenis die door verweerder in zijn eerdere brief aan de huisarts nog werd aangemerkt als een van de oorzaken van de milde vorm van klachten. Spreekt verweerder in zijn eerste brief aan de huisarts over een dissociatieve stoornis, in zijn brief van 16 november 1997 aan de bedrijfsarts is er een ineens sprake van een ernstige dissociatieve stoornis. Opmerkelijk is voorts dat in verweerders brief van 23 november 1997 aan de huisarts hierover met geen woord wordt gerept. Is, volgens de gangbare behandeling, een ernstige dissociatieve stoornis een langdurige behandeling geïndiceerd, bij brief van 21 december 1997 wordt de huisarts geïnformeerd omtrent het feit dat klaagster is genezen. Al met al niet bepaald een logisch verloop van de behandeling, ervan uitgaande dat de diagnose van verweerder correct was!

 

1999

 

Omdat het niet goed ging met klaagster, consulteerde zij in juni 1999 wederom verweerder. Dit was immers haar psychiater en zij wist niet beter dan dat de wijze waarop hij haar behandelde, zo hoorde. In punt 3.4. refereert verweerder aan een behandelingsplan. Voor zover hiervan sprake mocht zijn geweest, met klaagster is er nimmer over dit plan gesproken (laat staan besproken) noch werd haar inzicht gegeven omtrent de oorzaak van haar stoornis. Door verweerder werd klaagster getypeerd als een ‘zeer getraumatiseerde vrouw’. Dissociatie werd door verweerder omschreven als “een gevoel dat je geestelijk uit elkaar valt”. Dit gevoel had klaagster echter niet.

 

In haar bijlage heeft klaagster reeds uitgebreid verslag gedaan van het verloop van de consulten sindsdien. Eigenlijk doordat klaagster steeds thuis kwam met vreemde verhalen, groeide bij klaagster langzaam het besef dat ‘er iets niet klopte’ en dat de vele suggestieve opmerkingen, zijn monologen en gepraat over zijn privé-leven in het geheel niets uit te staan hadden met de therapie. Het feit alleen al dat klaagster op de hoogte is van zeer persoonlijke aangelegenheden van het gezin van verweerder, zegt voldoende. Voorts laat verweerder na, zijn opmerking dat klaagster zijn opmerkingen zou hebben verdraaid met voorbeelden te onderbouwen.

 

Langzaam groeide bij klaagster het besef dat zij met tegenzin naar de sessies ging, dat de suggestieve opmerkingen dienden te worden aangemerkt als grensoverschrijdend en dat zij zich hierdoor geïntimideerd en onveilig voelde. Meerdere malen heeft klaagster verweerder hierop geattendeerd doch hij negeerde dit volledig (zie hiervoor bijlage pagina 2, derde en zevende alinea). Het leek wel of verweerder, klaagster niet hoorde. Langzaam maar zeker voelde klaagster de spanningen tijdens de sessies groeien en ging zij zich steeds ongemakkelijker, onbehaaglijker voelen en zich te realiseren dat het gedrag van verweerder grensoverschrijdend was. Klaagster acht verweerder bekend met het fenomeen dat grensoverschrijdend gedrag zelden of nooit door het slachtoffer bij de dader ter sprake wordt gebracht.

 

Van het creëren van een veilig klimaat, zoals door verweerder in punt 3.6. wordt verondersteld, was geenszins sprake. Trouwens, een professionele behandelaar weet direct of hij hierin al dan niet in slaagt.

 

Dat het privé-leven van klaagster redelijk goed verliep, kwam doordat zij een re-integratieprogramma volgde waarbij zij in contact kwam met vele lotgenoten. Via dit programma werden klaagster reële mogelijkheden aangeboden om terug te keren op de arbeidsmarkt. Klaagster had er op dat moment alle vertrouwen in dat zij zou slagen, omdat zij zich herkende en zich gesterkt voelde door haar ‘lotgenoten’.

 

Dit alles werd door het gesprek van 5 april 2000 in één keer tenietgedaan. Zonder enige waarschuwing las verweerder zijn brief aan de huisarts dd. 2 april 2000 aan haar voor. Deze brief is beslist niet door verweerder betiteld als een ‘tussentijdse rapportage’. Deze brief werd zonder nadere toelichting aan klaagster door verweerder voorgelezen. Opmerkelijk is evenwel de erkenning van verweerder dat klaagster de sessies heeft ervaren als een zware beproeving. Volledigheidshalve wordt bij deze verwezen naar hetgeen omtrent de behandeling van dissociatieve stoornis wordt geschreven door Van der Hart.

 

Het gehele gesprek van 5 april 2000 heeft klaagster ervaren als een ‘mentale verkrachting’. Zij voelde zich misbruikt, vernederd, woedend, als afval aan de straat gezet. Voor het eerst in haar leven had zij het gevoel buiten zichzelf te staan en het gebeuren te beleven als een buitenstaander. Voor het bizarre verloop van het gesprek wordt kortheidshalve verwezen naar de bijlage van klaagster. Hoe zij is thuis gekomen weet zij niet meer. Haar echtgenoot trof haar in verkrampte toestand en totaal overstuur aan.

 

Het is correct dat klaagster verweerder de toezegging heeft gedaan hem na de cursus terug te bellen doch gezien het verloop van het gesprek, waarvan het slechte verloop door verweerder wordt erkend, dient het initiatief hiervoor te komen van de professionele behandelaar. Uit de brief van 25 mei 2000 van verweerder aan de huisarts volgt, dat verweerder zich al te goed bewust was van het feit dat het gesprek van 5 april 2000 slecht was verlopen. Klaagster onder deze omstandigheden te laten gaan, zonder zorg te dragen voor nazorg, is onverantwoord en op zich al klachtwaardig. Het minste dat verweerder had kunnen doen, is contact opnemen met de huisarts van klaagster. Klaagster bevreemdt zich verder over het feit dat verweerder in zijn klaagschrift over het consult van 5 april 2000 zich niet inhoudelijk uitspreekt.

 

Had klaagster het gevoel het leven weer aan te kunnen en keek zij met vertrouwen de toekomst tegemoet; met dit ene gesprek was alles tenietgedaan. Langzaam maar zeker raakte zij in een zware depressie. Door toedoen van haar huisarts (vide productie…), die het gebeurde en de gevolgen hiervan voor klaagster direct onderkende en geen moment aan de waarheid van haar verhaal twijfelde, kwam klaagster bij dr. Y. onder behandeling te staan. Voor de traumaverwerking heeft klaagster op advies van de huisarts en een psychologe na 7 weken contact opgenomen met verweerder, waarna nog enige gesprekken hebben plaats gehad. Aangezien zij emotioneel niet in staat was deze gesprekken alleen aan te gaan, was op advies van haar huisarts haar echtgenoot daarbij aanwezig. Tijdens het gesprek 25 mei 2000 is nogmaals het gevoel van klaagster aan de orde geweest dat ‘er iets niet klopte’. Op het aanbod van verweerder de behandeling op te pakken en verder te gaan is klaagster logischerwijs niet ingegaan. De basisvoorwaarden voor een goede behandeling, zoals vertrouwen en veiligheid, waren immers niet meer aanwezig.

 

Klaagster ontkent voorts dat, zoals door verweerder in punt 3.12 wordt verondersteld, zij met verweerder heeft gesproken over het feit dat ‘dat zij een manier had geleerd om daarmee om te gaan’. Een dergelijke opmerking suggereert dat er sprake zou zijn geweest van evaluatie hetgeen beslist niet het geval is geweest. Het feit dat met dit gesprek een einde was gekomen aan de sessie, werd door klaagster ervaren als een opluchting. Voorts keek zij op dat moment met vertrouwen uit naar haar nieuwe baan. Helaas bleek dit van korte duur te zijn. Al spoedig werd duidelijk wat de gevolgen waren van het gebeurde van 5 april 2000.

 

Klaagster is inmiddels alweer 7 maanden onder behandeling bij dr. Y. Uit de brief van 15 november 2000 aan de huisarts volgt dat er primair sprake is van een depressieve stoornis, geretraumatiseerd in een grensoverschrijdende hulpverleningsrelatie.

 

Met betrekking tot het gestelde in punt 3.14 wenst klaagster op te merken dat haar brief van 8 december 2000 op twee essentiële punten incorrect wordt geïnterpreteerd. Klaagster heeft destijds slechts informatie ingewonnen bij het Informatie en klachtopvangbureau Gezondheidsregio-IKG (woonplaats). Een klacht is nimmer ingediend. Evenmin staat in voornoemde brief dat de heer B. de nog te formuleren klacht met verweerder heeft besproken. Klaagster heeft alleen de heer B. te kennen gegeven een klacht te willen indienen tegen een psychiater wegens ernstig grensoverschrijdend gedrag. De klacht zelf is onbesproken gebleven. De stap van de heer B. was derhalve prematuur. Door vóór het indienen van een klacht hierover contact op te nemen met de zorgverlener, heeft de heer B. zijn bevoegdheden overschreden.

 

Tenslotte merkt klaagster op dat verweerder haar nimmer op zijn beroepscode noch op enige bestaande klachtregeling heeft gewezen.

 

CONCLUSIE

 

Niet alleen heeft verweerder, gelet op de diagnose van dr. Y. een foutieve diagnose gesteld, doch hij heeft tevens klaagster foutief behandelend. Binnen de psychiatrie is het een feit van algemene bekendheid dat de basisvoorwaarden voor een behandeling van een dissociatieve patiënt het bieden van vertrouwen en veiligheid is. Met zijn verwijzing naar het boek van Van der Hart wordt dit door verweerder in de brief van 21 september 1999 aan de huisarts erkend.

 

Van psychiaters mag worden verwacht bepaalde zorgvuldigheid te betrachten bij het voeren van gesprekken. Door klaagster tijdens het gesprek van 5 april 2000 in een zodanige positie te brengen dat zij hierdoor is gaan dissociëren, heeft verweerder elke vorm van zorgvuldigheid overschreden. Dit geldt tevens voor het feit dat verweerder klaagster in een volstrekt verdwaasde toestand naar huis heeft laten gaan, zonder zich zelfs maar te vergewissen van haar toestand. Op grond hiervan dient te worden geconcludeerd dat verweerder de stand van de geneeskunde heeft ondermijnd en niet heeft gehandeld zoals het een redelijk en bekwaam arts betaamt.

 

 

Tenslotte is het betreurenswaardig te moeten constateren dat verweerder kopieën van correspondentie heeft overgelegd die afwijken van het origineel en (ernstige) onjuistheden bevatten. Bij deze legt klaagster de originele brief van 10 juli 2000 van verweerder aan de huisarts over. De met * aangegeven tekst verwijst naar de door verweerder later aangebrachte wijzigingen c.q. weglatingen.

 

Tenslotte heeft klaagster in 1999 en 2000 nimmer Risperdal als medicatie van verweerder voorgeschreven gekregen, hetgeen tevens betekent dat ook de medicatie-informatie van verweerder incorrect is. Een afschrift van het overzicht van de apotheek van 1997 t/m 2000 legt klaagster bij deze als productie over.

 

MITSDIEN

 

Klaagster al hetgeen door verweerder in zijn verweerschrift stelt, weerspreekt en zij haar klacht zoals verwoord in het klaagschrift handhaaft.

 

Plaatsnaam, 29 maart 2001

 

 

Gemachtigde:

 

 

Bijlage:

 

  1.  originele brief van X. dd. 10 juli 1999
  2.  gecorrigeerde brief van X dd. 10 juli 1999
  3.  brief van de huisarts van klaagster dd. 14 september aan de nieuwe behandelaar
  4.  brief van Dr.Y. dd. 15 november 2000 aan de huisarts van klaagster
  5.  overzichtslijst apotheek m.b.t. de verstrekte medicatie 1997/2001

 

www.misbruikdoorhulpverleners.nl