-         Pseudo Professioneel: Medische Tuchtrechtspaak –

 

Grensoverschrijdend gedrag (GOG) door vrijgevestigde psychiater (m) uit de regio Dordrecht (2002)

 

 

 

Het verweerschrift van de beklaagde arts

 

 

 

 

                                                                                             

Kenmerk: 00 O 166

 

 

                                               Aan het Regionaal Medisch Tuchtcollege te

 

                                               ’s Gravenhage

 

 

 

Geeft te kennen:

 

 

X. psychiater te A, verder te noemen verweerder, te dezer domicilie kiezende te Z. ten kantore van de advocaat en procureur Mr. K, die te dezer zake als gemachtigde zal optreden en als zodanig dit processtuk en eventuele nadere processtukken zal ondertekenen.

 

 

1.                   Verweerder heeft kennis genomen van de klacht die mevrouw A. hierna te noemen: klaagster, wonende te A. tegen hem bij uw College op 30 november 2000 heeft ingediend, alsook van haar brief dd. 5 januari 2001 met bijlagen.

 

 

De klacht

 

 

2.                   Klaagster verwijt verweerder ernstig grensoverschrijdend gedrag tijdens de 38 psychotherapeutische gesprekken die zij in de periode 23 juni 1999 t/m 5 april 2000 met hem heeft gevoerd.

 

Reactie op de klacht

 

 

3.1.

Verweerder betreurt het dat klaagster van mening is dat verweerder valt te verwijten dat hij bij haar behandeling haar grensoverschrijdend zou hebben behandeld. Verweerder is echter van mening dat dit verwijt niet terecht is en wijst terzake op het volgende.

 

3.2.

Voorafgaand aan de periode waarop de klacht betrekking heeft is klaagster al bij verweerder onder behandeling geweest in de periode van 11 september t/m 17 december 1997. Dit vanwege een ernstige dissociatieve stoornis. Een kopie van de ter zake deze behandeling gevoerde correspondentie wordt als productie 1 overgelegd.

(Noot van klaagster: Uit de brief van 21 september 1997 blijkt dat verweerder een dissociatieve stoornis heeft gediagnosticeerd en niet zoals in het verweerschrift wordt gesteld ‘ernstige dissociatieve stoornis’. Bovendien heeft klaagster zich overigens bij verweerder aangemeld met depressieve klachten!)

                     

 3.3                  3.3.

                       Op 23 juni 1999 wendde klaagster zich wederom met dissociatieve klachten tot verweerder.

                       Voorafgaand was zij daarvoor reeds onder behandeling geweest bij psycholoog/psychotherapeut mevrouw V. te A. De brief die verweerder naar aanleiding hiervan aan de huisarts zond wordt als productie 2 overgelegd. Noot van klaagster: Klaagster wendde zich in 1997 met depressieve klachten tot psycholoog/psychotherapeut mevrouw V. en niet in 1999 zoals wordt gesteld in het verweerschrift.                                           

 

                         3.4

                          In de periode tot en met 5 april 2000 is klaagster vervolgens wekelijks bij verweerder onder behandeling geweest. De behandeling bestond uit een exploratieve psychotherapie in een ondersteunend klimaat, met als doel de achtergronden van de dissociatieve klachten te ontdekken. In de periode augustus t/m november 1999 werd de behandeling ook medicamenteus ondersteund met Ludiomil/maprotiline. Noot van klaagster: over een behandelingsplan is nimmer gesproken, evenmin wordt er melding van gemaakt in de aantekeningen van verweerder! 

 

                          3.5.

                          Tot aan de behandeling van 5 april 1999 ging het geleidelijk aan steeds beter met klaagster. Haar dissociatieve en angstklachten verminderden en werden steeds beter hanteerbaar. Hierdoor ging klaagster ook steeds beter functioneren, waardoor zij bijvoorbeeld weer in staat was te solliciteren. Noot van klaagster: Klaagster functioneerde beter doordat zij een reïntegratiecursus van een paar maanden volgde en zodoende in contact kwam met lotgenoten!

 

                          3.6.

                          Tijdens de therapieën heeft verweerder gepoogd een voor klaagster veilig klimaat te creëren. Verweerder heeft zich daarbij ondersteunend opgesteld –klaagster spreekt van attent- in welk kader ook de kwestie met het gedicht van Marsman moet worden geplaatst. Verweerder heeft zich echter nimmer grensoverschrijdend jegens klaagster geuit. Met name heeft verweerder geen ongepaste en/of indringende opmerkingen over zichzelf en zijn privé leven verteld, laat staan in monologen. Evenmin valt verweerder te verwijten meer dan een gebruikelijke attentie in acht te hebben genomen. Noot van klaagster: Verweerder schrijft in zijn brief van 2 april 2000 aan de huisarts: ‘Ze heeft de wekelijkse gang naar mijn praktijk beleefd als een uitzonderlijk zware beproeving’. Een dergelijke zin had verweerder niet in zijn brief hoeven op te nemen als het klimaat ook daadwerkelijk veilig was! 

 

                         3.7.

                          Verweerder herkent zich dan ook niet in de in de bijlage van het klaagschrift opgenomen opmerkingen. De aldaar aangehaalde opmerkingen zijn voor het overgrote deel niet door verweerder gemaakt. Zo heeft verweerder niet gesproken over de maandcyclus van zijn dochters en evenmin over de verschillende slaapplekken in zijn huis. Voor het overige deel zijn de opmerkingen door klaagster verdraaid dan wel zijn zij in een bepaalde context geplaatst, welke ten onrechte door klaagster onvermeld is gebleven. Noot klaagster: Boven de aantekeningen van verweerder van 5 januari 2000 (dit moet overigens 2 januari zijn i.p.v. 5 januari want dat was op een zaterdag! staat letterlijk: “Wil mijn verhalen over omgang met (zijn!) kinderen niet horen.” Bovendien staat letterlijk in verweerders aantekeningen van 13 januari 2000,”Wil geen persoonlijke dingen weten”.  (ook deze datum klopt niet want dat was op een zondag! (verweerder heeft in zijn aantekeningen met de gegevens overduidelijk gemanipuleerd! Zie ook repliek, blz. 7, 3e alinea van de conclusie en de pleitnota blz. 22., laatste alinea) moet dinsdag 9 januari zijn. Tevens laat verweerder na zijn stelling te onderbouwen ‘dat klaagster zijn opmerkingen zou hebben verdraaid ‘.

 

                         3.8.

                          Dat klaagster meende dat verweerder tijdens zijn behandelingen grensoverschrijdend te werk ging heeft verweerder pas achteraf vernomen. In geen van de 38 behandelsessies is dit door klaagster ooit aangegeven dat zij verweerder niet vertrouwde of dat zij notities was gaan bijhouden over in haar ogen onbegrijpelijke zaken”. Noot van klaagster: Wederom schrijft verweerder op 13 januari 2000 in zijn aantekeningen letterlijk: “voelt geen vertrouwensrelatie bij mij!”en: “Ik hou het mee in stand doordat gesprekken niet zo lopen”. Op 15 maart 2000 schrijft verweerder letterlijk: “Komt niet graag bij mij! Het blijft verwarrend. Wil het liefst niets laten zien. Voelt zich ontzettend geblokkeerd. Is absoluut niet zo. Het heeft niets te maken met man vrouw (rest van de zin is onleesbaar) Besproken dat ze altijd 2 over 1 komt – ik wil niet komen”.

 

                         3.9.

                          Tot aan het consult van 5 april 2000 had verweerder geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat klaagster, zoals zij dat in haar klaagschrift noemt, ‘op één of andere manier niet in staat was om afstand van hem te nemen’. Dat zij meerdere malen zou hebben aangegeven dat zij meende er iets niet klopte tussen haar en verweerder is niet juist en wordt door verweerder betwist. Noot klaagster: Zie noot klaagster bij 3.7 en 3.8..

 

                          3.10.

                          Tijdens de behandeling van 5 april 2000 heeft verweerder aan klaagster medegedeeld dat hij als tussentijds rapportage een brief voor haar huisarts had geschreven. Een kopie van deze brief wordt als productie 3 overgelegd. Verweerder heeft de brief aan klaagster voorgelezen en bij haar geïnformeerd of zij het met de inhoud daarvan eens was. Anders dan klaagster meent hield deze brief niet een aankondiging van het einde van de therapie in. Wel heeft verweerder naar aanleiding van de brief aangegeven dat gezien de verbetering van de klachten van klaagster hij de afrondingsfase bespreekbaar wilde maken.Verweerder heeft geenszins de suggestie gewekt of willen wekken dat de behandeling (abrupt) moest eindigen. Verweerder betreurt het dat klaagster zich hierdoor “misbruikt, vernederd, woedend en verraden –als afval aan de straat gezet voelde”. Verweerder herhaalt dat dit niet zijn bedoeling is geweest en biedt daarvoor zijn verontschuldigingen aan. Noot klaagster: Verweerder weet heel goed dat het niet het voorlezen van de brief was waardoor klaagster zich misbruikt, vernederd, etc. voelde. Het was het gehele bizarre gesprek dat klaagster als een mentale verkrachting heeft ervaren!

 

                         3.11.

                          Aan het einde van het consult van 5 april 2000 werd afgesproken dat klaagster, die wegens het volgen van een cursus de eerst komende twee weken verhinderd was, zelf weer contact op zou nemen voor het maken van een nieuwe afspraak. Pas circa 7 weken later belde klaagster, waarbij een afspraak werd gemaakt op 25 mei 2000. Gezien het verloop van het consult van 5 april 2000, ging verweerder ervan uit dat klaagster kennelijk tijd nodig had en achtte hij het niet geïndiceerd om in de tussentijd uit eigener beweging contact met haar op te nemen. Dat klaagster zich intussen tot haar huisarts had gewend en dat deze haar kennelijk naar een andere psychotherapeut had verwezen, was verweerder niet bekend en vernam hij pas later. De brief die verweerder naar aanleiding hiervan aan de huisarts heeft gezonden wordt als productie 4 overgelegd. Noot klaagster: Uit de brief van 25 mei van verweerder aan de huisarts blijkt dat verweerder zich al te goed bewust was van het feit dat het gesprek van 5 april slecht was verlopen. Geen enkele psychiater haalt het in zijn hoofd om 7 weken niets van zichzelf te laten horen, vooral als een patiënte toegezegd heeft dat zij na twee weken contact met hem op zou nemen. Dat verweerder dat niet geïndiceerd achtte, stemt tot nadenken!

 

                         3.12.

                          Tijdens het gesprek van 25 mei 2000 had klaagster onaangekondigd haar echtgenoot meegenomen. Tijdens dit gesprek stelde klaagster dat zij vreselijk boos was naar aanleiding van het verloop van het consult op 5 april en dat zij daarom niet eerder had gebeld voor het maken van een nieuwe afspraak. Zij gaf aan dat zij het gevoel had dat verweerder haar in de steek liet. Tijdens het gesprek heeft verweerder aangegeven dat dit geenszins de bedoeling was geweest en heeft hij voorgesteld om alsnog de therapie op adequate wijze af te ronden. Hoewel zowel klaagster als haar echtgenoot aangaven dat zij veel baat had gehad bij de behandeling wilde klaagster hierover nadenken. Op 29 mei 2000 heeft verweerder klaagster gebeld en in overleg werd er toen een afspraak gemaakt voor 1 juni 2000 (hemelvaartsdag). Na de behandeling op 1 juni heeft nog zitting plaatsgevonden op 16 juni 2000, waarna de behandeling werd beëindigd. Noot klaagster: Zie 3e alinea, blz. 5 van de repliek! 

 

                         3.13.

                          Bij de beëindiging van de behandeling gaf klaagster aan dat zij zich in goeden doen voelde, dat zij een goed jaar achter de rug had en dat zij alles wat zij met verweerder wilde bespreken had besproken. Klaagster vertelde dat ze de dissociaties kon voelen aankomen door het aanspannen van haar spieren en dat ze een manier had geleerd om daarmee om te gaan. Bij brief dd. 18 juni 2000, heeft verweerde de huisarts hierover geïnformeerd  (productie 5).

                          Verweerder constateert dat de verbetering van het toestandsbeeld van klaagster op moment van beëindiging van de therapie niet strookt met hetgeen hierover in het klaagschrift wordt gemeld. Noot klaagster: Zie het gesprek van 5 april 2000 van de bijlage en blz. 6 van de repliek.

 

                         3.14.

                          Uit de brief van dd. 5 januari blijkt dat klaagster enige tijd later een klacht heeft gemeld bij de patiëntenorganisatie IKG. Voorts heeft klaagster contact opgenomen met psychiater B. die als gebiedscoördinator voor zelfstandig gevestigde psychiaters in de regio A optreedt. B. heeft verweerder op 7 november 2000 benaderd met het verzoek of hij instemde dat de nog door klaagster te formuleren klacht in behandeling zou worden gegeven aan de Klachtencommissie van het APZ de G.R. Verweerder heeft toen aangegeven daarmee in te stemmen. Anders dan klaagster stelt heeft B. de (nog te formuleren) klacht niet met verweerder besproken. Het verwijt van klaagster dat B. op een “ons kent ons” manier te werk zou zijn gegaan, acht verweerder niet terecht. Noot klaagster:  Op twee essentiële punten wordt de brief verkeerd geïnterpreteerd. Klaagster heeft slechts bij het IKG informatie ingewonnen, en niet zoals verweerder suggereert, een klacht ingediend! Evenmin staat in de brief dat klaagster met de heer B. de klacht heeft besproken.

 

                          Conclusie:

 

 

                          Verweerder is van mening dat hem geen grensoverschrijdend gedrag valt te verwijten. Verweerder heeft steeds zijn professionele afstand ten opzichte van klaagster bewaard en heeft geen ongepast en/of indringende opmerkingen over zichzelf en zijn privé leven heeft verteld. Verweerder betreurt het dat klaagster ontevreden is over het verloop van het consult van 5 april 2000, maar is van mening dat hem ter zake geen tuchtrechtelijk verwijt treft.

 

                           REDENEN WAAROM:

 

                           Verweerder uw College verzoekt de klacht als (kennelijk) ongegrond af te wijzen.

 

                          

                            Plaatsnaam, 23 februari 2001

 

                                                                                                        Gemachtigde,

 

www.misbruikdoorhulpverleners.nl