-         Pseudo Professioneel: Medische Tuchtrechtspaak –

 

Grensoverschrijdend gedrag (GOG) door vrijgevestigde psychiater (m) uit de regio Dordrecht (2002)

 

 

 

1.2. Bijlage klaagschrift

 

 

 

Bijlage behorend bij het klaagschrift

 

Naam (klaagster)

Adres

0000  XX  Woonplaats

 

BIJLAGE

 

 

Van 23 juni 1999 t/m 5 april 2000 ben ik onder behandeling geweest bij X, psychiater te A. 

De sessies vonden wekelijks plaats op een vast tijdstip en dag.

 

Hieronder volgen de opmerkingen van X. Vrijwel alle uitspraken van hem zijn zonder enige context gedaan, het waren bijna altijd opmerkingen die niets met het gesprek zelf te maken hadden.

 

 

Op het eind van het gesprek in oktober ’99 vraagt X aan mij:

N.a.v. bovenstaande opmerking van hem was ik flink geïrriteerd en merkte op: “Wat is dat voor iets belachelijks?” Het antwoord was vaag.

 

 

In november toen mijn sollicitatietraining begon kon ik niet precies aangeven wanneer ik weer een afspraak met hem kon maken (meestal waren ze voor een maand gepland) Hij leek teleurgesteld te reageren:

 

Bij mijn verhaal over geluidsoverlast van (naam café naast ons huis)

N.a.v. verhalen over mijn ouders typeerde X hen als psychopaten.

 

 

X heeft het vaak over zijn dochters gehad (van X jaar).

X vertelde mij dat zijn dochters vandaag of morgen ongesteld zouden worden. N.a.v. deze mededeling voerde hij de volgende monoloog met zichzelf.

Tijdens dit gesprek had hij het ook over een emmer met rozenblaadjes. De sessie daarop ben ik teruggekomen op die emmer met rozenblaadjes. Hij kon zich niet herinneren dat gezegd te hebben. Vrijwel iedere sessie daarna is hij daar op teruggekomen met de mededeling het zich niet te kunnen herinneren. Ik heb X op een gegeven ogenblik gezegd dat ik het vervelend vond dat hij het zo vaak over zijn dochters had. Na mijn opmerking is dat minder geworden.

 

Toen ik hem er weer eens op wees dat er iets niet klopte tussen hem (begin februari) en mij werd hij boos.

Hij liet mij weten wel degelijk persoonlijke dingen van hem te laten zien, door de inrichting van zijn kamer bijvoorbeeld, want bij de RIAGG zit je in grijze, onpersoonlijke kamertjes.

 

 

Zijn gedrag bracht mij constant in verwarring, daar heb ik hem diverse keren op gewezen.

 

Plotseling stond er tegen de muur een schilderij en heel belangstellend wachtte hij mijn reactie af. Hij weet dat wij veel van kunst houden, kopen, verzamelen, etc. (1 maart)

 

Weer n.a.v. mijn opmerking dat ik mij bij hem geblokkeerd voelde. (1 maart)

 

Herhaalde malen heeft X mij met onbelangrijke mededelingen erop attent gemaakt dat hij alleen was.

 

 

Op 15 maart raakte hij tijdens mijn verhaal over de droom die ik over hem had heel geïrriteerd dat ik hem niet noemde. 

In mijn droom heb ik zijn handen opengekrabd omdat hij mijn polsen vasthield. Hij zei:

 

Tijdens het gesprek van 22 maart jl. heb ik X als aanvulling op mijn droom over hem verteld dat het niet donker en niet licht was. Hij vroeg wat er bij mij opkwam bij duisternis. Nadat ik mijn verhaal had verteld klapte X mijn status dicht en gooide het op de verwarming naast hem en begon diep te zuchten en zei eerst niets. Zijn reactie was alsof dit het ergste was dat hij ooit in zijn praktijk had gehoord. ( Dit vond ik een overdreven reactie van hem) Vervolgens begon X aan een uitleg. Dit gesprek was voor mij heel emotioneel. Hij zag dit  en zei dat hij mij altijd uit zo’n situatie zou halen als hij merkte dat ik het niet meer aan zou kunnen. M.a.w. als het te emotioneel voor mij zou worden.

 

Op 22 maart heb ik hem verteld dat ik mij niet kon herinneren dat ik mij bij enig ander persoon zo geblokkeerd en geremd voelde als bij hem.

 

X vraagt hoe het lichamelijk contact is tussen (naam echtgenoot) en mij en wie daartoe het meeste initiatief neemt. X neemt het voortouw:

 

 In een van de sessies voert X de volgende monoloog:

X gaat vervolgens tegen mij verder met de mededeling:

(Ik ben X een keer met dochter tegengekomen in de stad. Ging dit nu over mij of over iemand in het algemeen?)

 

Aan het eind van het gesprek op 29 maart heb ik X er nogmaals op gewezen dat ik van 10 april t/m 21 april i.v.m. een cursus niet kon komen.

 

Gesprek van 5 april 2000

Op woensdag 5 april begon X plotseling met het voorlezen van zijn brief dd. 2 april 2000 aan de huisarts. Dit verraste mij zeer. Niets wees namelijk tijdens voorgaande sessies op het feit dat dit zou plaatsvinden, wij hebben dit ook niet besproken. Hij vroeg of ik het eens was met de inhoud waarop ik bevestigend antwoordde.

‘Houdt deze brief het einde van de therapie in?’ dacht ik. Gezien de inhoud van de brief, leek het daar wel op! Hierdoor was ik overrompeld. N.a.v. de zin uit voornoemde brief: ‘Ze heeft de wekelijkse gang naar mijn praktijk beleefd als een uitzonderlijk zware beproeving,’ vroeg hij mij: “Als uw huisarts hiernaar vraagt, bespreekt u dit dan?” Ik antwoordde hierop ontkennend en zei dat ik bijna nooit bij de huisarts kwam en als ik het B. (naam echtgenoot) al niet duidelijk kon maken dan kon ik het de huisarts ook niet duidelijk maken waarom ik de sessies als moeilijk had ervaren.

 

Daarna deelde hij mij geheel onverwacht mee dat hij de laatste week van juli en de eerste twee weken van augustus met vakantie ging en zei: ”maar voor die tijd hebben wij elkaar vast alweer gesproken”. Ik was perplex, wat was dit nu weer voor een reactie en dacht: ‘waar heeft hij het over, het is nu toch pas 5 april’.

Hij vroeg mij enige tijd later wat ik dacht. Ik antwoordde hem dat de dochter van B. (naam echtgenoot) met haar vriend binnenkort terug zou keren van hun wereldreis en dat er mogelijk een discussie zou ontstaan over het feit waar zij zouden slapen. Ik vertelde hem dat ik niet wilde dat zij bij ons zouden slapen. Daarna heb ik hem nog wat verteld over (naam echtgenoot). Hij zei: “U woont letterlijk op de (noemt straatnaam)”. Ik vroeg hem wat hij daarmee bedoelde en hij antwoordde: ”Nou, dat er letterlijk een bom ligt”. Dit slaat op wat meningsverschillen tussen (naam echtgenoot) en mij. Vervolgens ging hij verder:  ”Het volgende vertel ik u als (noemt zijn voor- en achternaam)”, waarna hij zei dat ik (naam echtgenoot) zijn reactie moest kunnen begrijpen, omdat hij eerder een verlies heeft meegemaakt. Hiermee verwees hij kennelijk naar de echtscheiding die (naam echtgenoot) in het verleden heeft meegemaakt. De zin van deze opmerkingen van X ontging mij. Suggereerde hij dat (naam echtgenoot) opnieuw voor een echtscheiding zou kunnen staan? Daarna kwam zijn opmerking: “Volgens mij houdt u van wilde feesten”. Ik antwoordde maar van ja want ik wist echt niet waar dit nou weer op sloeg. Dit is een van de vele uit de lucht vallende opmerkingen die hij altijd maakte zonder dat er een reden toe was. 

 

Verder heeft hij een verhaal verteld over een wetenschappelijk onderzoek dat is gedaan naar mensen die werken in ploegendienst. Daar is uit gebleken dat er een hoog scheidingspercentage is onder deze mensen maar dat ze over het algemeen binnen het jaar weer een andere partner hadden. Ik heb het vermoeden dat X dit vertelde n.a.v. mijn verhalen over (naam echtgenoot). (Echtgenoot heeft echter niets met ploegendiensten te maken!)

 

Daarna begon hij een verhaal te vertellen over zijn opleidingstijd (naam ziekenhuis) waar depressieve patiënten een proef moesten doen en een potlood in de handen kregen gedrukt en e.e.a. op moesten schrijven. Hij was zo verbaasd dat zij dit zonder meer deden in plaats van tegen hem te zeggen dat ze dat niet zouden doen. “Zou u dat ook zonder meer hebben gedaan?” Vroeg hij mij waarop ik ontkennend antwoordde.

 

Even later keek X mij aan en vroeg mij of ik (naam echtgenoot) wel eens had verteld dat ik de moordenares van mijn moeder was. (Mijn moeder is een aantal jaren geleden overleden!) Ik begreep niets van deze wending van het gesprek. Hij vroeg mij of ik wist wat hij bedoelde waarop ik ontkennend antwoordde. Hij begon met een uitleg maar dit snapte ik totaal niet en voelde mij bijzonder onveilig, zeer gespannen en angstig. Hij had het ook nog over de hand van mijn moeder die uit het graf stak(!) Ik begreep hier echt niets van en hoorde X in volslagen verwarring aan. Ik kon niet geloven dat hij dezelfde persoon was als degene die 37 sessies tegenover mij had gezeten.

 

Daarna vroeg X aan mij of ik besefte dat ik misschien wel de moordenares van (naam echtgenoot) zou kunnen zijn. Ik was totaal verkrampt en voelde diepe afkeer voor deze man. Ik begreep volstrekt niet waarom dit gebeurde. Tijdens deze voor mij zeer schokkende minuten zei hij tevens dat hij mijn gedrag als beledigend had ervaren (welk gedrag, wat had ik misdaan?) Direct erna zei hij: ”Niettemin blijft u welkom bij mij”. Hij vervolgde met: “U heeft hier bepaalde gedachtes gehad”. Ik antwoordde wezenloos met ja en zat verstijfd in de stoel. Even later hoorde ik hem heel duidelijk vragen: “Hoort u mij nog?” Ik antwoordde bevestigend. Daarna werd hij weer een beetje mens (naar mijn gevoel) en zijn ogen stonden belangstellend en zei: “Nu is het bijna zover”… (doelde op de cursus die ’s maandags zou beginnen.) Ik was nog te geschokt om hierop een antwoord te geven. Ik kon niet geloven wat hier net was gebeurd.

 

Tenslotte vroeg hij: “Wat spreken we af voor de volgende keer? Ik antwoordde dat ik hem na de cursus zou bellen maar dat ik niet wist wanneer omdat ik simpelweg niet kon zeggen wanneer ik waar zou zijn. (Detachering na de opstapcursus). De tijd was inmiddels om en X en ik stonden op. Hij gaf mij een hand en zei: “Tot horens.” Ik zei: “Tot ziens”, waarop ik zijn kamer uitliep met een onwezenlijk gevoel.

 

Even later stond ik op straat, emotioneel ontredderd en in opperste verwarring. Onderweg naar huis begreep ik maar niet wat er zich in zijn kamer die middag had afgespeeld. Een gevoel van diepe rouw, alsof ik net een heel dierbaar iemand had verloren, overviel mij. Thuisgekomen ben ik op de bank gaan zitten en voelde dat ik totaal verstijfd was. (Spieren in bovenarmen waren erg gespannen). Geschokt, vol ongeloof, verbijsterd en perplex was ik over die middag. De rest van de avond heb ik mij heel erg verdrietig gevoeld maar omdat e.e.a. nog niet helemaal tot mij doorgedrongen was kon ik (naam echtgenoot) slechts weergeven wat er die middag door X was gezegd.

Dit alles speelde zich nota bene af aan de vooravond van mijn cursus waar ik maanden naar uit had gekeken!

 

’S Avonds keerden B. (naam echtgenoot) en ik terug van een bezoek en reden rond 22.40 de (straat waarin wij wonen) op. Tot mijn grote schrik zag ik voor ons uit X bij de brievenbus staan met enige brieven in zijn handen en kon niet geloven dat hij dezelfde persoon was als degene die ik tijdens de sessie eerder op die dag had meegemaakt. Ik voelde mij erg misselijk worden en was zeer van streek. Vier dagen later begon e.e.a. pas goed tot mij door te dringen en kwam ook het gesprek met X weer terug. Ik voel mij verraden door hem, als een vuilniszak buiten gezet, maar bovenal dat ik het hele kleine beetje vertrouwen dat ik in hem had volledig kwijt ben. Het vertrouwen is diep geschonden, hij heeft misbruik gemaakt van mijn afhankelijkheid, bovendien heb ik een persoon verloren waarvan ik deskundige zorg van kon verwachten, dat heeft hij niet waar gemaakt! Hij heeft mij in het geheel niet gerespecteerd. Wat heb ik hem misdaan? Waarom doet zo’n man zoiets? Ik begrijp niet dat iemand zo kan zijn. Volgens (naam echtgenoot) komt dit omdat ik hem heb afgewezen, hoezo dan? Ik ging toch maar twee weken naar de cursus? Was hij op (datum) dan zo beledigd dat ik geen alternatieve afspraken kon maken in de week 15 en 16 (cursus), ik weet het nog steeds niet, ik ben nog steeds vol ongeloof over (datum bewuste sessie)! Mijn stemmingen omtrent X zijn zeer wisselend, ontzettend kwaad ben ik op hem, ik ben erg prikkelbaar, de angst om hem te ontmoeten, dan denk ik dit, dan weer dat. Ik kan nog steeds niet geloven dat uitgerekend deze man dit heeft gedaan, hij die aanvankelijk bij mij overkwam als een integer persoon en mij volgens zijn zeggen niet mocht beschadigen en mij altijd uit een emotionele situatie zou halen! Waar ik vooral mee zit is het feit dat plotseling na 37 sessies mijn verhaal niet afgerond kan worden, ik kan niet eens afscheid nemen, dat doet zeer. Bovendien voel ik mij ontzettend machteloos. (Bovenstaande notities dateren van 16 april jl.).

 

 

Nadat mijn cursus op 20 april was afgelopen, heb ik direct voor 21 april een afspraak met de huisarts gemaakt voor een vertrouwelijk gesprek met mijn echtgenoot erbij. Inmiddels was de brief van X bij hem op 6 april binnengekomen. De huisarts vond de brief positief. Mijn huisarts is geschrokken van mijn verhalen, vooral van de gebeurtenis van (datum), en gaf toe dat het een traumatische ervaring voor mij geweest moest zijn. Hij kende X niet persoonlijk en had geen andere negatieve verhalen over hem gehoord. Hij heeft onmiddellijk hulp aangeboden door mij door te sturen naar een psychologe om e.e.a. te verwerken. Dit zou met een aantal gesprekken met haar op te lossen zijn. Ik heb vier gesprekken met haar gehad. Zij adviseerde mij X te confronteren met het gesprek van 5 april.

 

Tussen de gesprekken door (met psychologe) bleef ik ook nog contact houden met mijn huisarts en ook hij adviseerde mij dat ik X maar moest confronteren met mijn bevindingen. Mijn besluit stond vast, ik zou z.s.m een afspraak met X maken. Na de laatste sessie van 5 april heb ik 7 weken geen contact meer opgenomen met X. Van zijn kant hoorde ik al helemaal niets! Op 23 mei belde ik hem, ik kreeg hem zowaar direct aan de lijn i.p.v. zijn antwoordapparaat. Hij was duidelijk verrast door mijn telefoontje. Meteen nadat ik kort en zakelijk had gevraagd om een afspraak te maken was het even stil aan de andere kant van de lijn, ik vroeg of hij mij nog hoorde. Hij reageerde daarop met de datum 31 juni te noemen. “Dat kan dus niet “, (datum bestaat niet eens) zei ik. Waarop hij zei: “Toevallig heb ik overmorgen nog plaats om 14.20 uur”.

 

Met mijn echtgenoot had ik afgesproken dat hij mee zou gaan als toehoorder, dat had ik X niet verteld. Op 25 mei op voornoemde tijd hebben wij ons bij X gemeld. Hij schrok toen hij zag dat ik niet alleen was. ”U bent niet alleen”, constateerde hij. “Nee, antwoordde ik hem, “dit is mijn echtgenoot B. (naam) en hij komt mee als toehoorder”.

 

Hij gaf mijn echtgenoot een hand en stelde zich aan hem voor als (voor- en achternaam). Toen hij mij een hand wilde geven heb ik deze geweigerd. Ik heb X gedurende 3 kwartier mijn versie van alle gebeurtenissen weergegeven. Hij voelde zich duidelijk niet op zijn gemak. Ik heb X verteld hoe afschuwelijk ik mij had gevoeld op 5 april en dat hij naar mijn gevoel door zijn gedrag alle toelaatbare grenzen had overschreden. Hij moest mij maar uitleggen wat er gebeurd was want dat ik het niet snapte. Ook wilde ik van hem een uitleg hoe het kwam dat ik met een slechter gevoel de deur uit ben gegaan bij hem op die bewuste (datum) dan toen ik binnenkwam. “U als psychiater had kunnen weten wat de gevolgen van een dergelijk gesprek hadden kunnen zijn”.

 

N.a.v. zijn verhaal dat uit een wetenschappelijk onderzoek was gebleken dat er een hoog scheidingspercentage is onder mensen die in ploegendienst werken, zei ik hem dat ik niet op zoek was naar een verhouding, noch dat ik een andere partner zocht. Ook heb ik hem verteld dat (naam echtgenoot) mij niet kon claimen (daar hebben wij het in een eerder gesprek over gehad) maar dat X dat al helemaal niet kon. Of had zijn handelen soms iets te maken met de cursus die ik had gevolgd en daardoor 2 weken niet kon komen en zeker geen alternatieve afspraken kón maken? Ging het hem erom: ‘Zij heeft mij niet meer nodig, dus ik haar niet?’ Hij antwoordde ontkennend.

 

Boos merkte ik op dat ik 2 jaar bezig was om terug te komen in het arbeidsproces en vroeg: “Gunt u mij dat niet?”

Ik vertelde X dat ik het beetje vertrouwen dat ik in hem had volledig kwijt was, dat hij voor mij een bijzonder ongeloofwaardig persoon was geworden en dat hij uitermate onprofessioneel bezig was geweest.

Tevens heb ik hem verteld dat ik de huisarts wel degelijk had ingelicht over alles en dat ik door zijn (X) toedoen opnieuw elders onder behandeling was. Daar schrok hij zichtbaar van. Ik heb hem verteld dat misstanden in therapieland door mij werden gemeld, vooral als het mijzelf aanging. Ik liet hem weten dat ik waarschijnlijk een van de weinige patiënten was die hem eerst met de feiten wilde confronteren voordat ik een eventuele klacht in zou dienen, want dat de meeste patiënten zoiets niet durven te doen.

 

Nogmaals heb ik hem in het gesprek erop gewezen dat een en ander niet klopte tussen ons en dat hij tussen mij en de therapie in stond. Over het feit dat ik hem beledigd zou hebben (hij kon zich niet herinneren dat gezegd te hebben) zei ik dat hij mij in een eerdere sessie  had gezegd dat ik desnoods heel zijn kamer kon gebruiken en dat ik alles tegen hem zou kunnen zeggen. Dus kon ik hem niet beledigd hebben! “U heeft hier bepaalde gedachtes gehad”, daarover vertelde ik hem dat ik vele gedachtes tijdens de sessies had gehad. “U dient immers als mijn projectiescherm”. “Dat was waar”, erkende hij.

 

Tijdens mijn confrontatie met hem vroeg hij: ”Weet u nog van die rozenblaadjes?” Daar ben ik niet op ingegaan. Hij maakte zijn excuses en stelde voor de therapie alsnog af te maken. Ik vroeg hem hoe hij zich dat had voorgesteld. Mijn vertrouwen in hem was immers volledig weg. X vroeg mij tijd om over e.e.a. na te denken. Hiermee heb ik ingestemd en zei dat hij mij kon bellen. Dat heeft hij gedaan op 29 mei ’s avonds. Opnieuw bood hij telefonisch zijn excuses aan en zei dat hij een rot weekend had gehad. X vroeg of ik nog een afspraak wilde maken. Hiermee ging ik akkoord want ik wilde antwoorden op mijn vragen hebben. Op 1 juni hemelvaartsdag, “want dat is voor mij een gewone werkdag”, zei hij tegen mij, is er een tweede afspraak gemaakt. (Echtgenoot) zou weer meegaan met mij als toehoorder.

 

Op mijn vragen heb ik geen bevredigende antwoorden gekregen. Ik vroeg hem waarom hij in 7 weken niets van zich had laten horen. X antwoordde met: “U zou mij toch bellen?” Op mijn vraag waarom hij niet van tevoren met mij had overlegd dat er een brief naar de huisarts zou gaan antwoordde X met: “Dat is nu eenmaal mijn werkwijze”. Op mijn vraag waarom hij mij niet uit mijn mogelijke dissociatie had gehaald zei hij: “ Dat heb ik niet gezien. Daarop zei ik hem dat hij dat wel degelijk moest hebben gezien want anders vroeg hij niet “Hoort u mij nog?” Vaag was hierop zijn antwoord.

Op mijn vraag wat hij in hemelsnaam bedoelde met de opmerking: ‘Ik zou best wel een beetje van u kunnen houden…als vriend dan.’ praatte hij hier vlug overheen met de mededeling: “Iedereen zegt wel eens wat”.

Op mijn vraag wat hij bedoelde met zijn opmerkingen dat ik de moordenares van mijn moeder en van (naam echtgenoot) was begon hij aan een uitleg die inhield dat ik figuurlijk gezien hen beide was ontgroeid. Hij gaf toe dat zijn woordkeuze anders had moeten zijn.

Op mijn opmerking dat door de sessie van 5 april jl. naar mijn mening alle voorgaande sessies door hem om zeep waren geholpen, zei hij het volgende: “Na de afwas ga je de theekopjes toch ook niet kapot gooien?”

Op mijn vraag waarom hij op 5 april jl. reeds had aangekondigd de laatste week van juli en de eerste twee weken van augustus op vakantie te gaan, antwoordde hij dat sommige mensen al in juni op vakantie gingen en dat hij daar rekening mee moest houden.

 

Tevens vertelde ik hem dat ik zijn rekening van 5 april had teruggestuurd naar Fa-med omdat ik het niet eens was met de omschrijving die daarop stond. In tegenstelling tot voorgaande rekeningen waarop altijd de omschrijving ’ individuele psychotherapie extramuraal stond, vermeldde de rekening van 5 april plotseling Poliklinische behandeling’. Ik vroeg hem welke poliklinische behandeling dat was geweest en waar deze had plaatsgevonden. Hij antwoordde dat dat een verhaal van de AWBZ was en dat hij daar niets mee te maken had. “U heeft daar wel degelijk mee te maken,” zei ik, “de brief wordt doorgestuurd naar de zorgverlener, dat bent u toch?”

 

Aan het eind van het gesprek vroeg hij of ik een nieuwe afspraak met hem wilde maken of dat wij dat samen (echtgenoot en ik) nog thuis zouden bespreken. Ik had X namelijk verteld dat zijn rol als therapeut voor mij was uitgespeeld en dat kennelijk op zijn initiatief de therapie op 5 april was beëindigd. X heeft met mij afgesproken dat hij op 5 juni ’s avonds zou bellen. Aldus geschiedde.

 

Ik heb X gezegd dat ik het bij de twee voorgaande gesprekken wilde laten en toen was het heel lang stil aan de andere kant van de lijn. Hij zei: “u klinkt heel zeker hierover”. Ik antwoordde hem dat een derde gesprek niets toe zou voegen. Hij zuchtte en zei: “Als u er zo over denkt, dan wens ik u alle goeds voor de toekomst”. En: “Ik wil u nog laten weten dat ik nog een aantal jaren in dit huis blijf wonen(!) “U blijft altijd welkom bij mij”.

 

Vervolgens begon hij erover dat de therapie toch wel heel abrupt afgebroken was, dat vond hij jammer. Dat vond ik ook en zei dat tegen hem. Hij vroeg mij of ‘die derde persoon’ nog in het spel was (doelde op mijn behandeling elders). Ik antwoordde ontkennend (op 5 juni heb ik het laatste gesprek met de psychologe gehad).

Uiteindelijk zei ik nog wel een gesprek te willen hebben met hem. Hij stelde een datum voor met als mededeling ”tweede helft van de avond”(!) Dit vond hij blijkbaar ook iets te gek voor woorden en zei: “Nee”. Er is een afspraak gemaakt voor 15 juni.

 

Ik wilde voor mijzelf de therapie nog wel afronden en besloot om alleen te gaan. Nadat ik mij gemeld had op 15 juni kwam hij direct zijn spreekkamer uit om mij te verwelkomen en gaf mij een hand. Zijn gezicht stond zeer opgewekt. Ik ging zitten en hij wilde de draad weer oppakken van 5 april waar wij uiteindelijk waren gebleven. Mijn antwoorden op zijn vragen waren zeer kort:

 

“Hoe voelt u zich?” - “Goed”. (Ik voelde mij ook goed, net begonnen aan een nieuwe baan, in september zou ik met mijn studie beginnen aan de Bestuursacademie, kortom mijn toekomst zag er goed uit)

“Is er een positieve levensverwachting?” - “Wat bedoelt u hiermee?” - “Is er een contract?” (werk) - “Ja”.

“In (naam woonplaats)?” - “Buiten de gemeente B.” - “File probleem?” - “Ik hoef niet met de auto”.

“Vakantie?” (hij bedoelt of ik nog op vakantie ga) - “Ja”.

 

Dat ging nog even zo door totdat ik hem vertelde dat dit mijn laatste gesprek was want dat ik niets meer met hem te bespreken had. Zijn gezicht betrok, daar leek hij niet op gerekend te hebben. Zijn houding veranderde. Hij voelde zich kennelijk door mijn onverwachte mededeling niet meer op zijn gemak. Nogmaals vertelde ik hem dat ik zijn argumenten op (datum) had aangehoord, ze weliswaar respecteerde maar dat ik ze voor kennisgeving had aangenomen. Tevens zei ik tegen hem dat ik geen woord terugnam van hetgeen ik hem op (datum) had gezegd. “Hier zijn duidelijk twee meningen, “ zei ik. Hij bladerde nog wat in mijn status en vroeg of ik de depersonalisatie zou herkennen. Ik antwoordde bevestigend. “Waaraan?” - “Aan de spierpijn. Wilt u nog weten waar?” - “Dat hoeft niet persé ”. Ik antwoordde niet meer en keek van hem weg. Tenslotte merkte ik op dat ik toch een uitzonderlijk jaar achter de rug had en dat ik als specialisatie (Bestuursacademie) internationaal privaatrecht zou kiezen. “Daar weet ik niets van”, zei hij. (Hiermee bedoelt hij het vak op zich) “Ik hoop dat u succesvol wordt”. (Geen reactie van mijn kant). Ik vertelde hem dat ik niet verwachtte ooit nog in zijn praktijk terecht te komen daar ik mij beter voelde dan het moment dat ik twee jaar geleden (september t/m december 1997, 8 sessies) bij hem weg was gegaan. Hij beaamde dit. Hij merkte op dat ik altijd bij hem terecht zou kunnen voor advies en dat ik nogmaals altijd welkom was bij hem. (Geen reactie van mijn kant). Eveneens zei hij: “Ik vond u zo eenzaam”. (Wellicht n.a.v. de opmerking: “ik zou best een beetje van u kunnen houden… als vriend dan”) Ik keek hem aan en reageerde niet. “Zo zit ik nu eenmaal in elkaar”, besloot hij. In het luchtledige merkte hij nog het volgende op: “het is verdrietig”  en: “Ik ben mij rot geschrokken”. Ook hier ben ik niet op ingegaan. Als laatste zei hij: “Ik hoop dat het goed blijft gaan met jullie”.  (Geen reactie van mijn kant). Het gesprek liep ten einde en met een: “Tot ziens”, ben ik zijn spreekkamer uitgelopen.

 

Zowel de huisarts als mijn huidige psychiater ondersteunen mijn klacht tegen X. Beide heren zijn bereid nadere informatie aan u te verstrekken indien u dat nodig vindt.

 

De heer W. te A., huisarts te (naam woonplaats)

Adres

0000 XX Woonplaats)

Telefoon: 000-0000000

 

Dr. Y., psychiater te (naam woonplaats)

Adres

0000 XX Woonplaats

Telefoon:

000-0000000 (praktijk)

000-0000000 (GGZ Woonplaats)

000-0000000 (privé)

06-00000000  (GSM)

 

De heer X, psychiater te Woonplaats

Adres aangeklaagde arts

0000 XX Woonplaats

Telefoon: 000-0000000

www.misbruikdoorhulpverleners.nl